ECLI:NL:RBDHA:2026:5733

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/09/690958 / HA ZA 25-760
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Hengeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:199 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onrechtmatig handelen gemeente bij verplaatsing en diefstal van tegels

MIM c.s. vorderden schadevergoeding van de gemeente en een aannemer wegens het verplaatsen van een partij tegels op een landgoed, waarna deze tegels verdwenen. De gemeente had bestuursdwang uitgeoefend om een rijksmonument te behouden en de tegels verplaatst door een aannemer. MIM c.s. stelden dat de tegels naar een diefstalgevoeligere plek waren verplaatst en dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld door de diefstal niet tijdig te melden.

De rechtbank oordeelde dat niet kon worden vastgesteld waar de tegels precies waren verplaatst en dat niet was aangetoond dat de nieuwe plek diefstalgevoeliger was. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de gemeente maatregelen had moeten nemen of aansprakelijk was voor het niet melden van de diefstal. MIM c.s. hadden onvoldoende schade onderbouwd, met name het verlies van een kans op terugvinden van de tegels.

De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde MIM c.s. hoofdelijk in de proceskosten van de gemeente en de aannemer. De gemeente had bevoegd gehandeld binnen bestuursdwang en er was geen sprake van onrechtmatig handelen of zaakwaarneming. De uitspraak werd gedaan door rechter N. Hengeveld op 18 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van MIM c.s. af wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen en schade.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/690958 / HA ZA 25-760
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van

1.MONUMENTEN RESTAURATIE WH B.V. te Amsterdam,

hierna te noemen: MRWH,
2.
MUNTENDAMSCHE INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ B.V.te Den Haag,
hierna te noemen: MIM,
eiseressen,
hierna samen te noemen: MIM c.s.,
advocaten: mr. N.C.H. Vrijsen en mr. B.J.P.G. Roozendaal,
tegen

1.GEMEENTE WASSENAAR te Wassenaar,

hierna te noemen: de Gemeente,
advocaten: mr. H.J. Doelman en mr. M.H.D. Scholten,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. L. Alberts,
gedaagden,
hierna samen te noemen: de Gemeente c.s.

1.Waar gaat deze zaak over?

De Gemeente is overgegaan tot uitoefening van bestuursdwang om de instandhouding van een rijksmonument te waarborgen. In dat kader heeft de door de Gemeente ingeschakelde aannemer, [gedaagde sub 2] , een partij tegels op het landgoed verplaatst, na MIM c.s., op grond van het eigendom daarvan, daartoe eerder te hebben gesommeerd. De tegels zijn vervolgens enige tijd daarna verdwenen. De Gemeente c.s. hebben niet onrechtmatig tegenover MIM c.s. gehandeld omdat niet kan worden vastgesteld wat de precieze plek is waarnaar de tegels zijn verplaatst. In ieder geval kan niet worden vastgesteld dat de tegels naar een diefstalgevoeligere plek zijn verplaatst en de Gemeente c.s. om die reden (voorzorgs)maatregelen hadden moeten nemen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de Gemeente aansprakelijk is voor het niet melden van de verdwijning van de tegels nu de als gevolg daarvan gestelde schade, in de vorm van het verlies van een kans, onvoldoende door MIM c.s. is onderbouwd. De vorderingen van MIM c.s. worden daarom afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaardingen van 25 augustus 2025 met producties 1 tot en met 16,
- de conclusie van antwoord van de Gemeente met producties 1 tot en met 3,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] met producties 1 en 2,
- het tussenvonnis van 5 november 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte vermindering van eis en tevens overlegging aanvullende producties van MIM c.s. met producties 17 tot en met 22,
- de akte aanvullende producties van de Gemeente met productie 4, en
- de ter zitting overgelegde productie 23 van MIM c.s.
2.2.
Op 15 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting. Vonnis is nader bepaald op heden.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
MRWH, en voorheen MIM, is eigenaar van [landgoed] en het daarop gelegen [monumentaal gebouw] . MIM was van plan om [monumentaal gebouw] te renoveren en heeft daarom een partij tegels aangeschaft en opgeslagen naast [monumentaal gebouw] .
3.2.
In 2019 heeft de Gemeente een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege de staat waarin [monumentaal gebouw] verkeerde. In 2020 is de Gemeente overgegaan tot uitoefening van de bestuursdwang om de instandhouding van [monumentaal gebouw] als rijksmonument te waarborgen. In dat kader heeft de Gemeente aan MIM c.s. een bouwstop opgelegd en [gedaagde sub 2] opdracht gegeven de benodigde werkzaamheden te verrichten.
3.3.
Bij brief van 24 september 2020 waarin de Gemeente de bouwstop schriftelijk aan MIM c.s. heeft medegedeeld, heeft de Gemeente – voor zover relevant - opgenomen:

