Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5653

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698739 / KG ZA 26-108
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 20 lid 3 IVRKArt. 8 EVRMArt. 4.1.1 lid 1 JeugdwetArt. 2.3 lid 6 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Plaatsing van minderjarige kinderen in netwerkpleeggezin versus gezinshuis na overlijden ouders

Na het tragische overlijden van de ouders van twee minderjarige kinderen ontstond een gezagsvacuüm. De Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland (JBw) plaatste de kinderen aanvankelijk in een gezinshuis, terwijl een goedgekeurd netwerkpleeggezin van moederszijde, vertegenwoordigd door eiseres, beschikbaar was. Eiseres vorderde in kort geding dat de kinderen bij haar geplaatst zouden worden.

JBw beriep zich op de complexe familieverhoudingen en het belang van de kinderen, en koos voor een neutrale tijdelijke plaatsing in afwachting van een definitieve beslissing. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze tijdelijke plaatsing niet onrechtmatig was en geen schending van het vertrouwensbeginsel inhield.

Desondanks werd geoordeeld dat het in het belang van de kinderen is dat zij zo spoedig mogelijk in een goedgekeurd netwerkpleeggezin verblijven. Daarom werd JBw bevolen de kinderen binnen drie weken bij eiseres te plaatsen. De overige vorderingen, waaronder een dwangsom en informatieverstrekking, werden afgewezen. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland om de kinderen binnen drie weken bij het netwerkpleeggezin van eiseres te plaatsen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/698739 / KG ZA 26-108
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van
[naam 1]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaten mr. R.A. Korver te Amsterdam en mr. M. Krol te Rotterdam,
tegen:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Hollandgevestigd te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. E.M. de Lange te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [naam 1] ’ en ‘JBw’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- het herstelexploot van de dagvaarding;
- de door JBw overgelegde conclusie van antwoord met producties;
- de aanvullende producties van [naam 1] ;
- de aanvulling op de door JBw overgelegde van de conclusie van antwoord;
- de op 17 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij namens [naam 1] pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[de moeder] (de moeder) en [de vader] (de vader) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] (hierna de kinderen).
2.2.
De vader heeft op 15 juli 2025 de moeder neergeschoten in de aanwezigheid van de kinderen. De moeder is op 15 juli 2025 aan haar verwondingen overleden. De vader is gevlucht en heeft vervolgens zichzelf later die dag van het leven beroofd. Door het overlijden van de ouders van de kinderen is op 15 juli 2025 een gezagsvacuüm ontstaan.
2.3.
Bij beschikking van 16 juli 2025 van deze rechtbank is de mondelinge uitspraak, inhoudende dat JBw is belast met de voorlopige voogdij over de kinderen van 15 juli 2025 tot 16 juli 2025 om 17.00 uur, bevestigd. Bij beschikking van 28 juli 2025 van deze rechtbank is Jbw belast met de voorlopige voogdij over de kinderen en bij beschikking van 8 december 2026 van deze rechtbank is JBw definitief belast met de voogdij over de kinderen.
2.4.
Na het overlijden van de ouders zijn de kinderen opgevangen door het Crisis Interventie Team in [plaats] en zijn zij in een tijdelijk crisispleeggezin geplaatst van [instelling 1] .
2.5.1.
[naam 1] en haar man zijn familie van moederszijde. Zij hebben bij JBw aangegeven graag als netwerkpleeggezin voor de kinderen te willen zorgen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 22 september een verklaring geen bezwaar (hierna: VGB) hiervoor afgegeven en [naam 1] en haar man zijn op 4 november 2025 positief gescreend door [instelling 2] pleegzorg.
2.5.2.
De zus van vader (hierna: [naam 2] ) heeft zich op 26 november 2025 gemeld bij JBw als zijnde ook een mogelijk netwerkpleeggezin. In eerste instantie heeft JBw dit verzoek niet gehonoreerd omdat JBw en [instelling 1] in de veronderstelling waren dat de Raad voor de Kinderbescherming geen VGB zou afgeven gelet op het justitiële verleden van [naam 2] . Dit is op 5 januari 2026 aan [naam 1] medegedeeld. Op 23 januari 2026 ontving JBw en [instelling 1] een concept dagvaarding van de advocaat van [naam 2] met de eis om [naam 2] te laten screenen als netwerkpleeggezin. Diezelfde dag heeft [instelling 1] te kennen gegeven wel over te gaan tot een screening omdat de “nee, tenzij clausule” van de beoordeling van de VGB hier van toepassing zou zijn. Als gevolg van dit herziene standpunt van [instelling 1] heeft op 28 januari 2026 een teamoverleg plaatsgevonden bij JBw.
2.5.3.
Kort voor genoemd overleg heeft de crisispleegmoeder van de kinderen aan JBw te kennen gegeven dat vanwege gezondheidsproblemen de kinderen niet langer bij haar kunnen verblijven. Dit en de nieuwe situatie van de mogelijke screening van [naam 2] zijn in het teamoverleg meegenomen. In dit overleg is door JBw besloten dat de kinderen in het netwerk zullen worden geplaatst. In afwachting van de screening van [naam 2] en de definitieve besluitvorming heeft JBw gekozen voor een neutrale tussenoplossing, zijnde dat de kinderen samen per 30 januari 2026 datum in een gezinshuis zijn geplaatst.

