Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/09/685082 / HA ZA 25-420
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:93 BWArt. 6:97 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over nakoming en beëindiging samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling bedrijfspanden

Partijen zijn een overeenkomst aangegaan voor de gezamenlijke herontwikkeling van bedrijfspanden, maar het project is niet doorgegaan. Er ontstond onenigheid over de nakoming en beëindiging van de overeenkomst.

De rechtbank overweegt dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden door [partij A]. De vordering tot terugbetaling van het voorschot van €302.500,- wordt toegewezen, omdat onvoldoende is aangetoond dat [partij B] kosten heeft gemaakt voor het vooronderzoek. Andere vorderingen, waaronder betaling van een gebruiksvergoeding, contractuele boete en ontruiming, worden afgewezen.

In reconventie worden de vorderingen van [partij B] afgewezen, waaronder de claim op betaling van de aannemingssom en contractuele boete. Ook het incident tot afgifte van stukken wordt afgewezen. De proceskosten worden grotendeels toegewezen aan [partij A].

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [partij B] c.s. tot terugbetaling van het voorschot en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/685082 / HA ZA 25-420
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van

1.[partij A sub 1] te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: [partij A sub 1] ,
2.
[partij A sub 2] B.V.te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [partij A sub 2] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
verweerders in het incident,
hierna samen te noemen: [partij A] c.s.,
advocaat: mr. A.G. de Jong,
tegen

1.[partij B sub 1] te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: [partij B sub 1] ,
2.
[partij B sub 2] B.V.te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [partij B sub 2] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: [partij B] c.s.,
advocaat: mr. H.C. Uittenbogaart,
en

3.[partij C sub 1] te [woonplaats 3] ,

hierna te noemen: [partij C sub 1] ,
4.
[partij C sub 2]te [woonplaats 4] ,
hierna te noemen: [partij C sub 2] ,
gedaagden in conventie,
opgeroepen ex artikel 118 Rv Pro,
hierna samen te noemen: [partij C] c.s.,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 31 maart 2025 met producties 1 tot en met 19;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [partij B] c.s. met producties 1 tot en met 22;
- de rolbeslissing van 2 juli 2025;
- het exploot ex artikel 118 Rv Pro van 23 juli 2025 waarbij [partij A] c.s., [partij C] c.s. als derde partij in het geding heeft opgeroepen;
- de conclusie van antwoord in reconventie van [partij A] c.s. met producties 20 tot en met 32;
- de conclusie van antwoord van [partij C] c.s. met productie 1;
- de akte overlegging producties van [partij B] c.s. met productie 23;
- de akte overlegging producties en eiswijziging (in reconventie) van [partij B] c.s. met producties 24 en 25;
- de antwoordakte eisvermeerdering in reconventie tevens akte overleggen producties van [partij A] c.s. met producties 33 tot en met 39;
- de akte incidentele vordering ex artikel 843a Rv en overlegging producties van [partij B] c.s. met producties 26 en 27;
- de brief van [partij A] c.s. met productie 40.
1.2.
Op 6 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
[partij A sub 2] is eigenaar van een perceel met bedrijfspanden op het adres [adres 1] tot en met [adres 2] in [plaats 1] . [partij A sub 1] is de bestuurder en aandeelhouder van [partij A sub 2] .
2.2.
[partij B sub 1] is aandeelhouder van [partij B sub 2] . [partij B sub 2] drijft een onderneming op het gebied van projectontwikkeling en bouw.
2.3.
[partij C] c.s. en [partij B] c.s. werkten samen aan een project ter zake de herontwikkeling van onroerend goed aan de [straatnaam] en [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] in [plaats 1] . Via [partij C] c.s. kwam [partij A sub 1] in contact met [partij B sub 1] .
2.4.
Partijen wensten te gaan samenwerken voor wat betreft de herontwikkeling van het onroerend goed aan de [adres 1] tot en met [adres 2] in [plaats 1] (hierna: “het project”). Op 19 december 2023 hebben [partij A] c.s., [partij B sub 1] en [partij C] c.s. een overeenkomst ondertekend getiteld ‘overeenkomst voor het herontwikkelen van [adres 1] tot en met [adres 2] ’ (hierna: de overeenkomst).
In de overeenkomst is onder meer bepaald:
Op basis van schetstekeningen herontwikkelingen
Op basis van schetstekeningen en gesprekken met de gemeente [plaats 1] wordt bekeken als de percelen [adres 1] tot en met [adres 2] herontwikkeld kunnen worden en passen binnen de bestemmingsplan. Vooralsnog is het de bedoeling om bedrijfsunits en een stallingsgarage te bouwen. Daarnaast wordt de financiële haalbaarheid getoetst.
(…)
Exclusiviteit tot bouwen
Bij ondertekening van deze overeenkomst geeft men opdracht aan de bouwer [partij B sub 2] B.V. tot het doen van schetstekeningen, het ontwikkelen, begeleiden en bouwen van [adres 1] tot en met [adres 2] . (…)
De bouw van fase 1, kost € 7.000.000,- excl. BTW.
De bouw van fase 2, kost € 7.000.000,- excl. BTW.
(…)
Factuur € 250.000,- excl. BTW [partij B sub 2] B.V.
Dit bedrag zal aangewend worden voor de voorbereidende kosten van onder andere de architect, de constructeur, funderingsadvies, bemalingsadvies, damwandadvies en grondonderzoek. (…)
Tijdens het vooronderzoek worden er kosten gemaakt zoals hierboven vernoemd. Deze uitgevoerde kosten zullen bij het niet doorgaan van het project door [partij B sub 2] B.V. verrekend worden. Het uiteindelijke positieve saldo zal gerestitueerd worden aan de heer [partij A sub 1] .