Inmiddels hebben wij van onze aannemer begrepen dat deze 25 september 2020 in ieder geval bouwhekken, een keet en een dixie gaat plaatsen. Gelet hierop dienen de namens MonRes[MRWH, toevoeging rechtbank]
geplaatste materialen vandaag voor 17:00 uur te worden verwijderd, om zodoende de door de gemeente Ingeschakelde aannemer de mogelijkheid te bieden de gelaste maatregelen vanuit gemeentewege uit te voeren.
3.4.
[gedaagde sub 2] heeft uiteindelijk de tegels ten behoeve van de inrichting van de bouwplaats in oktober 2020 verplaatst naar een andere plek op het landgoed. Op 29 oktober 2020 zijn MIM c.s. van de verplaatsing van de tegels op de hoogte geraakt en hebben zij daarvan een foto genomen.
3.5.
De tegels zijn vervolgens enkele maanden daarna verdwenen. In het verslag van de bouwvergadering van 9 maart 2021 is dat voor het eerst opgetekend. MIM c.s. zijn op 20 mei 2021 met de verdwijning bekend geworden en hebben op diezelfde dag aangifte gedaan van diefstal.
3.6.
[monumentaal gebouw] werd in de periode juli 2019 en september 2022 bewoond door krakers.

4.Het geschil

4.1.
MIM c.s. vorderen om bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente c.s. hoofdelijk te veroordelen tot:
I) betaling aan MIM c.s. van een bedrag van € 171.000,00 (incl. BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 3 juni 2021 tot de dag van de algehele voldoening;
II) betaling aan MIM c.s. van een bedrag van € 2.575,00, bij wijze van vergoeding van de buitengerechtelijke kosten;
III) betaling aan MIM c.s. van de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, één en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis, en voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
4.2.
MIM c.s. leggen aan hun vorderingen in de kern ten grondslag dat de Gemeente c.s. onrechtmatig tegenover MIM c.s. hebben gehandeld door de tegels zonder toestemming van MIM c.s. te (laten) verplaatsen naar een diefstalgevoeligere plek op het landgoed met als gevolg de diefstal van de tegels. Aanvullend hebben MIM c.s. gesteld dat de Gemeente onrechtmatig tegenover MIM c.s. heeft gehandeld door MIM c.s. niet tijdig van de diefstal op de hoogte te stellen waardoor de kans op het (terug)vinden van de tegels ofwel de daders dusdanig is verkleind. Tot slot hebben MIM c.s. aan hun vorderingen ten opzichte van de Gemeente ten grondslag gelegd dat de Gemeente als zaakwaarnemer onvoldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
4.3.
De Gemeente c.s. voeren verweer. De Gemeente c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van MIM c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van MIM c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van MIM c.s. in de kosten van deze procedure.
4.4.
De Gemeente c.s. betwisten dat de tegels naar een diefstalgevoeligere plek zijn verplaatst en dat diefstal van de tegels voor de Gemeente c.s. kenbaar of te voorzien zou zijn geweest. De Gemeente c.s. hebben bovendien betwist dat het gaat om de tegelpartij waarvan MIM c.s. vergoeding vorderen en dat sprake is geweest van diefstal. Ook heeft de Gemeente opgemerkt dat zij niet verplicht was aan MIM c.s. te melden dat de tegels waren verdwenen, omdat de tegels geen onderdeel uitmaakten van de bestuursdwang.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Voorafgaand merkt de rechtbank op dat de Gemeente c.s. hebben betwist dat de tegels waarvan MIM c.s. stellen dat deze door de Gemeente c.s. zijn verplaatst en vervolgens zijn gestolen, niet de tegels betreffen waarvan MIM c.s. de vervangingswaarde vorderen. In het licht van de door MIM c.s. overgelegde aankoopfactuur en foto’s, is de enkele betwisting van de zijde van de Gemeente c.s. onvoldoende waardoor ervan uit wordt gegaan dat de door MIM c.s. gestelde tegels de tegels betreffen die door de Gemeente c.s. zijn verplaatst en op een later tijdstip zijn verdwenen.
De tegels zijn niet naar een evident diefstalgevoeligere plek verplaatst
5.2.
