ECLI:NL:RBDHA:2026:5674

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL24.6040
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWBV 2023/3
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag

Verzoeker diende op 15 juni 2023 een asielaanvraag in. Omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn een besluit nam, stelde verzoeker op 17 februari 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Op 13 april 2024 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker het beroep op 25 april 2024 introk en de rechtbank verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank wees het verzoek aanvankelijk af omdat de beslistermijn volgens haar nog niet verstreken was op het moment van het beroep. Verzoeker stelde verzet in, dat op 26 mei 2025 gegrond werd verklaard, waardoor de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek werd hervat.

De rechtbank oordeelt nu dat het toepasselijke wijzigingsbesluit WBV 2023/3 onrechtmatig is gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. Dit betekent dat de minister binnen zes maanden op de aanvraag had moeten beslissen, wat niet is gebeurd. Verzoeker stelde de minister in gebreke en stelde daarna beroep in. Nadat de minister alsnog een besluit nam, moet de minister de proceskosten van verzoeker vergoeden. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 467,- en veroordeelt de minister tot betaling hiervan.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6040

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 15 juni 2023 een asielaanvraag ingediend. Omdat de minister
niet op tijd een besluit nam, heeft verzoeker op 17 februari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 13 april 2024 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de asielaanvraag. Verzoeker heeft op 25 april 2024 het beroep ingetrokken. Daarbij heeft hij de rechtbank gevraagd om de minister te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
2.1.
In de uitspraak van 22 mei 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats zonder zitting uitspraak gedaan en het verzoek afgewezen omdat de beslistermijn nog niet zou zijn verstreken, op het moment dat verzoeker het beroep instelde. Verzoeker heeft daartegen verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet bij uitspraak van 26 mei 2025 gegrond verklaard. [2] Daarmee is de uitspraak van 22 mei 2024 vervallen en hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
2.2.
Aldus beoordeelt de rechtbank het verzoek van 25 april 2024 om de minister te veroordelen in de proceskosten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Vervolgens heeft de minister alsnog een besluit genomen. Verzoeker heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. [3]
4. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 [4] het in deze zaak toepasselijke
wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 [5] heeft geoordeeld, is zij thans van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. [6] Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van verzoeker diende te nemen. Dit heeft de minister niet gedaan. Verzoeker heeft de minister na ommekomst van de beslistermijn in gebreke gesteld en vervolgens na meer dan 14 dagen beroep ingesteld.
5. De rechtbank stelt vast dat de minister vervolgens, na het indienen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen, alsnog een besluit heeft genomen. Daarmee is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen. De minister dient daarom de proceskosten van verzoeker te betalen.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de door verzoeker gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [7]

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.NL24.6040 V.
3.Artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
6.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.