(…)
Boete beding
Door ondertekening van dit contract gaan de contractanten er mee akkoord dat zonder tussen komst van een rechter of notaris, bij het tekort schieten in de nakoming van zijn verplichting men een direct opeisbare boete verschuldigd is van € 250.000,-. Bij het niet nakomen van zijn verplichtingen wordt onder andere verstaan het niet kunnen overleggen van eigendomspapieren van [adres 1] tot en met [adres 2] , het niet kunnen leveren van overeengekomen gronden zoals afgesproken in de splitsingsaantekeningen, het niet nakomen van het aanleveren van gegevens ten behoeve van de financiering van de bouw van fase 1 en fase 2. Het niet nakomen van de bouwer [partij B sub 2] B.V. tot het bouwen van de units en stallingsgarage na vergunning van de gemeente [plaats 1] . Het tussentijds uitstappen zonder moverende en geaccepteerde redenen door de contractanten. En zo verder. Deze boete geldt voor een ieder die mee tekent op dit contract stuk.”
En onderaan de overeenkomst is opgenomen:

N.B.
De vrijkomende hallen worden, in overleg, uiterlijk 1 januari 2024 of zoveel eerder als mogelijk is ter beschikking gesteld aan de bouwer [partij B sub 2] B.V.”
2.5.
[partij A sub 2] heeft tussen 22 december 2023 en 12 februari 2024 in vier deelbetalingen in totaal een bedrag van € 302.500,- aan [partij B sub 2] betaald (hierna: “het voorschot”).
2.6.
[partij A] c.s. heeft een sleutel van de bedrijfshallen aan de [adres 1] (hierna: “de hallen”) overhandigd aan [partij B sub 1] . Vervolgens heeft [partij B sub 2] de sloten van de hallen vervangen en een bord met de tekst ‘ [partij B sub 2] B.V.’ aan de voorzijde van de hallen geplaatst.
2.7.
Op 31 juli 2024 heeft [partij A sub 1] per e-mail de plannen voor het project opgestuurd naar de gemeente ten behoeve van de vergunningsaanvraag (hierna: “het principeverzoek”). Deze plannen bestonden uit een schetsontwerp voor de herontwikkeling van [adres 1] tot en met [adres 2] , waarin ook appartementen waren ingetekend. Dit schetsontwerp was in grote lijnen gelijk aan het schetsontwerp dat was opgesteld voor het andere project van [partij B] c.s. en [partij C] c.s. aan de [straatnaam] en [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] .
2.8.
Op 21 november 2024 heeft de adviseur van [partij A] c.s. namens [partij A] c.s., een brief gestuurd naar [partij B] c.s. In die brief vroeg [partij A] c.s. aan [partij B] c.s. om verslag uit te brengen over de voorbereidingen van het project en de kosten die in dat kader zijn gemaakt. Op 29 november 2024 heeft de advocaat van [partij B] c.s. op die brief gereageerd. Daarbij is onder meer vermeld dat er kosten zijn gemaakt voor een advocaat om de haalbaarheid van de plannen te toetsen.
2.9.
Op 26 november 2024 heeft [partij A sub 1] een brief ontvangen van de gemeente [plaats 1] waarin de gemeente schreef geen medewerking te kunnen verlenen aan het toevoegen van woningen aan het project op de door [partij A sub 1] voorgestelde wijze en dat het project in strijd is met het omgevingsplan.
2.10.
Op 16 december 2024 heeft de adviseur [partij A] c.s. een brief gestuurd naar [partij B] c.s. In die brief schreef [partij A] c.s. onder meer dat hij er achter is gekomen dat [partij B sub 1] geen bestuurder is van [partij B sub 2] , en dat de overeenkomst nietig is omdat [partij B sub 1] niet bevoegd was om de overeenkomst namens [partij B sub 2] te ondertekenen. Ook vorderde [partij A] c.s. het betaalde voorschot terug en verzocht hij [partij B] c.s. om de hallen te ontruimen. [partij A] c.s. heeft toen het slot van de hallen vervangen en het bord van [partij B sub 2] weggehaald.
2.11.
Per brief van 31 december 2024 heeft de advocaat van [partij B] c.s. betwist dat de overeenkomst nietig is en heeft hij [partij A] c.s. gesommeerd om [partij B] c.s. weer toegang te verlenen tot de hallen. [partij A] c.s. en [partij B] c.s. hebben vervolgens discussie gevoerd over het gebruik van de hallen door [partij B sub 2] . Op 7 januari 2025 hebben twee mannen, onder wie de bestuurder van [partij B sub 2] , het slot van de hallen proberen open te breken.
2.12.
Op [adres 5] januari 2025 heeft de advocaat [partij B] c.s. per brief aan [partij A] c.s. verzocht om uiterlijk op 13 januari 2025 de eigendomsbewijzen, splitsingstekeningen en de financieringsgegevens van het onroerend goed aan de [adres 1] tot en met [adres 2] aan [partij B] c.s. te verstrekken.
2.13.
[partij B] c.s. is een kort gedingprocedure gestart tegen [partij A] c.s., waarin hij onder meer toegang tot de hallen vorderde. Op 15 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag geoordeeld dat [partij A] c.s. [partij B sub 1] weer toegang moet verlenen tot de bedrijfshal aan de [adres 1] .
2.14.
[partij A] c.s. heeft conservatoir beslag doen leggen op een bankrekening van [partij B sub 2] op grond van beslagverlof verleend op 18 maart 2025. Vervolgens heeft [partij A] c.s. ook conservatoir beslag doen leggen op onroerend goed van [partij B sub 1] op grond van beslagverlof verleend op 25 april 2025.
2.15.
[partij B] c.s. is een tweede kort gedingprocedure gestart tegen [partij A] c.s., waarin hij opheffing van de gelegde beslagen vorderde. [partij B] c.s. en [partij A] c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling van die procedure afspraken gemaakt, die inhielden dat [partij B] c.s. zekerheid zal verstrekken door een bedrag in depot te storten bij een notaris waarna [partij A] c.s. de gelegde beslagen zal opheffen. Deze overeenstemming is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 3 juni 2025. Op
1 juli 2025 hebben [partij B] c.s. en [partij A] c.s. ter uitvoering van de regeling een depotovereenkomst ondertekend, zijn de beslagen op het onroerend goed van [partij B sub 1] opgeheven en is een bedrag van € 250.000,- in depot gehouden door de notaris.
2.16.
[partij B] c.s. is een derde kort gedingprocedure gestart tegen [partij A] c.s. en [partij C] c.s., waarin [partij B] c.s. onder meer toegang tot de bedrijfshallen van [partij A] c.s. vorderde in ruimere mate dan dat hij al toegang had op grond van het kortgedingvonnis van 15 april 2025. Deze vorderingen zijn afgewezen bij vonnis van
30 juni 2025.
