ECLI:NL:RBDHA:2026:5679

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13078
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is op 15 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 16 maart 2026 zonder zitting. Uit eerdere toetsing op 12 januari 2026 bleek de maatregel tot dat moment rechtmatig. De beoordeling richt zich daarom op de periode vanaf 7 januari 2026.

De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Algerije. Er is zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede doordat vier keer is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en twee vertrekgesprekken zijn gevoerd.

Er zijn geen aanwijzingen dat de maatregel onrechtmatig is voortgezet. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13078

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 16 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 januari 2026 [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 7 januari 2026.
4. Eiser heeft bij zijn beroepschrift van 9 maart 2026 gesteld dat beoordeelt dient te worden of verweerder nog voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt en of er sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
5. De rechtbank concludeert dat in het algemeen en ook specifiek in het geval van eiser zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Daarnaast werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft sinds 7 januari 2026 vier keer gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten naar aanleiding van de ingediende aanvraag voor een laissez-passer voor eiser. Daarnaast zijn er twee vertrekgesprekken met eiser gevoerd.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.