Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 27 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde op 7 maart 2026 beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 11 maart 2026 opgeheven, waarna de rechtbank het onderzoek zonder zitting sloot op 17 maart 2026.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Uit eerdere uitspraken bleek dat de bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De vraag was of het voortduren van de bewaring sinds 12 februari 2026 nog gerechtvaardigd was.
Eiser stelde dat het zicht op uitzetting naar Egypte ontbrak vanwege het uitblijven van reactie van de Egyptische autoriteiten op de laissez-passer-aanvraag. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende meewerkte aan zijn uitzetting, onder meer door niet bereid te zijn zijn paspoort op te vragen, waardoor de vertraging aan hem toe te rekenen was. De ambtshalve toetsing leidde tot het oordeel dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.