2.17.
Op 16 juni 2025 heeft [partij A] c.s. aan [partij B] c.s. bericht dat ter zake de hallen sprake is van een bruikleenovereenkomst en dat [partij A] c.s. deze bruikleenovereenkomst opzegt. Ook verzocht [partij A] c.s. aan [partij B] c.s. om de hallen uiterlijk op 16 juli 2025 te ontruimen. Vervolgens heeft [partij B] c.s. zijn spullen in de week van 7 juli 2025 uit de hallen verwijderd.

3.Het geschil

In het incident
3.1.
[partij B] c.s. vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij A sub 1] beveelt om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn afschrift te verstrekken van:
- het door of namens [partij A sub 1] bij de gemeente ingediende principeverzoek, inclusief alle bijlagen;
- alle correspondentie (schriftelijk en digitaal) tussen [partij A sub 1] en de gemeente betreffende dit principeverzoek;
- interne correspondentie, notities en/of memo’s van [partij A sub 1] waarin het principeverzoek wordt besproken;
- eventuele reactie, adviezen, besluiten of terugkoppelingen van de gemeente naar aanleiding van het principeverzoek;
II. te bepalen dat [partij A sub 1] bij niet-nakoming een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,- of andere in goede justitie te bepalen bedragen;
III. [partij A sub 1] te veroordelen in de kosten van het incident.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A sub 1] geconcludeerd dat de vorderingen in het incident moeten worden afgewezen.
In conventie
3.3.
[partij A] c.s. vordert in conventie dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de overeenkomst voor het herontwikkelen van de [adres 1] t/m [adres 2] door [partij A] c.s. rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden, dan wel de overeenkomst te ontbinden;
II. [partij B] c.s. veroordeelt tot betaling van € 302.500,- aan [partij A] c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2024;
III. [partij B sub 1] veroordeelt tot betaling van de contractuele boete van € 250.000,- aan [partij A] c.s.;
IV. [partij B] c.s. veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 39.000,- aan [partij A] c.s.;
V. [partij B] c.s. beveelt om binnen zeven dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis al zijn eigendommen te verwijderen uit de panden aan de [adres 1] tot en met [adres 2] en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [partij B] c.s. in gebreke blijven om aan dit bevel te voldoen met een maximum van € 100.000,-; en
VI. [partij B] c.s. veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.4.
[partij B] c.s. vindt dat de vorderingen van de [partij A] c.s. moeten worden afgewezen of dat [partij A] c.s. niet ontvankelijk moet worden verklaard, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] c.s. in de kosten van de procedure in conventie te verhogen met de wettelijke rente.
3.5.
[partij C] c.s. verzet zich niet tegen de ontbinding of vernietiging van de overeenkomst en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De overige vorderingen hebben geen betrekking op [partij C] c.s.
In reconventie
3.6.
[partij B] c.s. vordert in reconventie (na wijziging van eis) dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [partij A] c.s. toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst;
II. [partij A] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot het betalen aan [partij B sub 1] van de contractuele boete uit de overeenkomst van € 250.000,-, of een ander in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 januari 2025;
III. [partij A] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot het betalen van de aanneemsom aan [partij B sub 2] ad € 14.000.000,-, of een ander in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 21 november 2024 (de dag van de ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring), althans 16 december 2024 (de dag dat [partij B sub 2] de toegang tot de hallen werd ontzegt, althans vanaf 28 maart 2025 (de dag waarop de bouwplaatsopstelling voor [partij B sub 2] onbruikbaar was gemaakt door gedaagden):
- primair op grond van artikel 7:764 BW Pro;
- subsidiair op grond van artikel 6:162 BW Pro;
- meer subsidiair op grond van de artikelen 6:74 BW (toerekenbare tekortkoming), 6:58 BW (schuldeisersverzuim) en 6:97 BW (positief contractsbelang) omdat de nadere aannemingsovereenkomst met [partij B sub 2] nog niet is geëindigd (doch enkel de overeenkomst van 19 december met [partij B sub 1] );
IV. [partij A] c.s. veroordeelt tot opheffing van alle ten laste van [partij B] c.s. gelegde beslagen en te bepalen dat het bedrag ad € 250.000,- dat in depot staat toekomt aan [partij B sub 1] op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven met een maximum van € 250.000,-, of andere in goede justitie te bepalen bedragen;
V. [partij A] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, te verhogen met wettelijke rente.
3.7.
[partij A] c.s. vindt dat de vorderingen van [partij B] c.s. moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] c.s. in de kosten van de procedure in reconventie – waaronder begrepen een salaris voor de advocaat van € 6.000,- te vermeerderen met 21% BTW – te verhogen met de wettelijke rente.
In conventie, reconventie en het incident
3.8.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
Partijen zijn een overeenkomst aangegaan met als bedoeling gezamenlijk het project te realiseren. Ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst waren de plannen nog niet concreet en het was niet zeker of het project uiteindelijk zou doorgaan. Duidelijk was wel dat [partij B sub 2] vooronderzoek zou verrichten, [partij A] c.s. het voorschot aan [partij B sub 2] zou betalen om het vooronderzoek te bekostigen en [partij A] c.s. de hallen ter beschikking zou stellen aan [partij B sub 2] . Uiteindelijk is het project niet doorgegaan.
4.2.
Partijen verschillen onder meer van standpunt welke rechten en verplichtingen zij uit hoofde van de overeenkomst hadden, hoe de overeenkomst is geëindigd en wat daar de consequenties van zijn. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het namelijk aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de ‘Haviltex-maatstaf’).
4.3.
[partij B] c.s. heeft kort voor de mondelinge behandeling een incidentele vordering ingesteld voor afgifte van informatie door [partij A] c.s. De rechtbank heeft niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling op het incident beslist. In dit vonnis wordt daarom besloten op zowel de vorderingen in de hoofdzaak als de vorderingen in het incident. Hierna worden eerst de vorderingen in de hoofdzaak besproken en daarna de vorderingen in het incident.
