ECLI:NL:RBDHA:2026:5664

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.15124
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 12 IVRKArt. 4 lid 1 sub c Richtlijn 2003/86/EGArt. 16 lid 1 sub b Richtlijn 2003/86/EGArt. 3.14 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning machtiging voorlopig verblijf wegens hechte persoonlijke banden met vader na overlijden moeder

Eiseres, een minderjarige met de Ghanese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar vader, die rechtmatig in Nederland verblijft, te kunnen wonen. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat niet was aangetoond dat zij tot het kerngezin van haar vader behoorde en dat er geen sprake was van hechte persoonlijke banden zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet is geboren uit een huwelijk of een relatie gelijkgesteld aan een huwelijk, maar dat er wel sprake is van hechte persoonlijke banden tussen haar en haar vader. Dit oordeel baseert de rechtbank op het feit dat de moeder van eiseres is overleden en de vader de enige overgebleven ouder is, alsmede op de financiële en affectieve zorg die de vader op afstand verleent.

De rechtbank stelt dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat de moeder is overleden en dat de vader de zorg voor eiseres heeft overgenomen. Ook acht de rechtbank de geldovermakingen en het contact via Whatsapp als aanwijzingen voor hechte persoonlijke banden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij deze omstandigheden in de belangenafweging moeten worden betrokken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens het bestaan van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar vader.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15124
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is
.Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2008 en heeft de Ghanese nationaliteit. Op
29 augustus 2023 heeft zij een aanvraag ingediend voor een mvv, met als verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] (referent)’. Referent is eiseres’ vader. Hij heeft ook de Ghanese nationaliteit. Referent heeft de moeder van eiseres ontmoet in Ghana. Vervolgens is hij naar Spanje gegaan. De moeder van eiseres is referent niet gevolgd naar Spanje. Zij is in Ghana bevallen van eiseres. Eiseres verbleef sinds haar geboorte bij haar moeder in Ghana. [1] De moeder van eiseres is overleden op 10 april 2019. Daarom wenst eiseres nu verblijf bij referent in Nederland. Referent heeft sinds 2022 rechtmatig verblijf in Nederland, voor verblijf bij zijn nieuwe partner.
2.2.
Met het primaire besluit van 10 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag voor een mvv afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Verweerder heeft op 9 januari 2025 een hoorzitting gehouden in de bezwaarfase.
2.3.
Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat eiseres feitelijk tot het kerngezin van referent behoort en dat niet is aangetoond dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en referent. Daarom is geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De rechter heeft ook telefonisch met eiseres gesproken.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres voor een mvv terecht heeft afgewezen. De vraag die daarbij allereerst aan bod komt is of verweerder terecht heeft gesteld dat tussen eiseres en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
Is eiseres geboren uit een huwelijk of een relatie die gelijk te stellen is met een huwelijk?
4.1.
Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder in ieder geval aanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven tussen ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt daarnaast dat enkel biologisch verwantschap onvoldoende is om gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen een minderjarig kind en zijn biologische ouder of erkenner aan te nemen. [2] Deze uitleg is in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). [3]
4.2.
Eiseres voert aan dat zij is geboren uit een huwelijk of een relatie die gelijk te stellen is met een huwelijk. Referent en haar moeder onderhielden tijdens haar eerste levensjaren een relatie. Van deze periode zijn echter geen bewijsstukken. Referent is zijn telefoon en zijn administratie verloren en de moeder van eiseres had haar eigen administratie, maar na haar overlijden is deze ook verloren geraakt.
4.3.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat referent de biologische vader van eiseres is. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is geboren uit een relatie die in voldoende mate gelijk te stellen is met een huwelijk. Op de zitting heeft referent hierover toegelicht dat hij maar enkele maanden samen heeft doorgebracht met de moeder van eiseres toen hij in Ghana op vakantie was. De moeder van eiseres is toen zwanger geraakt. Ten tijde van de geboorte van eiseres was referent in Spanje en woonden zij dus niet samen in gezinsverband. De rechtbank concludeert gelet op deze feiten en omstandigheden dat eiseres niet is geboren uit een relatie die gelijk is te stellen met een huwelijk.
Invulling van het criterium hechte persoonlijke banden
5.1.
Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vc volgt dat familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen een minderjarig kind en zijn biologische vader in ieder geval wordt aangenomen als uit de feiten en omstandigheden blijkt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden.
5.2.
