ECLI:NL:RBDHA:2026:5669

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/17105
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet COaArt. 10 Regeling verstrekkingen asielzoekersArt. 19 Regeling verstrekkingen asielzoekersArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen inhouding leefgeld wegens schade aan bruikleengoederen COa

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de inhouding van €50,- op zijn leefgeld door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), omdat hij schade zou hebben toegebracht aan bruikleengoederen. De rechtbank beoordeelt eerst haar bevoegdheid en stelt vast dat het klachtenformulier dat eiser heeft ingediend bij de rechtbank als een beroepschrift kan worden aangemerkt, waardoor zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep.

De inhouding is gebaseerd op artikel 10 van Pro de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva), die het COa toestaat om verstrekkingen te onthouden indien de asielzoeker niet voldoet aan verplichtingen zoals het naleven van huisregels. Eiser heeft de huisregels ondertekend en erkent niet dat hij de schade heeft ontkend, waardoor het COa gerechtigd was de kosten te verhalen.

Hoewel het COa naliet vooraf met eiser te communiceren over de inhouding, acht de rechtbank dit onzorgvuldig maar niet voldoende om de inhouding onrechtmatig te verklaren. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit tot inhouding blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de inhouding van €50,- leefgeld wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/17105

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de inhouding van €50,- op het leefgeld van eiser.
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
3. Het COa heeft op 6 augustus 2025 een bedrag van €50,- ingehouden op het aan eiser uit te keren leefgeld, omdat eiser schade heeft toegebracht aan bruikleengoederen van het COa. Eiser heeft naar aanleiding hiervan op 25 augustus 2025 een klacht ingediend bij het COa. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van een klachtenformulier. Ditzelfde formulier heeft hij vervolgens op 29 augustus 2025 bij de rechtbank ingediend.
Is de rechtbank bevoegd?
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor het vraag geplaatst of het bevoegd is de “klacht” van eiser te beoordelen.
5.1.
Het COa stelt zich primair op het standpunt dat eiser de door hem ingestuurde klacht heeft doorgezonden naar de rechtbank. Deze klacht, die wordt behandeld door het COa, kan niet worden gelijkgesteld met een beroepschrift, zodat de rechtbank volgens het COa niet bevoegd is. Mocht de rechtbank deze klacht toch aanmerken als een beroep, dan stelt het COa zich subsidiair op het standpunt dat het een civielrechtelijke kwestie betreft. Namelijk het betalen van een schadevergoeding door eiser aan het COa. Ook in die situatie is de bestuursrechter niet bevoegd.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser het klachtenformulier naar de rechtbank heeft gestuurd. De rechtbank ziet geen reden om dit formulier niet (tevens) aan te merken als een beroepschrift. Het indienen van een beroep is vormvrij en tegen de onthouding van een financiële verstrekking staat rechtstreeks beroep open bij de bestuursrechter. Dit volgt uit artikel 5 van Pro de Wet COa. De rechtbank is gelet hierop bevoegd om kennis te nemen van dit beroep. Dat eiser óók een klacht heeft ingediend bij het COa, maakt dit niet anders. Eiser kan tegen de inhouding zowel een klacht indienen als beroep in stellen.
Kon het COa een deel van het leefgeld inhouden?
6. Op grond van artikel 10 van Pro de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) is het COa bevoegd om verstrekkingen te onthouden. Het COa kan dit doen als de asielzoeker niet voldoet aan de in artikel 19 van Pro de Rva genoemde verplichtingen. Hieronder valt, onder meer, de verplichting tot het naleven van de huisregels van een opvanglocatie. Vraag is of eiser in strijd met die huisregels heeft gehandeld door goederen te beschadigen.
6.1.
Eiser is het niet eens met de inhouding van €50,- van zijn financiële verstrekking. Eiser is erachter gekomen dat dit geld is ingehouden toen hij op 6 augustus 2025 van het COa in Arnhem naar het AZC in Almere is verhuisd. Eiser zegt dat deze inhouding niet aan hem is medegedeeld en dat hij hierover geen gesprek met het COa in Arnhem heeft kunnen hebben.
6.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Uit de huisregels van het COa, onder 10, volgt dat eiser volledig aansprakelijk is voor beschadigingen die door eiser worden aangebracht in de woonruimte en/of de COa-inventaris en voor onzorgvuldig gebruik hiervan. De kosten voor herstel of vervanging verhaalt het COa op eiser. Eiser heeft op 3 mei 2023 de verklaringen rechten en plichten ondertekend. Hieruit volgt onder andere dat eiser de huisregels moet naleven. Nu eiser niet heeft ontkend dat hij de schade heeft aangebracht, moest hij er van uitgaan dat de kosten op hem zouden worden verhaald. Dat hierover niet vooraf met hem is gesproken is onzorgvuldig, maar betekent niet dat het COa van de inhouding had moeten afzien.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.