In conventie
Is de overeenkomst vernietigd of ontbonden?
4.4.
[partij A] c.s. stelt op de eerste plaats dat hij de overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd dan wel heeft ontbonden door middel van zijn brief van 16 december 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Dat wordt hierna toegelicht.
4.5.
Ten eerste voert [partij A] c.s. aan dat [partij B sub 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst slechts aandeelhouder was van [partij B sub 2] en geen bestuurder. Als [partij A sub 1] dat had geweten, dan zou [partij A] c.s. de overeenkomst niet hebben ondertekend. Daarom is volgens [partij A] c.s. sprake van misleiding door [partij B sub 1] en is de overeenkomst vernietigbaar op grond van dwaling of bedrog. De rechtbank volgt [partij A] c.s. hierin niet. De rechtbank overweegt dat [partij B sub 2] in de overeenkomst niet is vermeld als één van de partijen, terwijl de overeenkomst wel vermeld dat “
men” opdracht geeft aan [partij B sub 2]
“tot het doen van schetstekeningen, het ontwikkelen, begeleiden en bouwen van [adres 1] tot en met [adres 2] ”en ook dat [partij B sub 2] een bedrag van € 250.000,- (ex btw) ontvangt dat zal worden aangewend voor de voorbereidende kosten. De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of – juridisch gezien – [partij B sub 2] partij is bij de overeenkomst of dat deze rechten en plichten een andere juridische basis hebben. [partij A] c.s. heeft namelijk niet gesteld dat [partij B sub 2] op enig moment zich op het standpunt heeft gesteld dat zij niet gebonden is aan de verplichtingen als bedoeld in de overeenkomst. [partij B sub 2] heeft daarentegen tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij geen bezwaar had tegen het uitvoeren van de overeenkomst, voor zover daar voor haar verplichtingen uit voortvloeiden. Van bedrog of dwaling op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake.
4.6.
[partij A] c.s. voert ten tweede aan dat sprake is van bedrog omdat [partij B] c.s. volgens hem bij ondertekening van de overeenkomst niet van plan was om het project daadwerkelijk uit te voeren, maar alleen het voorschot wilde ontvangen. Door [partij B] c.s. wordt dat betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] c.s. onvoldoende gesteld voor de conclusie dat [partij B] c.s. bij ondertekening niet de intentie had om het project uit te voeren. [partij A] c.s. heeft daarvoor geen concrete feiten en omstandigheden gesteld, terwijl dit niet blijkt uit het enkele feit dat het project uiteindelijk niet is doorgegaan. Bovendien heeft [partij B] c.s. niet betwist dat het voorschot (behoudens verrekening) moet worden terugbetaald als het project niet door zou gaan. Van bedrog is geen sprake.
4.7.
[partij A] c.s. stelt ten derde dat [partij B sub 2] haar verplichtingen tot het verrichten van het vooronderzoek niet heeft uitgevoerd, en dat hij daarom de overeenkomst heeft ontbonden met de brief van 16 december 2024. De rechtbank stelt voorop dat als een partij tekortkomt in de nakoming van een overeenkomst, deze in beginsel kan worden ontbonden door een andere partij. De partij die tekortkomt dient wel in verzuim te verkeren als nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is. Verzuim treedt onder meer in als de betreffende partij in gebreke wordt gesteld waarbij een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en deze partij dan alsnog niet nakomt. Daar is echter geen sprake van, zoals hierna wordt toegelicht.
4.8.
In de overeenkomst zelf zijn geen termijnen afgesproken waarbinnen het vooronderzoek moest worden verricht. Met de brief van 21 november 2024 heeft [partij A] c.s. aan [partij B] c.s. verzocht om informatie over de stand van zaken binnen de in die brief gestelde termijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van een verzoek tot nakoming van de verplichting tot het verrichten van het vooronderzoek. De brief is geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:82 BW Pro. [partij A] c.s. kon de overeenkomst op 16 december 2024 dus niet ontbinden omdat [partij B] c.s. niet in verzuim verkeerde. Uit de brief blijkt bovendien niet dat [partij A] c.s. de overeenkomst wilde ontbinden in verband met het niet-verrichten van het vooronderzoek. In de brief wordt enkel verwezen naar het ‘nietig verklaren’ van de overeenkomst in verband met de gestelde onbevoegde vertegenwoordiging door [partij B sub 1] . Uit de stukken blijkt ook niet dat [partij A] c.s. [partij B] c.s. op een later moment in gebreke heeft gesteld. Van verzuim is dus geen sprake. Ook de rechtbank kan daarom de overeenkomst op deze grond niet ontbinden zoals [partij A] c.s. vordert.
4.9.
Ten vierde stelt [partij A] c.s. dat de overeenkomst op 16 december 2024 is ontbonden wegens een geslaagd beroep op een ontbindende voorwaarde in de overeenkomst, namelijk dat is gebleken dat de herontwikkeling niet past binnen het bestemmingsplan. [partij A] c.s. wijst op de brief van de gemeente van 26 november 2024 waarin de gemeente schrijft dat de beoogde ontwikkeling niet past binnen het bestaande bestemmingsplan. [partij B] c.s. heeft dit standpunt weersproken. Volgens [partij B] c.s. zag het project op de realisatie van bedrijfsunits en een stallingsgarage wat paste binnen het bestemmingsplan, ondanks dat partijen ook onderzochten of woningen konden worden gerealiseerd. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van [partij A] c.s. niet slaagt, zoals hierna wordt toegelicht.
4.10.
In de overeenkomst is, zoals [partij B] c.s. stelt, vermeld dat het voorgenomen project gaat om de realisatie van ‘bedrijfsunits en een stallingsgarage’. Het principeverzoek dat door [partij A] c.s. bij de gemeente is ingediend, zag echter op het realiseren van bedrijfsruimtes en woonruimtes. Deze woonruimtes waren volgens het bestemmingsplan niet toegestaan. [partij A] c.s. betoogt weliswaar dat het eigenlijk de bedoeling van partijen was om ook woningen te realiseren, maar dat blijkt niet uit de tekst van de overeenkomst en [partij A] c.s. heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd. Omdat niet is onderzocht of het plan zoals bedoeld in de overeenkomst (het realiseren van bedrijfsruimtes) wel of niet binnen het bestemmingsplan past, is de ontbindende voorwaarde niet ingetreden.