3.Het geschil

3.1.
[naam 1] vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. JBw te bevelen om de kinderen primair met onmiddellijke ingang, althans binnen 24 uur na betekenis van dit vonnis, en (ter zitting) subsidiair een termijn van twee weken, over te plaatsen vanuit het gezinshuis naar het netwerkpleeggezin van [naam 1] ;
II. JBw te verbieden om de kinderen (doen) over te plaatsen naar een gezinshuis of andere niet-netwerkvoorziening, zolang dit vonnis van kracht is, behoudens concrete en actuele contra-indicaties die gedaagde deugdelijk en verifieerbaar heeft onderbouwd;
III. JBw te bevelen om alle noodzakelijke administratieve en praktische handelingen te verrichten voor deze plaatsing te realiseren;
IV. JBw te bevelen om binnen 12 uur na betekening van dit vonnis aan [naam 1] : (i) de naam en locatie van het gezinshuis van de kinderen, (ii) het (schriftelijke) plaatsingsbesluit en/of de (schriftelijke) plaatsingsbevestiging, en (iii) de contactgegevens van de verantwoordelijke teammanager/voogd die feitelijk over de plaatsing beslist te geven;
V. al het voorgaande onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag(deel) dat JBw in gebreke is en/of blijft te voldoen met een maximum van € 50.000,- ;
VI. JBw te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertiendagen na betekening van het vonnis aan de proceskosten is voldaan.
3.2.
[naam 1] voert het volgende aan. JBw heeft besloten de kinderen te plaatsen in een gezinshuis terwijl een goedgekeurd netwerkgezin beschikbaar is, te weten [naam 1] en haar man. JBw heeft zelf te kennen gegeven dat plaatsing in het gezinshuis
verre van wenselijk isen heeft daarnaast geen deugdelijke gemotiveerde belangenafweging gemaakt. JBw heeft een familieconflict boven het belang van de kinderen gesteld. JBw handelt door dit besluit in strijd met artikel 3 j.o artikel 20 lid 3 IVRK Pro, artikel 8 EVRM Pro, artikel 4.1.1 lid 1 j.o artikel 2.3 lid 6 Jeugdwet en schendt hierdoor verschillende beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het netwerkbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Gelet op deze schendingen pleegt JBw een voortdurende onrechtmatige daad, welke zo spoedig mogelijk dient te worden beëindigd door de kinderen te plaatsen bij [naam 1] en haar man.
3.3.
JBw betwist de gestelde schendingen en stelt – kort samengevat - dat juist in het belang van de kinderen is gehandeld door, gelet op de familieverhoudingen, in afwachting van de definitieve beslissing over de plaatsing van de kinderen, te kiezen voor een neutrale plek, te weten het gezinshuis.