Eiseres voert aan dat het criterium ‘hechte persoonlijke banden’ niet zodanig kan worden ingevuld dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de Gezinsherenigingsrichtlijn [4] (de Richtlijn). Eiseres voert aan dat gezinshereniging onder de Richtlijn een veel ruimere grondslag biedt dan artikel 8 van Pro het EVRM. Uit de Richtsnoeren [5] bij de Richtlijn volgt dat de status van een ten laste komend gezinslid voortvloeit uit de hoedanigheid van een feitelijke situatie, gekenmerkt door de omstandigheid dat het gezinslid materieel wordt gesteund door de gezinshereniger. De vereisten die de lidstaten hiertoe stellen mogen het nuttig effect van de bepaling niet teniet doen. Volgens eiseres is zij een ‘ten laste komend kind’ dat onder het gezag staat van referent, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, sub c van de Richtlijn.
5.3.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De Afdeling heeft in een aantal uitspraken geconcludeerd dat verweerder met de implementatie van de Richtlijn in de nationale wetgeving voldoet aan artikel 8 van Pro het EVRM. [6] In die uitspraken is onder meer overwogen [7] dat artikel 3.14 aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit, waarin het vereiste om feitelijk tot het gezin van de gezinshereniger te behoren staat, een juiste implementatie is van het begrip ‘ten laste komen van’ in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn. In die uitspraken is vervolgens geconcludeerd dat verweerder met de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn in de nationale wetgeving voldoet aan artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan de Afdeling en is van oordeel dat het beleid van verweerder in overeenstemming is met artikel 4, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het EHRM met betrekking tot gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
Toepassing van het criterium hechte persoonlijke banden
6.1.
Eiseres voert aan dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen haar en referent. Referent draagt al ruim vijf jaar, op afstand, de financiële zorg en is ook belast met de ouderlijke verantwoordelijkheid. Uit de Whatsappgesprekken tussen hem en (de tante van) eiseres blijkt dat hij een affectieve relatie met eiseres onderhoud. Volgens eiseres is in ieder geval de gezinsrelatie tussen haar en referent hersteld, dan wel gaan ontstaan, door de wijze waarop referent na het overlijden van de moeder van eiseres de zorg voor eiseres is gaan dragen.
6.2.
In Werkinstructie 2020/16 wordt ingegaan op de beoordeling van het wel of niet bestaan van hechte persoonlijke banden. Daarin staat het volgende:
‘Als sprake is van een biologische vader die op het moment dat het kind werd verwekt of werd geboren geen huwelijk of relatie had met de moeder, dan is de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven tussen hem en zijn minderjarige biologische kind afhankelijk van de aanwezigheid van een hechte persoonlijke band met het kind. (…) De beoordeling van het familie- of gezinsleven tussen biologische vaders of erkenners en hun kind vraagt om een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Heeft de biologische vader (…) het kind nooit gezien en ook anderszins geen contact met het kind onderhouden, bestaat aanleiding om geen familie- of gezinsleven aan te nemen. Onderhoudt de vader (nog steeds) contact met zijn kind, dan heb je aanleiding om aan te nemen dat wel sprake is van familie- of gezinsleven. De praktijk zal ergens liggen tussen deze twee extremen. Je kunt bij je weging de volgende elementen betrekken:
  • de manier waarop de vader op dit moment contact onderhoudt en in het verleden heeft onderhouden met het kind (van bellen en geld overmaken, tot het kind daadwerkelijk zien, betrokken zijn bij de opvoeding, etc.)
  • de intensiteit van het contact (heeft sinds de geboorte invulling gegeven aan het familie- of gezinsleven?; hoe regelmatig?; zijn er periodes geweest zonder contact en was dat een eigen keuze of ingegeven door de omstandigheden?)
Tussen de biologische vader en zijn kind dat niet is geboren uit een huwelijk of relatie kan sprake zijn van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als de vader beperkt invulling heeft (kunnen) gegeven aan het familieleven met zijn kind en zijn relatie wil ontwikkelen met het kind. De vader moet dan aannemelijk kunnen maken dat hij de band met zijn kind wil opbouwen of versterken.’
6.3.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder in de toets of sprake is van hechte persoonlijke banden onvoldoende heeft betrokken dat de moeder van eiseres is overleden en dat referent de enige overgebleven ouder is. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat, hoewel het niet zo duidelijk staat in het bestreden besluit, dit wel voldoende in het bestreden besluit is betrokken. De rechtbank volgt verweerder hierin niet en is van oordeel dat uit het bestreden besluit expliciet had moeten volgen dat deze omstandigheid is betrokken.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat, onder de gegeven omstandigheden, wel sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en eiseres. Uit Werkinstructie 2020/16 volgt dat sprake kan zijn van familie- of gezinsleven als de vader beperkt invulling heeft kunnen geven aan het familieleven met zijn kind, hij zijn relatie wil ontwikkelen met zijn kind en hij aannemelijk maakt dat hij de band met zijn kind wil opbouwen of versterken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft referent voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de band met eiseres wil versterken. Zoals uit het dossier en uit de toelichting van referent is gebleken, heeft hij na het overlijden van de moeder van eiseres de zorg voor eiseres op zich genomen. Hij heeft ervoor gezorgd dat eiseres kan inwonen bij zijn zus, geld naar haar overgemaakt en contact met haar onderhouden via bellen en Whatsapp.