4.11.
De conclusie is dat de overeenkomst niet is vernietigd of ontbonden en niet alsnog kan worden ontbonden. De eerste vordering in conventie van [partij A] c.s. wordt dus afgewezen.
Voorschot moet worden terugbetaald
4.12.
[partij A] c.s. vordert ten tweede terugbetaling van het door hem aan [partij B sub 2] betaalde voorschot van € 302.500,- (inclusief btw). Naar het oordeel van de rechtbank moet dat voorschot inderdaad worden terugbetaald. Dat wordt hierna toegelicht.
4.13.
Partijen hebben een (voor)overeenkomst gesloten met de intentie om gezamenlijk het project te realiseren, maar niet de benodigde vervolgstappen genomen en hun plannen niet verder uitgewerkt. Tijdens de mondelinge behandeling waren partijen met elkaar eens dat het project niet meer door hen gezamenlijk uitgevoerd zal gaan worden, maar dat zij wel nog financieel moeten afrekenen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in deze gedragingen van partijen en deze mededeling tijdens de mondelinge behandeling besloten dat partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst is beëindigd. In de overeenkomst is bepaald dat als het project niet doorgaat, het voorschot moet worden terugbetaald onder aftrek van de kosten die door [partij B sub 2] zijn gemaakt voor het vooronderzoek. De vervolgvraag is welke kosten in dat kader zijn gemaakt.
4.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] c.s. onvoldoende onderbouwd dat [partij B sub 2] enige kosten heeft gemaakt voor het vooronderzoek zoals bedoeld in de overeenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B sub 2] gezegd dat het voorschot is gebruikt om een advocaat in te schakelen die verstand heeft van vergunningen. Vervolgens is volgens [partij B sub 2] een ‘quickscan’ uitgevoerd voor onderzoek naar de geldende milieuregels. De kosten hiervoor waren volgens [partij B sub 2] ongeveer € 7.500,-. [partij B sub 2] heeft een aantal
e-mails van de desbetreffende advocaat overgelegd. [partij A] c.s. heeft gemotiveerd betwist dat deze advocaatkosten betrekking hadden op het project en dat het kosten zijn voor het onderzoek als bedoeld in de overeenkomst.
4.15.
De rechtbank oordeelt dat het verweer [partij A] c.s. slaagt. Het is namelijk niet komen vast te staan dat de advocaat werkzaamheden heeft verricht voor het project aan de [adres 1] tot en met [adres 2] en welke werkzaamheden dat dan zouden zijn. [partij B sub 2] was namelijk ook betrokken bij het naburige project aan de [straatnaam] en [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] . In de door [partij B sub 2] overgelegde stukken wordt steeds naar de [straatnaam] en de Lijnbaan verwezen, maar niet naar [adres 1] - [adres 2] . Ook in het rapport van Econsultancy waar [partij B] c.s. op wijst, wordt niet verwezen naar [adres 1] - [adres 2] . Er kan niet worden vastgesteld dat deze kosten (deels) specifiek zijn gemaakt voor het project. Het kan niet worden uitgesloten dat deze werkzaamheden alleen betrekking hadden op het andere project aan de [straatnaam] en [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] , waarbij [partij A] c.s. niet betrokken was. Gelet op het daarop gerichte verweer [partij A] c.s., had het op de weg [partij B] c.s. gelegen om hier een nadere toelichting op te geven. Dat heeft Uitert c.s. niet voldoende gedaan.
4.16.
Bovendien zijn, zoals [partij B sub 2] tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd, geen van de in de overeenkomst uitdrukkelijk genoemde onderdelen van het vooronderzoek uitgevoerd. Ook is [partij A] c.s. op geen enkel moment geraadpleegd over de door [partij B sub 2] gemaakte kosten. Dat had van [partij B sub 2] wel mogen worden verwacht, zeker omdat de door haar gestelde advocaatkosten in de overeenkomst niet worden genoemd als mogelijke kosten van het vooronderzoek. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat [partij B sub 2] enige kosten heeft gemaakt in het kader van het vooronderzoek voor het project waar zij op grond van de overeenkomst het voorschot voor mocht gebruiken.
4.17.
De slotsom is dat het hele voorschot, zonder verrekening voor gemaakte kosten, moet worden terugbetaald. [partij A] c.s. vordert terugbetaling van zowel [partij B sub 2] als van [partij B sub 1] . [partij B] c.s. heeft niet betwist dat [partij B sub 2] en [partij B sub 1] die verplichting gezamenlijk – de rechtbank begrijpt: hoofdelijk – moeten nakomen zoals [partij A] c.s. heeft gevorderd. De vordering wordt op dat punt dus toegewezen zoals gevorderd.
4.18.
[partij A] c.s. vordert dat het bedrag wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2024. Zoals hiervoor overwogen is de overeenkomst toen echter niet rechtsgeldig ontbonden of vernietigd. De wettelijke rente zal dus worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis, omdat in ieder geval vanaf dat moment een terugbetalingsverplichting bestaat.
Gebruiksvergoeding
4.19.
Ten derde vordert [partij A] c.s. betaling door [partij B] c.s. van een gebruiksvergoeding van € 39.000,-, voor het gebruik van de hallen. Deze vordering wordt afgewezen.
4.20.
[partij A] c.s. stelt dat er geen rechtsgrond bestond voor het gebruik van de hallen door [partij B sub 2] , maar dat is niet juist. In de overeenkomst was namelijk opgenomen dat de hallen aan [partij B sub 2] ter beschikking werden gesteld. Naar de stelling van [partij A] c.s. was sprake van een bruikleenovereenkomst en was [partij B sub 2] geen vergoeding verschuldigd voor het gebruik, zoals blijkt uit de brief van [partij A] c.s. aan [partij B sub 2] van 16 juni 2025. In die brief heeft [partij A] c.s. verzocht om de hallen uiterlijk 16 juli 2025 te ontruimen. Dat heeft [partij B sub 2] vervolgens gedaan in de week van 7 juli 2025. Van gebruik zonder rechtsgrond was dus geen sprake.