De rechtbank kan op basis van de door MIM c.s. overgelegde stukken – en gezien de gemotiveerde weerspreking van de Gemeente c.s. – niet vaststellen dat de tegels zijn verplaatst naar de plek die MIM c.s. hebben aangewezen. MIM c.s. hebben verschillende foto’s overgelegd ter onderbouwing van hun standpunt dat de tegels naar een plek zijn verplaatst die evident meer in het zicht ligt vanaf de openbare weg en tevens vanaf die weg beter bereikbaar is dan de plek waar de tegels oorspronkelijk lagen opgeslagen. De plek waarvan MIM c.s. aan de hand van de foto’s aangeven dat daar de tegels door [gedaagde sub 2] zijn neergelegd, wordt door de Gemeente c.s. echter weersproken. De Gemeente c.s. hebben er in dat kader op gewezen dat in het processtuk van MIM c.s. een foto staat opgenomen waarop de tegelpartij te zien is op de nieuwe plek, en dat die foto niet lijkt overeen te komen met de plek die MIM c.s. hebben aangewezen. Volgens de Gemeente c.s. zijn de tegels naar een plek verplaatst die niet meer in het zicht ligt dan de oorspronkelijke plek en bovendien moeilijker bereikbaar was. De Gemeente heeft op basis van luchtfoto’s de plek van verplaatsing gemarkeerd.
5.3.
Ook echter in het geval de rechtbank wel had kunnen vaststellen dat tegels zijn verplaatst naar de plek die MIM c.s. aanwijzen, is onvoldoende gemotiveerd dat de verplaatsing het risico op diefstal evident heeft verhoogd en de verplaatsing daarom bijvoorbeeld aanleiding gaf voor de Gemeente c.s. om maatregelen te nemen. Zo is relevant dat MIM c.s. op 29 oktober 2020 bekend zijn geworden met de verplaatsing van de tegels, en daarvan een foto hebben genomen. Vervolgens is er vanuit MIM c.s. geen actie ondernomen om ofwel de tegels zelf te verplaatsen ofwel de Gemeente of [gedaagde sub 2] erop te wijzen dat de tegels naar een diefstalgevoelige plek zijn verplaatst. In het kader van de aansprakelijkheidsvraag leidt de rechtbank daaruit af dat – zoals door de Gemeente c.s. ook naar voren is gebracht – MIM c.s. zelf klaarblijkelijk naar aanleiding van de verplaatsing onvoldoende aanleiding zagen om maatregelen te nemen of zelfs daarop maar aan te dringen. MIM c.s. hebben daarover nog opgemerkt dat zij in het kader van de opgelegde bestuursdwang het terrein niet hebben mogen betreden, dus dat het nemen van maatregelen niet mogelijk zou zijn geweest. De Gemeente c.s. hebben dat echter betwist en erop gewezen dat in de overgelegde correspondentie slechts staat opgenomen dat de werkzaamheden door MIM c.s. niet mogen worden belet. De stelling van MIM c.s. dat zij het terrein niet zouden mogen betreden is niet nader onderbouwd, en maakt overigens ook niet dat MIM c.s. de Gemeente c.s. niet op de noodzaak van het nemen van (voorzorgs)maatregelen hadden kunnen wijzen.
5.4.
Tot slot is in dit kader relevant dat de Gemeente op 24 september 2020 schriftelijk heeft aangekondigd dat er op korte termijn een aannemer aan de slag zou gaan om de geïdentificeerde werkzaamheden uit te voeren. In die brief van de Gemeente aan MIM c.s. staat de sommatie opgenomen om
geplaatste materialen– om een bouwplaats te kunnen inrichten – te verwijderen. Hoewel MIM c.s. hebben aangegeven deze passage zo te hebben begrepen dat deze sommatie enkel zag op materialen die waren geplaatst door de eerder door MIM c.s. ingeschakelde aannemer, hadden MIM c.s. er in dat kader niet van mogen uitgaan dat de Gemeente een dergelijk onderscheid maakte tussen de materialen van de aannemer van MIM c.s. en de tegelpartij die op de plek aan het einde van de toegangsweg naar [monumentaal gebouw] stond opgeslagen.
5.5.
De rechtbank kan aldus niet vaststellen dat de tegels door de Gemeente c.s. naar een diefstalgevoeligere plek zijn verplaatst en dat er een noodzaak bestond voor de Gemeente c.s. om voorzorgsmaatregelen te nemen om eventuele diefstal van de tegels te voorkomen. Hoewel op grond van voorgaande een beroep op artikel 6:199 BW Pro ook niet slaagt, is wat de rechtbank betreft geen sprake van zaakwaarneming door de Gemeente. De Gemeente heeft immers door opdracht te geven de tegels te verplaatsen niet welbewust het belang van MIM c.s. gediend. Bovendien was de Gemeente bevoegd de stenen te laten verplaatsen in het kader van de uit te voeren werkzaamheden aan [monumentaal gebouw] .
5.6.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat het de opmerking van MIM c.s. ter zitting dat de Gemeente c.s. in feite een bevrijdend verweer voeren door te stellen dat de nieuwe plek van de tegels niet diefstalgevoeliger was, niet volgt. Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro aan MIM c.s. om voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen dat de Gemeente c.s. onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Het feit dat de Gemeente c.s. hebben bevestigd de tegels (na sommatie) op het terrein te hebben verplaatst, brengt op zichzelf geen onrechtmatigheid met zich. Het is aan MIM c.s. om voldoende feiten naar voren te brengen waaruit de rechtbank de juridische gevolgtrekking kan maken dat sprake is van onrechtmatig handelen.
