ECLI:NL:RBDHA:2026:5699

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL24.47659
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 11 TerugkeerrichtlijnArt. 62a Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing zwaar inreisverbod van tien jaar na veroordeling poging tot doodslag

Eiser, een Britse staatsburger, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar wegens poging tot doodslag en het gebruik van een vals identiteitsbewijs. Na eerdere terugkeerbesluiten en een inreisverbod van twee jaar, heeft verweerder een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd. Eiser stelde dat hij een first offender is en dat het inreisverbod onterecht is.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft gemotiveerd dat eiser een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt, mede gelet op zijn eerdere veroordeling in het Verenigd Koninkrijk. De stelling van eiser dat het een eenmalige misstap betreft wordt verworpen.

Verder heeft eiser aangevoerd dat zijn privé- en familieleven in Roemenië en zijn zakelijke belangen binnen de EU in acht genomen moeten worden. De rechtbank stelt dat verweerder deze omstandigheden voldoende heeft betrokken, maar dat eiser onvoldoende gegevens heeft verstrekt om een beschermingswaardige partnerrelatie aan te tonen. Ook het zakelijke belang is niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het tienjarige inreisverbod. Eiser is inmiddels uitgezet naar het Verenigd Koninkrijk en krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het tienjarige zwaar inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.47659
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1985, van Britse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. [persoon] ).

Procesverloop

1.1.
Met het bestreden besluit van 6 november 2024 heeft verweerder een besluit tot signalering en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser heeft de Britse nationaliteit en heeft in ieder geval een jaar onrechtmatig in Nederland verbleven. Op 25 januari 2024 heeft de meervoudige strafkamer Noord-Holland eiser een gevangenisstraf van vierentwintig maanden opgelegd wegens het plegen van poging tot doodslag en van het voeren van een vals identiteitsbewijs op 27 januari 2023. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam eiser een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd.
3. Op 18 december 2023 is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Op 14 februari 2024 heeft de Vreemdelingenpolitie Noord-Holland eiser gehoord over het opleggen van een zwaar inreisverbod. Vervolgens heeft de Vreemdelingenpolitie op 22 februari 2024 het voorstel gedaan een terugkeerbesluit [1] en een zwaar inreisverbod [2] uit te vaardigen. Met het bestreden besluit heeft verweerder dit terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser zich uitsluitend richt tegen het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van tien jaar. Verweerder heeft de rechtbank medegedeeld dat eiser inmiddels is uitgezet naar het Verenigd Koninkrijk.
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar mocht opleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Nederland een first offender is. Het incident met de politieagent is een eenmalige misstap en er is volgens eiser geen kans op herhaling. De opgelegde gevangenisstraf heeft daarnaast een afschrikwekkend effect gehad en zal hem er ook van weerhouden om opnieuw de fout in te gaan.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de rechtspraak van de Afdeling [3] , bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2017 [4] , volgt dat verweerder bij de oplegging van een inreisverbod zoals hier aan de orde moet toetsen aan het Unierechtelijke openbare-orde-begrip als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. en I.O. [5] Dat betekent dat verweerder bij het opleggen van een inreisverbod moet motiveren dat eiser een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt dat een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder moet bij zijn beoordeling of hiervan sprake is alle feitelijke en juridische omstandigheden betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt en dat een inreisverbod van deze duur gerechtvaardigd is. Eiser is veroordeeld voor een ernstig delict, waardoor een zware gevangenisstraf van drie jaar is opgelegd. De rechtbank volgt de stelling van eiser dat dit een eenmalige misstap zou zijn niet: eiser is namelijk in het Verenigd Koninkrijk al eens veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden vanwege een mishandeling. Dat eiser in Nederland een first offender zou zijn doet aan het bovenstaande niet af.
Privé- en familieleven en zakelijk belang
7. Eiser voert aan dat zijn partner en schoonfamilie in Roemenië wonen en dat zijn overleden kind daar begraven ligt. Eiser stelt dat bij het opleggen van een inreisverbod zijn privé- en familieleven in Roemenië en Nederland dient te worden betrokken. Een inreisverbod heeft namelijk Unierechtelijke werking omdat een vreemdeling daarmee de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van alle lidstaten wordt ontzegd. Op grond van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn [6] wordt de duur van het inreisverbod bepaald volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval. Eiser stelt dat verweerder ook zijn privé- en familieleven in een andere lidstaat van de EU [7] moet betrekken bij het uitvaardigen van een inreisverbod. Eiser voert ook aan dat hij in verband met zijn paardenhandel een zakelijk belang heeft bij het kunnen reizen naar overige EU-lidstaten.
7.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat hij alle door eiser aangevoerde omstandigheden voldoende heeft betrokken bij het bestreden besluit. Verweerder heeft terecht geen privé- of familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [8] aangenomen, nu eiser heeft geweigerd om de naam of persoonsgegevens van zijn gestelde partner in Roemenië te overleggen. Zonder deze gegevens kan niet worden getoetst of sprake is van een beschermingswaardige partnerrelatie. De omstandigheid dat geen verifieerbare gegevens zijn verstrekt, komt voor rekening en risico van eiser. Deze grond slaagt niet.
7.2.
Ten aanzien van het gestelde zakelijk belang is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn zakelijke belangen door het inreisverbod onevenredig worden geschaad. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat verweerder de belangen van eiser zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van de Nederlandse Staat. Ook deze grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en dat verweerder hem een zwaar inreisverbod van tien jaar heeft mogen opleggen. Omdat eiser geen gelijk krijgt, krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).
2.Op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vw.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ECLI:EU:C:2015:377.
6.Richtlijn 2008/115/EG.
7.Europese Unie.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.