Door [partij A] c.s. gevorderde boete
4.21.
Ten vierde vordert [partij A] c.s. betaling door [partij B] c.s. van de in de overeenkomst opgenomen boete. [partij A] c.s. stelt dat [partij B] c.s. is tekortgekomen in de nakoming van de overeenkomst omdat (i) [partij B] c.s. geen werkzaamheden heeft verricht in het kader van het vooronderzoek en (ii) [partij B] c.s. (kort gezegd) de hallen in strijd met de overeenkomst heeft gebruikt. Deze vordering wordt afgewezen.
4.22.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat de overeenkomst voor het uitvoeren van het vooronderzoek geen concrete verplichtingen, zoals wat [partij B sub 2] precies wanneer moest doen. Van een concrete tekortkoming op dat punt aan de zijde van [partij B] c.s. is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake. Bovendien heeft [partij A] c.s., zoals hiervoor in rechtsoverweging 4. 8 overwogen, ter zake geen aanmaning of ingebrekestelling aan [partij B] c.s. verzonden. Dat is echter wel vereist om aanspraak te kunnen maken op de overeengekomen boete (artikel 6:93 BW Pro).
4.23.
Ter zake het ter beschikking stellen van de hallen hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat niet is afgesproken dat het boetebeding daar ook betrekking op heeft. Deze uitleg komt ook overeen met de tekst van de overeenkomst. In het boetebeding is namelijk opgenomen dat de boete geldt voor ‘eenieder die mee tekent’. [partij B sub 2] – aan wie de hallen ter beschikking moesten worden gesteld – heeft de overeenkomst echter niet ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank is het boetebeding dus niet van toepassing op een tekortkoming in de nakoming van een verplichting ter zake het ter beschikking stellen en het gebruik van de hallen.
Vordering tot ontruiming
4.24.
[partij A] c.s. vordert ten slotte een bevel tot ontruiming door [partij B] c.s. van de panden aan de [adres 1] tot en met [adres 2] . Ontruiming heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling al plaatsgevonden. De rechtbank wijst deze vordering dus af, zoals ook door [partij A] c.s. verzocht tijdens de mondelinge behandeling.
Proceskosten in conventie
4.25.
De slotsom van de vorderingen in conventie is dat de vordering tot terugbetaling van het voorschot door [partij B] c.s. aan [partij A] c.s. wordt toegewezen. De overige vorderingen worden afgewezen.
4.26.
[partij B] c.s. is in conventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] c.s. betalen. De proceskosten van [partij A] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.898,40
4.27.
Voor bepaling van de hoogte van het liquidatietarief voor de hoogte van het salaris van de advocaat van [partij A] c.s. is uitgegaan van het toegewezen bedrag van de vordering.
4.28.
De vordering voor zover ingesteld tegen [partij C] c.s. (ter zake ontbinding of vernietiging van de overeenkomst) wordt afgewezen. [partij A] c.s. is jegens [partij C] c.s. in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij C] c.s. betalen. De proceskosten van [partij C] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.218,00
4.29.
Voor bepaling van de hoogte van het liquidatietarief voor de hoogte van het salaris van de advocaat van [partij C] c.s. is uitgegaan van een zaak van onbepaalde waarde, omdat [partij C] c.s. in de procedure is verschenen in verband met de gestelde ontbinding van de overeenkomst.
4.30.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
In reconventie
Geen tekortkoming in de nakoming zijdens [partij A] c.s.
4.31.
[partij B] c.s. stelt in reconventie dat [partij A] c.s. is tekortgekomen in de nakoming van de overeenkomst. Hij vordert daarom een verklaring voor recht, betaling van de contractuele boete en vergoeding van schade. [partij B sub 2] vordert een bedrag van
€ 14.000.000,- op grond van artikel 7:764 BW Pro omdat [partij A] c.s. de aannemingsovereenkomst met [partij B sub 2] heeft opgezegd. Ook zou [partij A] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens [partij B sub 2] . [partij B] c.s. maakt aanspraak op betaling van de contractuele boete van € 250.000,-. Deze vorderingen worden afgewezen, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.
4.32.
Ten aanzien van de vordering van [partij B sub 2] overweegt de rechtbank dat er met het sluiten van de overeenkomst, nog geen aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [partij B sub 2] en [partij A] c.s. [partij B sub 2] heeft gesteld dat er na de overeenkomst een
nadereaannemingsovereenkomst zou zijn gesloten tussen haar en [partij A] c.s., maar die stelling heeft [partij B sub 2] onvoldoende toegelicht. Een
nadereaannemingsovereenkomst kan - anders dan [partij B sub 2] stelt - niet worden afgeleid uit de enkele betaling aan [partij B sub 2] door [partij A] c.s. van het voorschot. Die betaling is geschied op grond van de afspraken in de overeenkomst en had betrekking op het verrichten van het vooronderzoek. Zoals hiervoor is overwogen, bevond het project zich in de voorbereidende fase, maar verder dan dat zijn partijen niet gekomen. Uit de overeenkomst blijkt alleen van een voorgenomen samenwerking die na het doen van het benodigde vooronderzoek verder geconcretiseerd moest worden. De financiële haalbaarheid van het plan diende te worden beoordeeld en ook diende te worden beoordeeld of het plan zou passen in het geldende bestemmingsplan. Het stond nog niet vast wat er gebouwd zou gaan worden, waarbij partijen nog aan het onderzoeken waren of er bijvoorbeeld ook woningen konden worden gerealiseerd.
4.33.
Nu er geen aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [partij A] c.s. en [partij B sub 2] , kan er ook geen sprake zijn van een opzegging van een aannemingsovereenkomst. De op artikel 7:764 BW Pro geënte vordering wordt daarom afgewezen. [partij B sub 2] heeft vervolgens onvoldoende toegelicht in welke, uit de overeenkomst volgende, verplichting jegens [partij B sub 2] [partij A] c.s. zou zijn tekort gekomen. [partij A] c.s. had zich verbonden tot betaling van het voorschot en die verplichting is [partij A] c.s. nagekomen. Daar stond tegenover dat [partij B sub 2] het vooronderzoek zou verrichten, aan welke verplichting [partij B sub 2] geen kenbare uitvoering heeft gegeven. Van een tekortkoming door [partij A] c.s. is geen sprake, zodat de daarop gerichte vordering wordt afgewezen. [partij B sub 2] heeft tot slot niet concreet toegelicht waarom [partij A] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar. De algemene – en door [partij A] c.s. betwiste – stellingen dat [partij A] c.s. zou hebben getracht om onder de overeenkomst uit te komen en [partij B sub 2] daartoe opzettelijk zou hebben dwarsgezeten en het werk onmogelijk heeft gemaakt, zijn daartoe onvoldoende.
