ECLI:NL:RBDHA:2026:574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
09/270170-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen gedragsaanwijzing in strafzaak met betrekking tot poging tot doodslag en mishandeling

Op 31 oktober 2025 heeft de officier van justitie een gedragsaanwijzing opgelegd aan de appellant, die zich in voorlopige hechtenis bevindt. Deze aanwijzing houdt in dat de appellant zich moet onthouden van contact met zijn vijf dagen oude dochter en zijn partner, vanwege ernstige bezwaren van poging tot doodslag op zijn dochter en mishandeling van zijn partner. De rechtbank heeft het beroep van de appellant op 6 januari 2026 behandeld. De appellant, bijgestaan door zijn raadsvrouw, heeft aangevoerd dat de gedragsaanwijzing zijn recht op familieleven schendt en dat er geen actuele vrees is voor belastend gedrag jegens zijn dochter. De officier van justitie heeft echter betoogd dat er ernstige bezwaren zijn en dat de bescherming van de slachtoffers voorop staat. De rechtbank oordeelt dat er geen ernstige vrees bestaat voor belastend gedrag jegens de dochter, maar dat de gedragsaanwijzing ten aanzien van de partner proportioneel is. Het beroep is gegrond verklaard voor de aanwijzing met betrekking tot de dochter, maar ongegrond voor de aanwijzing met betrekking tot de partner.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Raadkamernummer : 25-029047
Parketnummer : 09/270170-24
Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het beroep op basis van artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingesteld door:

[de appellant],

geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats],
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], Huis van Bewaring [stadsdeel] (hierna: de appellant).

Inleiding

Op 31 oktober 2025 heeft de officier van justitie aan de appellant een gedragsaanwijzing gegeven. Volgens de officier van justitie bestaan tegen de appellant ernstige bezwaren ter zake van een poging tot doodslag op zijn vijf dagen oude kindje en mishandeling van zijn partner. Gelet op deze verdenking bestaat volgens de officier van justitie de vrees dat de appellant zich ernstig belastend jegens [minderjarige] (geboren op [geboortedatum 2] 2024) en [naam] (geboren op [geboortedatum 3] 1985) zal gedragen.
De gedragsaanwijzing houdt, kort samengevat, in dat de appellant zich moet onthouden van (indirect) contact met genoemde [minderjarige] en [naam].
De gedragsaanwijzing is opgelegd voor de duur van 90 dagen.
Op 7 november 2025 ontving de rechtbank een beroepschrift van de appellant, gericht tegen de gedragsaanwijzing.

De behandeling in raadkamer

De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 in raadkamer behandeld en kennisgenomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De appellant, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Z.L. Moezel, is gehoord.
Tevens is de officier van justitie mr. M. de Vries gehoord.

Het standpunt van de appellant

Namens de appellant is het standpunt ingenomen dat het beroep gegrond moet worden verklaard, omdat met de gedragsaanwijzing op ontoelaatbare wijze zijn recht op familieleven wordt beperkt. Een dergelijke inperking is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast heeft appellant reeds geruime tijd geen contact opgenomen met betrokkenen. De onderbouwing van de officier van justitie van de verlengde gedragsaanwijzing is gebaseerd op de situatie van november 2024 en deze situatie is niet meer aan de orde. Gelet op de huidige situatie valt niet in te zien waarom een verlenging van de gedragsaanwijzing noodzakelijk is.
Tot slot voldoet de gedragsaanwijzing niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Appellant is de vader van [minderjarige], heeft ouderlijk gezag en heeft als vader ook recht op contact en omgang met zijn kind.
De raadsvrouw van de appellant heeft op de terechtzitting verder nog naar voren gebracht dat nog altijd niet vaststaat dat de appellant schuldig is aan wat hem wordt verweten. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het contact met dochtertje [minderjarige] via de instanties gaat en er daarom geen gerechtvaardigde vrees is voor herhaling of ernstig belastend gedrag.