6.5.
Eiseres heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van de Afdeling van
20 november 2024 [8] . Die uitspraak ziet op de uitleg van artikel 8 van Pro het EVRM in het kader van gezinshereniging van ouders en meerderjarige kinderen. Hieruit volgt dat verweerder zich niet op het standpunt mag stellen dat er tussen een vreemdeling en een referent geen familie- of gezinsleven is, alleen al omdat er voor het besluit op de gezinsherenigingsaanvraag op een bepaald moment geen afhankelijkheid is geweest. De feiten en omstandigheden van nadien moeten alsnog kunnen nopen tot het aannemen van herstelde gezinsbanden. Eiseres gaat ervanuit dat die passage ook van toepassing is op de vraag of er gezinsbanden bestaan tussen ouders en minderjarige kinderen. Zij voert aan dat hetzelfde moet gelden voor gezinsbanden die nimmer hebben bestaan, maar alsnog zijn gaan bestaan voorafgaand aan het meerderjarig worden van het kind. De rechtbank kan eiseres volgen in dit standpunt. Hoewel de situatie in die uitspraak niet helemaal vergelijkbaar is met de situatie in de huidige zaak, nopen de feiten en omstandigheden in de huidige zaak tot het aannemen van herstelde gezinsbanden. De rechtbank kan zich voorstellen dat de relatie tussen eiseres en referent sterker is geworden, gelet op de omstandigheden dat de moeder is overleden en dat referent de enige overgebleven ouder is. De rechtbank kan zich ook voorstellen dat hierdoor sneller hechte persoonlijke banden zijn ontstaan. In de gegeven situatie acht de rechtbank de banden die nu bestaan tussen eiseres en referent voldoende voor het aannemen van hechte persoonlijke banden.
6.6.
De rechtbank merkt verder op dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat uit de geldovermakingen niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van hechte persoonlijke banden. In de Whatsappgesprekken komt meerdere malen naar voren dat er door eiseres en haar tante om geld wordt gevraagd en dat referent vervolgens geld overmaakt. Uit de bewijzen van de geldovermakingen blijkt dat referent meerdere malen geld heeft overgemaakt aan [persoon 2] . Dat is de tante van eiseres, zoals uit het dossier en uit de toelichting op de zitting is gebleken. De rechtbank vindt het niet vreemd dat de betalingen niet direct naar eiseres zijn overgemaakt, nu eiseres minderjarig is en niet over een eigen bankrekening beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de geldovermakingen aan eiseres zijn gedaan. De geldovermakingen zijn daarmee ook een aanwijzing dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en referent.
6.7.
Nu de rechtbank van oordeel is dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiseres en referent, is er sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Dat betekent dat verweerder een belangenafweging moet maken. Verweerder moet in deze belangenafweging expliciet meenemen en in het voordeel van eiseres wegen dat haar moeder is overleden, dat referent de enige overgebleven ouder is en dat eiseres heeft aangevoerd dat haar tante niet meer voor haar kan zorgen in Ghana, zoals referent op de zitting heeft toegelicht.
Naleving van artikel 12 van Pro het IVRK in de bezwaarfase
7. De rechtbank wijst ambtshalve op de naleving van artikel 12 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Dit artikel bepaalt dat minderjarigen het recht hebben om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die de minderjarige betreffen. Uit rechtspraak van het EHRM [9] volgt dat artikel 12 van Pro het IVRK van toepassing is in elke gerechtelijke en administratieve procedure waarin artikel 8 van Pro het EVRM aan de orde is. Op de zitting is aan bod gekomen dat eiseres in de bezwaarprocedure niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voordat hij een nieuwe beslissing zal nemen eiseres wel de gelegenheid moet bieden om gehoord te worden in de bezwaarprocedure. Het is namelijk een beslissing die een grote invloed heeft op het leven van eiseres.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van
6 maart 2025. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij een belangenafweging moeten maken in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht en de proceskosten aan eiseres vergoeden. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift en ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van
€ 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 6 maart 2025;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank gaat uit van deze feiten, zoals geschetst door referent en zoals niet betwist door verweerder.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366 en de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2580.
3.Zie de uitspraak van het EHRM van 1 juni 2004, L. tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2004:0601JUD004558299.
4.Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
5.Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de richtsnoeren voor de toepassing van de Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging, COM(2014) 210.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366 en van 26 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2580.
7.Zie rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 van ECLI:NL:RVS:2018:2366.
9.EHRM 3 september 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0903JUD001016113, paragraaf 181 (M. en M./Kroatië).