4.34.
[partij B] c.s. maakt aanspraak op betaling van de boete van € 250.000,-. De rechtbank is van oordeel dat [partij B sub 1] onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat [partij A] c.s. tekort is gekomen in haar verplichtingen op grond van de overeenkomst en daarom de boete verschuldigd is.
4.35.
[partij B sub 1] vordert ten eerste betaling van de contractuele boete omdat [partij A] c.s. bepaalde informatie niet aan [partij B] c.s. zou hebben verstrekt. In de overeenkomst is namelijk opgenomen dat de contractuele boete onder meer verschuldigd is als [partij A] c.s. niet de eigendomspapieren van [adres 1] tot en met [adres 2] kan overleggen. Op [adres 5] januari 2025 heeft [partij B] c.s. deze informatie opgevraagd, maar [partij A] c.s. heeft deze informatie niet verstrekt, aldus [partij B sub 1] .
4.36.
De rechtbank overweegt dat in de overeenkomst deze verplichting van [partij A] c.s. niet nader is geconcretiseerd. Niet bepaald is bijvoorbeeld wanneer en ten behoeve waarvan deze informatie moet worden verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B sub 1] toegelicht dat hij deze informatie mogelijk nodig had voor het aanvragen van de financiering voor het project. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst mee dat [partij A] c.s. echter nog geen verplichting had tot het verstrekken van de gevraagde informatie. De informatie diende immers te worden verstrekt ten behoeve van een financieringsaanvraag. Van een financieringsaanvraag was op dat moment of in de voorzienbare toekomst echter geen sprake, dus bestond voor [partij A] c.s. ook nog geen verplichting om de betreffende informatie te verstrekken. Van een tekortkoming is dus geen sprake.
4.37.
Ook vordert [partij B] c.s. betaling van de contractuele boete omdat [partij A] c.s. de bedrijfshallen eind 2024 ontoegankelijk heeft gemaakt voor [partij B sub 2] . Zoals hiervoor overwogen in rechtsoverweging 4.23 had het boetebeding naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking op de verplichtingen ter zake het gebruik van de hallen. Bovendien was het ter beschikking stellen van de hallen geen verplichting jegens [partij B sub 1] , maar jegens [partij B sub 2] . Van een tekortkoming jegens [partij B sub 1] kan op dat punt dus geen sprake zijn en [partij B sub 2] was geen partij bij het boetebeding. Deze vordering van [partij B] c.s. wordt dus ook afgewezen.
4.38.
Op de mondelinge behandeling heeft [partij B sub 1] gesteld dat het boetebeding in bijzonder bedoeld was om te voorkomen dat iemand zomaar uitstapte. Voor zover [partij B sub 1] daarmee stelt dat de boete verschuldigd is, omdat Ginkel c.s. tussen zou zijn uitgestapt in de zin van het boetebeding met het versturen van de brief van
16 december 2024, wordt [partij B sub 1] daarin niet gevolgd. In het boetebeding is vermeld dat de boete verschuldigd is bij het “
tussentijds uitstappen zonder moverende en geaccepteerde redenen door de contractanten”. Een redelijke uitleg hiervan aan de hand van de eerder aangehaalde Haviltex-maatstaf brengt met zich dat een contractspartij niet zonder reden mocht uitstappen. [partij B sub 1] heeft, gelet op de stellingen van [partij A] c.s., onvoldoende gesteld dat daarvan sprake was, waartoe de rechtbank als volgt overweegt.
4.39.
Wat betreft de achtergrond van en de aanloop naar de brief van 16 december 2024 heeft [partij A] c.s. gesteld dat hij in de zomer 2024 twijfels kreeg over een goede afloop van het project. Ten eerste werd [partij A] c.s. er toen mee bekend dat [partij B] c.s. een conflict had gekregen met [partij C] c.s. over een ander project, terwijl [partij C] c.s. ook een rol had in het onderhavige project. Dat conflict zou aan de voortgang van het project in de weg staan. Verder had [partij A] c.s. gehoord dat [partij B] c.s. financiële problemen zou hebben. Tevens was er inmiddels langere tijd verstreken sinds de betaling van het voorschot aan [partij B sub 2] , terwijl [partij B sub 2] ogenschijnlijk geen voorbereidende werkzaamheden had verricht. Ook nadat [partij A] c.s. had verzocht inzage te geven in de verrichte voorbereidende werkzaamheden, is daarop geen inhoudelijk antwoord gekomen. De adviseur van [partij A] c.s. zag in de omstandigheid dat Uitert niet de bestuurder was van [partij B sub 2] een formeel argument om tot beëindiging van de overeenkomst te komen. Dat dit argument niet correct was, brengt - gelet op de hiervoor geschetste achtergrond van de beëindiging - niet met zich dat [partij A] c.s. zonder moverende reden is uitgestapt als bedoeld in het boetebeding.
Opheffen beslag
4.40.
Ten slotte vordert [partij B] c.s. opheffing van alle ten laste van [partij B] c.s. gelegde beslagen en dat de rechtbank bepaalt dat het bedrag van € 250.000,- dat in depot staat bij de notaris, toekomt aan [partij B sub 1] .
4.41.
Met ‘alle ten laste van [partij B] c.s. gelegde beslagen’ bedoelt [partij B] c.s. het conservatoire beslag dat [partij A] c.s. heeft gelegd op een bankrekening van [partij B sub 2] bij ING, welk beslag doel heeft getroffen voor een bedrag van € 142,48. [partij A] c.s. had ook beslag doen leggen op onroerend goed van [partij B sub 1] , maar die beslagen zijn vrijgegeven nadat uitvoering is gegeven aan de depotovereenkomst op grond waarvan € 250.000,- in depot bij de notaris is gestort. Het beslag op de bankrekening is dus het enige beslag dat nog resteert.