4.De beoordeling van het geschil

Interpretatie eis
4.1.
De voorzieningenrechter heeft allereerst met partijen gesproken over de eis onder I en II van [naam 1] . De voorzieningenrechter heeft aangegeven de eisen zo te interpreteren dat de beslissing die aan hem voorligt hierover een beslissing zal zijn tot aan de definitieve beslissing over de plaatsing van de kinderen door JBw. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Overplaatsing van de kinderen naar [naam 1]
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis, geen sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel, danwel een onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
4.2.1
De voorzieningenrechter constateert dat JBw op 5 januari 2026 in een netwerkberaad aan [naam 1] heeft medegedeeld dat nog geen definitieve beslissing wordt genomen omdat JBw eerst een gesprek met alle betrokkenen wil. Daarbij is toegezegd dat plaatsing van de kinderen niet bij [naam 2] zullen worden geplaatst omdat zij niet in aanmerking zou komen voor de VGB gelet op haar justitiële verleden. JBw is nadien hierop teruggekomen.
4.2.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat voldoende aannemelijk is geworden dat JBw wil toewerken naar een definitieve plaatsing die draagvlak vindt binnen het uitgebreide netwerk; mede gelet op de zeer gewelddadige familiegeschiedenis. De plaatsing in het gezinshuis in afwachting van de definitieve beslissing is het gevolg geweest van het alsnog screenen van [naam 2] , hetgeen de voorzieningenrechter kwalificeert als een poging aan beide tantes een evenwichtige beoordeling te laten zien, en daarmee draagvlak te creëren.
Voorts achtte JBw dit begrijpelijkerwijs in het belang van de kinderen om later uit te leggen dat gedegen is onderzocht waar de kinderen het beste duurzaam konden worden geplaatst.
4.2.3.
De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande, het zoeken naar draagvlak binnen een systeem met veel geweld, geen onrechtmatigheid, te meer daar het hier om een tijdelijke plaatsing ging, waarbij niet in geschil was dat voor de definitieve plaatsing het netwerk van de kinderen voorop stond. Een schending van gerechtvaardigd vertrouwen is derhalve niet aan de orde.
4.2.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat hieraan niet afdoet dat JBw [naam 2] alsnog in aanmerking heeft gebracht voor een screening, nu hiermee niet gegeven is dat de kinderen daadwerkelijk bij [naam 2] worden geplaatst. Hoewel begrijpelijk is dat [naam 1] uit angst dat de kinderen mogelijk niet bij haar worden geplaatst hierop vooruit is gelopen, betrof dit speculatie. Als zodanig is de screening of de tussenoplossing in het gezinshuis echter niet als onrechtmatig te kwalificeren.
4.3.
De voorzieningenrechter acht, in lijn met het voorgaande, evenmin schendingen van zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel aan de orde. Zoals overwogen is zijdens JBw meermaals aangegeven dat de kinderen duurzaam geplaatst zullen worden in het netwerk. Hierdoor is niet in strijd gehandeld met artikel artikel 3 j.o artikel 20 lid 3 IVRK Pro, artikel 8 EVRM Pro, artikel 4.1.1 lid 1 j.o artikel 2.3 lid 6 Jeugdwet. Daarbij geldt dat de plaatsing bij het crisispleeggezin heel abrupt werd beëindigd, waardoor de definitieve plaatsing aldaar niet kon worden afgewacht. JBw heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd waarom zij de tijdelijke plaatsing in het gezinshuis in het belang van de kinderen hebben geacht. De familieverhouding van moeders- en vaderszijde hebben door het overlijden van de ouders en het aandeel van de vader daarin, een invoelbare complexe dynamiek. JBw heeft de hoop uitgesproken dat door juist extra zorgvuldig het besluitvormingsproces te doorlopen meer draagvlak ontstaat bij beide families voor plaatsing bij een van hen. De voorzieningenrechter acht deze afweging niet onzorgvuldig en derhalve niet onrechtmatig.
4.4.
De voorzieningenrechter is echter wel van oordeel dat de vordering van [naam 1] in het belang van de kinderen dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter begrijpt dat JBw draagvlak wil creëren bij beide families. De keerzijde hiervan is echter dat de besluitvorming voor een definitieve plaatsing nog geruime tijd zal duren. Dit betekent onder meer dat de kinderen gedurende deze tijd niet aan hun traumatherapie kunnen beginnen en niet in een voor hen vertrouwde omgeving kunnen verblijven. Daarbij is het, zoals ter zitting besproken, geen gegeven dat indien een zorgvuldig besluitvormingsproces is doorlopen, dit ook draagvlak zal creëren. Indien [naam 2] alsnog positief wordt gescreend zal JBw alsnog een beslissing moet nemen die een van de families teleur zal stellen. Op enig moment dient hoe dan ook voor de kinderen een knoop te worden doorgehakt; na schorsing heeft JBW zich in dezen gerefereerd.
4.5.
De voorzieningenrechter acht het daarom tot aan het definitieve besluit in het belang van de kinderen dat zij in een goedgekeurd netwerkpleeggezin verblijven, te weten bij [naam 1] . Zoals op de zitting besproken zal de voorzieningenrechter bepalen dat de kinderen zo spoedig mogelijk, althans binnen drie weken vanaf de dag van de zitting, worden geplaatst bij [naam 1] . [naam 1] heeft aangegeven begrip ervoor te hebben als de plaatsing niet onmiddellijk ofwel binnen 24 uur kan gebeuren. De voorzieningenrechter wijst met dien verstande de in de eis gestelde termijn af en de rest van de eis toe.
Nu de voorzieningenrechter de eis onder I (deels) toewijst, komt hij niet meer toe aan de eis onder II en zal deze afwijzen bij gebrek aan belang.
Overige eisen
4.6.
Vervolgens zijn de overige eisen van [naam 1] op de zitting besproken. JBw heeft aangegeven tijd nodig te hebben om een goede (voorlopig nog tijdelijke) plaatsing te realiseren. Hoewel zij hun juridisch standpunt handhaven dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld, zullen zij meewerken en alle administratieve en praktische zaken regelen rondom de plaatsing bij [naam 1] . Gelet op de constructieve houding van JBw en het feit dat zij hebben aangegeven drie weken nodig te hebben om de plaatsing te bewerkstelligen, ziet de voorzieningenrechter geen noodzaak om een dwangsom te koppelen aan de uitvoering van de plaatsing van de kinderen bij [naam 1] . De eis onder III en IV en V zullen daarom worden afgewezen.
4.7.
In de omstandigheid dat [naam 1] deels in het gelijk wordt gesteld maar JBw niet onrechtmatig heeft gehandeld wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] , door de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland zo spoedig mogelijk, althans binnen drie weken vanaf de dag van de mondelinge behandeling bij [naam 1] in het netwerkpleeggezin worden geplaatst;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G. Meeder en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
TS