ECLI:NL:RBDHA:2026:5716

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL26.11370 en NL26.12490
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 106 VwArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaken met medische en familiale omstandigheden

De minister legde op 25 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet (Vw), gevolgd door een tweede maatregel op 5 maart 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Eiser stelde beroep in tegen beide maatregelen en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank behandelde de zaken op 13 maart 2026 via telehoren. De rechtbank oordeelde dat de bewaring terecht was opgelegd op basis van de a- en b-gronden van artikel 59b en 59 Vw, waarbij eiser onvoldoende meewerkte aan het vaststellen van zijn identiteit en er een risico op onttrekking aan toezicht bestond. De medische en psychische omstandigheden van eiser, waaronder neurologische ziekte en suïciderisico, zijn door de minister voldoende betrokken bij de beslissing.

Eiser kon zijn familierechtelijke band met zijn vrouw, kinderen en pasgeboren baby niet aannemelijk maken, en er was geen bewijs dat de bewaring zijn zorgtaken beïnvloedde. De rechtbank vond dat de minister voortvarend handelde in de asielprocedure en dat de bewaring niet onrechtmatig was. De beroepen werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de bewaring ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11370 en NL26.12490

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. L. Ploeger).

Inleiding

1. De minister heeft op 25 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd. Eiser heeft tegen deze maatregel beroep ingesteld (NL26.11370).
1.1.
De minister heeft op 5 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.2.
De minister heeft aansluitend op 5 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Eiser heeft ook tegen deze maatregel beroep ingesteld (NL26.12490).
1.3.
Deze beroepen zijn ook een verzoek om schadevergoeding.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 maart 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de rechtbank is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep NL26.11370

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de
vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond) van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft
verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een
andere lidstaat;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag en gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op de a-grond is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen. Aan dit eerste vereiste is voldaan. Eiser heeft geen reis- of identiteitsdocumenten over kunnen leggen en verklaart wisselend over waar zijn paspoort zich bevindt. Dat de minister had moeten onderzoeken of het paspoort zich in Zwitserland bevindt, volgt de rechtbank daarom niet. Door de minister is daarnaast opgemerkt dat een eventueel paspoort (of een foto ervan) door de Zwitserse autoriteiten bij de overdracht zou zijn meegestuurd.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
6.2.
Daarnaast heeft de minister de maatregel ook op de b-grond kunnen baseren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [2] volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht – door middel van de zware en lichte gronden – ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. Uit overweging 6.1. volgt dat de gronden de maatregel kunnen dragen.
Lichter middel
7. Eiser verklaart neurologisch ziek te zijn en daar drie soorten medicijnen voor te gebruiken. Zijn psychische gesteldheid is achteruit gegaan na het overlijden van zijn moeder en hij ervaart veel stress. Ook heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven zelfmoord te zullen plegen wanneer hij in bewaring wordt gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij het opleggen van de maatregel voldoende rekening heeft gehouden met de medische en psychische omstandigheden van eiser. Zo is eiser er door de minister op gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Ten aanzien van het suïciderisico heeft de minister overwogen dat er een extra beveiligde zorgafdeling aanwezig is op het detentiecentrum, waarmee de veiligheid en de gezondheid van eiser voldoende zijn gewaarborgd.
7.1.
Daarnaast heeft eiser verklaard een huis te huren in Zwitserland, een studerende dochter te hebben en een zoon met autisme. Eiser is de enige kostwinner. De minister heeft hier naar het oordeel van de rechtbank terecht geen aanleiding in gezien voor het opleggen van een lichter middel. In de maatregel is terecht aangegeven dat eiser niet met documentatie aannemelijk heeft gemaakt getrouwd te zijn en kinderen te hebben. Daarnaast heeft hij niet aangetoond dat zijn inbewaringstelling van invloed is op eventuele zorgtaken of het onderhouden van contact. Op de zitting is daarnaast door de minister terecht opgemerkt dat eiser door Zwitserland is overgedragen aan Nederland en daaraan voorafgaand is getoetst of het gezins- of familieleven van eiser zich tegen de overdracht verzette.
Voortvarend werken aan de asielaanvraag
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de asielaanvraag van eiser heeft gewerkt. Eiser is op 2 maart 2026 overgebracht naar aanmeldcentrum Schiphol, waar een aanmeldgehoor was gepland op 6 maart 2026. Dit gehoor heeft niet plaatsgevonden omdat eiser op 4 maart 2026 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. De maatregel is vervolgens op 5 maart 2026 beëindigd. Aansluitend is eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Conclusie

9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd of heeft voortgeduurd.

Beroep NL26.12490

10. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hier, met weglating van zware grond 3e, dezelfde zware en lichte gronden aan ten grondslag gelegd zoals genoemd onder overweging 3. van deze uitspraak.
11. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
Grondslag
12. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf nu aan hem op 5 maart 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd. De bewaring is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
13. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kunnen dragen. Ook bestaat er voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat.
Lichter middel
14. Eiser voert aan dat hij zeer recent opnieuw vader is geworden. Zijn vrouw is van Oekraïense en Zwitserse nationaliteit en is teruggekeerd naar Tunesië om daar te bevallen. Eiser wil zo snel mogelijk terug naar Tunesië om zijn baby te kunnen zien. Er bestaat daarom geen risico op onttrekking en een meldplicht volstaat. Eiser geeft daarnaast geopereerd aan zijn hand en hoofd en gebruikt hier pijnstillers voor, waaronder tramadol. Ook deze omstandigheden maken de bewaring onevenredig bezwarend.
14.1.
De rechtbank is van oordeel dat er in de maatregel voldoende is ingegaan op de medische omstandigheden van eiser. Uit de maatregel blijkt bovendien dat eiser is gezien door de medische dienst en hij de noodzakelijk geachte medicatie ontvangt. Ten aanzien van de stelling dat er geen onttrekkingsrisico bestaat omdat eiser naar zijn baby in Tunesië wil, overweegt de rechtbank dat dit risico volgt uit de niet betwiste en terecht tegengeworpen gronden. De minister mag eiser daarbij zwaar aanrekenen dat hij al 10 jaar in Europa verblijft en in het gehoor van 25 februari 2026 verklaart zo snel mogelijk weer terug te keren wanneer hij wordt uitgezet. Door de minister is daarnaast op de zitting terecht opgemerkt dat eiser de familierechtelijke band met de baby niet heeft onderbouwd. Dat zijn gestelde vrouw en baby in de maatregel niet worden genoemd onder het kopje ‘familie- en privéleven’ is omdat dit ziet op familie- en privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro en daarmee over de familie van eiser in Europa. Daarom worden de zussen en broer van eiser in Frankrijk wel genoemd, maar de gestelde vrouw en baby die in Tunesië verblijven niet.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
15. Op 6 maart 2026 heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en op 9 maart 2026 is een lp [3] voor eiser aangevraagd. Uit interne documenten van IOM blijkt daarnaast dat een vlucht voor eiser is geboekt met vertrek op 18 maart 2026. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend. Daarnaast is zicht op uitzetting naar Tunesië in het algemeen en ook specifiek voor eiser aanwezig.

Conclusie en gevolgen

16. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [4]
17. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Laissez-passer.
4.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).