4.42.
[partij B] c.s. stelt dat partijen tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 28 mei 2025 zijn overeengekomen dat [partij A] c.s. alle gelegde beslagen zou opheffen, nadat [partij B sub 1] het bedrag in depot had gestort bij de notaris. [partij A] c.s. heeft vervolgens alleen het beslag op het onroerend goed opgeheven, en niet het beslag op de bankrekening. [partij A] c.s. weerspreekt deze stelling. Volgens [partij A] c.s. zijn partijen alleen overeengekomen om het beslag op de onroerende zaken op te heffen.
4.43.
Partijen verschillen van mening over wat zij op 28 mei 2025 zijn overeengekomen. Het gaat om uitleg van die afspraken. In het proces-verbaal waarin de afspraken zijn vastgelegd, wordt verwezen naar ‘alle beslagen’ maar ook naar de verkoop van ‘een of meer beslagen registergoederen’. [partij A] c.s. betoogt dat het kort geding alleen ging over het beslag op het onroerend goed en dat het beslag op de bankrekening bij de ING niet ter sprake is gekomen. Dat is door [partij B] c.s. niet gemotiveerd betwist en [partij B] c.s. heeft geen stukken overgelegd waaruit iets anders blijkt, zoals de betreffende dagvaarding of spreekaantekeningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] c.s. onvoldoende gemotiveerd gesteld dat is afgesproken dat [partij A] c.s. ook het beslag op de bankrekening bij ING zou opheffen in het kader van de depotstelling. De vordering van [partij B] c.s. dat dit beslag alsnog wordt opgeheven, wijst de rechtbank dus af.
4.44.
Ook de vordering van [partij B] c.s. dat het depotbedrag aan [partij B sub 1] wordt uitgekeerd, wijst de rechtbank af. [partij B] c.s. heeft niet gemotiveerd waarom het depotbedrag moet worden vrijgegeven. De rechtbank begrijpt de vordering zo dat als de vorderingen van [partij A] c.s. niet worden toegewezen, het depot volgens [partij B] c.s. moet worden vrijgegeven. De vordering van [partij A] c.s. wordt echter toegewezen voor een hoger bedrag dan in depot is gestort.
Proceskosten in reconventie
4.45.
[partij B] c.s. is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] c.s. betalen. De proceskosten van [partij A] c.s. worden begroot op:
- salaris advocaat
7.260,00
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.408,00
4.46.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.47.
[partij A] c.s. heeft de rechtbank verzocht om in het kader van de proceskostenveroordeling in reconventie rekening te houden met een salaris van zijn advocaat van € 7.260,- (€ 6.000,- vermeerderd met 21% btw). Dat zijn de werkelijke advocaatkosten. Naar het oordeel van de rechtbank is dat toewijsbaar, omdat het minder is dan het salaris berekend aan de hand van het geldende liquidatietarief (namelijk 2 punten maal € 4.631,-).
In het incident
Incident tot afgifte van stukken
4.48.
[partij B] c.s. vordert in het incident afgifte van bepaalde stukken door [partij A] c.s.
4.49.
[partij B] c.s. doet een beroep op artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), maar dat artikel is voor procedures gestart na 1 januari 2025 niet meer van toepassing. Het inzagerecht waar [partij B] c.s. een beroep op doet is geregeld in artikelen 194 tot en met 195a Rv. Artikel 194 lid 1 Rv Pro bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Artikel 195 lid 1 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de rechter de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover die partij beschikt. Voor een geslaagd beroep op deze regeling is nodig dat (i) de eiser van informatie partij is bij een rechtsbetrekking, (ii) de verlangde gegevens voldoende bepaald zijn, (iii) de eisende partij voldoende belang heeft bij haar informatieverzoek en (iv) en de andere partij over de gevraagde bepaalde gegevens beschikt.
4.50.
Direct na het instellen van het incident heeft [partij A] c.s. het opgevraagde principeverzoek in het geding gebracht, inclusief correspondentie met de gemeente. Niet blijkt dat [partij B] c.s. eerder om deze stukken heeft gevraagd dan in het incident. Bij de vordering tot afgifte van de stukken die al zijn overgelegd, heeft [partij B] c.s. geen belang meer. De rechtbank wijst de vordering in zoverre dus af. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B] c.s. toegelicht dat hij het incident toch wil handhaven, omdat volgens hem meer correspondentie met de gemeente zou moeten bestaan. [partij A] c.s. heeft dat betwist. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet dat meer correspondentie zou moeten bestaan tussen [partij A] c.s. en de gemeente op dit punt. Van een vordering tot afgifte van ‘bepaalde gegevens’ is dus niet voldaan. De vorderingen in het incident worden afgewezen.
4.51.
[partij B] c.s. is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [partij A] c.s. in het incident betalen. De proceskosten van [partij A] c.s. in het incident worden begroot op nihil, omdat [partij A] c.s. geen processtuk in het incident heeft ingediend en geen (aparte) mondelinge behandeling in het incident heeft plaatsgevonden.

5.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
5.1.
wijst de vorderingen van [partij B] c.s. in het incident af;
5.2.
veroordeelt [partij B] c.s. in de proceskosten van [partij A] c.s. in het incident en begroot deze kosten op nihil;
in de hoofdzaak in conventie
5.3.
veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk om aan [partij A] c.s. te betalen een bedrag van € 302.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 11 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van [partij A] c.s. van € 12.898,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.5.
wijst de vorderingen van [partij A] c.s. jegens [partij C] c.s. af;
5.6.
veroordeelt [partij A] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van [partij C] c.s. van € 4.218,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij A] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij A] c.s. € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
in de hoofdzaak in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen van [partij B] c.s. in reconventie af;
5.8.
veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van [partij A] c.s. van € 7.408,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in de hoofdzaak in conventie en in reconventie
5.9.
veroordeelt [partij B] c.s. jegens [partij A] c.s. hoofdelijk tot betaling van € 98,- plus de kosten van betekening als [partij B] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3, 5.4, 5. 8 en 5.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Alink en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
type: 3557