De Gemeente is ook niet aansprakelijk voor het niet melden van het verdwijnen van de tegels
5.7.
MIM c.s. hebben ook aangevoerd dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door niet aan MIM c.s. te melden dat de tegels waren verdwenen nadat zij daarmee in ieder geval op 9 maart 2021 bekend was geworden. MIM c.s. zijn daar pas in mei 2021 (door eigen toedoen) mee bekend geworden. Op dat moment echter was het voor de politie al niet meer mogelijk om relevante camerabeelden te raadplegen en is de kans op het (terug)vinden van de tegels of de dieven sterk afgenomen, aldus MIM c.s.
5.8.
Het gegeven dat de Gemeente bekend was geworden met de verdwijning van de tegels en desondanks MIM c.s. daarvan niet op de hoogte heeft gebracht, kan onrechtmatig zijn jegens MIM c.s. De betwisting van de Gemeente dat zij niet tot melden gehouden was omdat de tegels geen onderdeel uitmaakten van de bestuursdwang, is in dat kader niet overtuigend. Het niet melden van een verdwijning waarmee de Gemeente bekend is geworden en waarvan het kennelijk van voldoende belang werd geacht om dat op te nemen in het bouwverslag, staat los van de vraag of de verplaatsing van de tegels onrechtmatig was en of de tegels onderdeel uitmaakten van de bestuursdwang. De tegels zijn immers mede als gevolg van de werkzaamheden in het kader van de bestuursdwang verplaatst en vast staat dat de Gemeente in maart 2021 bekend is geworden met de verdwijning van de stenen. Het werpt de vraag op of vanuit het perspectief van de maatschappelijke zorgvuldigheid het melden van de verdwijning van de Gemeente mag worden verwacht. Het antwoord op die vraag is echter niet doorslaggevend voor de vraag of de vordering van MIM c.s. kan worden toegewezen nu MIM c.s. onvoldoende hebben onderbouwd wat de precieze schade is als gevolg van een dergelijk vermeend onrechtmatig handelen. MIM c.s. hebben ter zitting weliswaar bepleit dat het in feite het verlies van een kans op het (terug)vinden van de tegels of de vermeende dieven zou betreffen. Over een concrete (niet zeer kleine) kans op een succesvol politieonderzoek hebben MIM c.s. echter onvoldoende gesteld. MIM c.s. hebben naar voren gebracht dat er eventueel camerabeelden beschikbaar zouden zijn geweest in de omgeving, maar MIM c.s. hebben daarmee niet toegelicht wat de kans was op het terugvinden van de tegels en/of het succesvol verhaal nemen op de eventuele dieven. Zonder enig aanknopingspunt van de gestelde verloren kans, kan de rechtbank ook niet zelf tot een begroting van eventuele gestelde kansschade komen. De schade is aldus onvoldoende onderbouwd waardoor de vorderingen van MIM c.s. worden afgewezen.
De gestelde schade wordt slechts door MIM geleden
Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat MIM c.s. als schadevergoeding de vervangingswaarde van de tegels vorderen. MIM is de eigenaar van de tegels. MRWH heeft de gevorderde schade niet geleden, waardoor de vordering van MRWH ook om die reden moet worden afgewezen.
MIM c.s. moeten de proceskosten van de Gemeente c.s. betalen
5.9.
MIM c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
5.10.
De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.152,00
5.11.
De proceskosten van [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.152,00
5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.13.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van MIM c.s. af,
6.2.
veroordeelt MIM c.s. hoofdelijk in de proceskosten van de Gemeente, vastgesteld op € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als MIM c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt MIM c.s. hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde sub 2] , vastgesteld op € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als MIM c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt MIM c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Hengeveld en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.