Het standpunt van de officier van justitie

Er is sprake van ernstige bezwaren ter zake van poging tot doodslag van [minderjarige] en van stelselmatige mishandeling en verkrachting van [naam]. Op 9 oktober 2025 heeft de appellant vanuit de P.I. telefonisch contact opgenomen met [naam], ondanks het feit dat [naam] meermalen heeft aangegeven geen contact met de appellant te willen. Deze gesprekken zijn opgevraagd en uitgeluisterd, waarvan op 27 oktober 2025 proces-verbaal is opgemaakt. In een van de gesprekken zegt de appellant over de poging tot doodslag: “De Sahaba, sommigen hadden hun dochters ook begraven, levend en de profeet Mohammed heeft vergeving voor hun gevraagd. Die hebben opzettelijk hun dochter ook vermoord. Die zijn daarna vergeven. Die zijn vergeven. En ik laat mijn kind uit mijn handen kletteren en ik wordt niet vergeven. Ik wordt nog erger behandeld.” Daarmee heeft hij [naam] enorme vrees aangejaagd.
De vrees bestaat dat de appellant zich (opnieuw) ernstig belastend zal gedragen jegens de slachtoffers. Op grond van deze nieuwe feiten en omstandigheden is aan de appellant op 31 oktober 2025 een nieuwe gedragsaanwijzing opgelegd, inhoudende een (indirect) contactverbod met beide slachtoffers voor de periode van 90 dagen. De bescherming van de slachtoffers dient hier te prevaleren boven het door de appellant gestelde belang van het recht op familieleven.

Het oordeel van de rechtbank

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of de gedragsaanwijzing voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 509hh Sv en zo ja, of de gedragsaanwijzing in dit geval proportioneel is.
De officier van justitie is op grond van artikel 509hh, eerste lid, aanhef en onder b, Sv bevoegd een verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan een gedragsaanwijzing te geven in geval van verdenking van een strafbaar feit in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen.
Ernstige bezwaren
De rechtbank is van oordeel dat er ernstige bezwaren bestaan tegen de appellant ter zake van de verdenking van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling van zijn dochtertje [minderjarige] en van verkrachting en mishandeling van zijn partner [naam]. Dit zijn strafbare feiten waarvoor een gedragsaanwijzing kan worden opgelegd.
Vrees voor ernstig belastend gedrag jegens [naam]
De rechtbank is van oordeel dat er vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de appellant jegens [naam]. De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting vast dat de appellant, na het aflopen van de eerder opgelegde gedragsaanwijzing en na de mededeling dat [naam] geen enkel contact met hem wil, opnieuw telefonisch contact heeft gezocht met [naam]. Dit contact heeft naar de rechtbank aanneemt [naam] vrees aangejaagd en de vrees bestaat dat de appellant zich (opnieuw) ernstig belastend jegens haar zal gedragen. Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een gedragsaanwijzing jegens [naam] is daarmee voldaan.
Bij de toetsing of de opgelegde gedragsaanwijzing proportioneel is, gaat het om de mate waarin de vrijheid van de appellant wordt beperkt in verhouding tot de aard en de ernst van het feit en de doeltreffendheid van de gedragsaanwijzing. Enerzijds bestaat het belang van bescherming van [naam], anderzijds zijn er de persoonlijke belangen van de appellant. Gelet op de ernstige verdenking dient het belang van de rust en veiligheid van [naam] zwaarder te wegen dan het belang van de appellant. De rechtbank is van oordeel dat de gedragsaanwijzing dat de appellant zich dient te onthouden van contact met [naam] daarmee proportioneel is. Zij zal het beroep dienaangaande ongegrond verklaren.
Vrees voor ernstig belastend gedrag jegens [minderjarige]
Ten aanzien van de aanwijzing dat de appellant zich moet onthouden van contact met zijn dochtertje [minderjarige] is de rechtbank van oordeel dat er, gelet op haar jonge leeftijd en de situatie dat de appellant zich in voorlopige hechtenis bevindt, momenteel geen ernstige vrees bestaat dat de appellant zich ernstig belastend jegens haar zal gedragen. De officier van justitie heeft ook geen nieuwe feiten aangedragen die deze vrees onderbouwen. Het is uitgesloten dat de appellant telefonisch contact zoekt met zijn éénjarige dochter. Gelet hierop is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een gedragsaanwijzing jegens [minderjarige]. Nu de gedragsaanwijzing ten aanzien van moeder [naam] de rechterlijke toets kan doorstaan, zal een fysieke ontmoeting met [minderjarige] – voor zover deze al mogelijk is – enkel onder toezicht van instanties kunnen plaatsvinden. Deze beslissing houdt echter geen positieve verplichting in een dergelijke ontmoeting mogelijk te maken.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond voor zover dit ziet op de gedragsaanwijzing ten aanzien van [minderjarige].

Beslissing

De rechtbank
verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op de aanwijzing zich te onthouden van contact met [minderjarige];
verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus beslist te Den Haag door:
mr. I.C. Kranenburg, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.