Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor de verbouwing en uitbreiding van een woning, met name tegen een uitbouw op de tweede verdieping die de maximale bouwhoogte overschrijdt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vergunning gebreken vertoont die mogelijk niet in de bezwaarprocedure kunnen worden hersteld, waardoor schorsing noodzakelijk is.
De bouwhoogte van de uitbouw op de tweede verdieping bedraagt 8,735 meter, terwijl het bestemmingsplan een maximum van 8 meter voorschrijft. Het college heeft dit onjuist gemotiveerd door te stellen dat de bestaande bouwhoogte bepalend is voor het gehele bouwvlak, wat volgens de voorzieningenrechter niet klopt. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan de welstandscriteria, ondanks een positief stempeladvies van de welstandscommissie.
De trap naar de nieuwe woningtoegang voldoet wel aan de maximale bouwhoogte van 2 meter. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het besluit tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers.