ECLI:NL:RBDHA:2026:5762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
11933395/25-3336
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:230l BWArt. 6:96 lid 5 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 7:405 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering advocaat wegens niet-naleving precontractuele informatieplicht

Wetting & De Roode heeft [gedaagde partij] bijgestaan in een echtscheidingsprocedure op toevoegingsbasis, die later werd ingetrokken. De advocaat vordert betaling van gewerkte uren tegen een uurtarief, schadevergoeding, incassokosten en rente. De kantonrechter oordeelt dat het kostenbeding in de algemene voorwaarden niet transparant is geformuleerd en dat Wetting & De Roode haar precontractuele informatieplicht heeft geschonden.

De rechter stelt vast dat het kostenbeding niet oneerlijk is, maar dat de schending van de informatieplicht leidt tot een prijsvermindering van 30%. Hierdoor wordt het openstaande bedrag verminderd tot €7.392,58, dat [gedaagde partij] moet betalen. De gevorderde schadevergoeding en incassokosten worden afgewezen omdat het beding hierover oneerlijk is en niet voldoet aan wettelijke vereisten.

De kantonrechter wijst het standpunt van [gedaagde partij] af dat zij niet hoeft te betalen wegens onvoldoende belangenbehartiging. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op 4 maart 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De vordering van Wetting & De Roode wordt gedeeltelijk toegewezen met een prijsvermindering van 30%, schadevergoeding en incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
WN/b/c
Zaaknummer: 11933395 \ CV EXPL 25-3336
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
de maatschap
WETTING & DE ROODE ADVOCATEN MEDIATORS,
te Leiderdorp,
eisende partij,
hierna te noemen: Wetting & De Roode,
gemachtigde: mr. L. de Roode,
tegen
[gedaagde partij],
te gemeente [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. A. Aaryf.

1.De zaak in het kort

1.1.
Wetting & De Roode heeft [gedaagde partij] als advocaat bijgestaan in een echtscheidingszaak. Hiervoor was aan [gedaagde partij] een toevoeging verleend, die later is ingetrokken vanwege het behaalde resultaat. Daarom vordert Wetting & De Roode betaling van de door haar gewerkte uren tegen een uurtarief. Daarnaast maakt Wetting & De Roode aanspraak op een schadevergoeding, incassokosten en rente. [gedaagde partij] wil dit niet betalen. Zij vindt dat Wetting & De Roode haar belangen niet naar behoren heeft behartigd. Ook vindt zij het kostenbeding oneerlijk.
1.2.
De kantonrechter wijst de vorderingen van Wetting & De Roode gedeeltelijk toe. Een deel wordt afgewezen omdat Wetting & De Roode niet heeft voldaan aan precontractuele informatieverplichtingen. De gevorderde schadevergoeding en incassokosten worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn namens Wetting & De Roode verschenen mr. M.C. Wetting en
mr. L. de Roode. Namens [gedaagde partij] is verschenen mr. A. Aaryf. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Daarbij hebben partijen spreekaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Wetting & De Roode is een advocatenpraktijk.
3.2.
[gedaagde partij] is een consument die mr. Groenhart-Meerzorg van Wetting & De Roode heeft verzocht haar rechtsbijstand te verlenen in verband met een echtscheidingsprocedure.
3.3.
In de op 25 april 2024 verstuurde afspraakbevestiging en de op 1 mei 2024 verstuurde opdrachtbevestiging heeft Wetting & De Roode [gedaagde partij] bevestigd dat zij haar op toevoegingsbasis zou bijstaan. Daarbij heeft Wetting & De Roode erop gewezen dat de toevoeging achteraf kan worden ingetrokken op basis van het behaalde resultaat en dat in dat geval de werkzaamheden tegen een uurtarief moeten worden voldaan.
3.4.
In artikel 4 van Pro de door Wetting & De Roode toepasselijk verklaarde algemene voorwaarden is - voor zover relevant - het volgende bepaald:
“3. Na verstrijken van de betalingstermijn van veertien dagen is de cliënt van rechtswege in verzuim en is Wetting & De Roode Advocaten gerechtigd over het opeisbare bedrag de wettelijke (handels)rente ex artikel 6:119(a) BW, vermeerderd met 1,5%, in rekening te brengen, zonder dat deze eerst aangezegd hoeft te worden.”
“5. Indien de cliënt in verzuim is één of meer van zijn verplichtingen jegens Wetting & De Roode na te komen, komen alle redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor rekening van de cliënt, welke kosten minimaal 15% van de vordering, met een minimum van € 150,- bedragen.”
3.5.
In verband met de voor haar aangevraagde toevoeging heeft [gedaagde partij] een eigen bijdrage van € 773,00 aan Wetting & De Roode betaald.
3.6.
Op 5 februari 2025 heeft Wetting & De Roode een conceptfactuur aan [gedaagde partij] toegezonden, met een specificatie van de tot die datum verrichte werkzaamheden.
3.7.
Op 21 mei 2025 heeft Wetting & De Roode de definitieve factuur aan [gedaagde partij] toegezonden, voor een bedrag van € 15.999,23.
3.8.
Bij beschikking van 17 juni 2025 is de aan [gedaagde partij] verleende toevoeging ingetrokken. Eerder was door de Raad voor Rechtsbijstand al een vergoeding van € 3.033,88 aan Wetting & De Roode toegekend.
3.9.
[gedaagde partij] heeft, ondanks daartoe te zijn aangemaand, de factuur van Wetting & De Roode onbetaald gelaten.

4.Het geschil

4.1.
Wetting & De Roode vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 12.192,35, te vermeerderen met de wettelijke rente en een opslag van 1,5%. Daarnaast vordert Wetting & De Roode een schadevergoeding van € 5.416,58 en € 875,00 aan incassokosten. Wetting & De Roode wil ook dat [gedaagde partij] in de proceskosten wordt veroordeeld.
4.2.
Wetting & De Roode legt aan de vorderingen – samengevat – ten grondslag dat zij in opdracht van [gedaagde partij] werkzaamheden voor haar heeft uitgevoerd. Daarvoor heeft Wetting & De Roode een factuur aan [gedaagde partij] gestuurd die, ondanks een eerdere toezegging, niet is betaald. Daarnaast heeft Wetting & De Roode schade geleden, doordat [gedaagde partij] de verplichtingen uit de opdrachtovereenkomst niet is nagekomen.
4.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Wetting & De Roode, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Wetting & De Roode in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde partij] voert – samengevat – aan dat Wetting & De Roode heeft nagelaten om haar tijdig en begrijpelijk te informeren over kosten en risico’s. Ook heeft Wetting & De Roode haar belangen niet naar behoren behartigd, omdat een regeling tot stand is gekomen die voor haar financieel nadelig uitpakt. Dit omdat de toevoeging op grond van het behaalde resultaat is ingetrokken. Volgens [gedaagde partij] kan zij niet aan haar eerdere betalingstoezegging worden gehouden, omdat zij hiervan op dat moment niet op de hoogte was.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Kostenbeding
5.1.
Omdat [gedaagde partij] een consument is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de richtlijn oneerlijke bedingen) en Richtlijn 2011/83/EU (de richtlijn consumentenrechten) moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of het kostenbeding transparant is geformuleerd. Als dit niet het geval is, moet de kantonrechter beoordelen of het beding al dan niet oneerlijk is. Zo niet, dan moet vervolgens worden beoordeeld of Wetting & De Roode aan de op haar rustende precontractuele informatieplichten heeft voldaan.
5.2.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14) overwogen dat een kostenbeding tussen een advocaat en een consument, waarin de kosten van de juridische diensten worden vastgelegd op basis van een uurtarief, niet voldoende duidelijk en begrijpelijk is, indien de consument voor het sluiten van de overeenkomst geen informatie ontvangt die hem in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de economische consequenties die het sluiten van de overeenkomst met zich brengt zijn beslissing te nemen. Concreet betekent dit dat Wetting & De Roode voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagde partij] informatie moet verstrekken die haar in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten in te schatten. Daarbij kan gedacht worden aan een raming van de voorzienbare of het minimale aantal uren dat nodig is om de dienst te verlenen, of door met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te verstrekken waarin de bestede tijd wordt vermeld. Wetting & De Roode heeft dit niet gedaan. Daarmee is het tussen partijen overeengekomen kostenbeding naar het oordeel van de kantonrechter niet duidelijk en begrijpelijk geformuleerd in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen en daarmee niet transparant.
5.3.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat het kostenbeding niet transparant is, moet het beding worden getoetst op mogelijke oneerlijkheid. Op grond van de richtlijn oneerlijke bedingen wordt een beding als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en plichten uit de overeenkomst ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Bij de beoordeling van de goede trouw moet in het bijzonder worden gelet op de verschillende onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet om in te stemmen met het beding. Het komt aan op de vraag of de handelaar er redelijkerwijze vanuit mocht gaan dat, als hij op eerlijke en billijke wijze zou hebben onderhandeld, de consument het beding zou hebben aanvaard.
5.4.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een oneerlijk beding en wel om de volgende redenen. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht blijkt niet dat over het uurtarief is onderhandeld, laat staan dat dit op oneerlijke of onbillijke wijze zou zijn gebeurd. Verder weegt mee dat er geen wettelijke bepalingen zijn die uurtarieven voor advocaten voorschrijven. Het kostenbeding plaatst [gedaagde partij] dus niet in een minder gunstige positie dan die welke voortvloeit uit het Nederlandse recht. Een opdrachtgever is namelijk op grond van artikel 7:405 lid 2 BW Pro een redelijk loon verschuldigd. Ook volgens de voor de beroepsgroep geldende gedragsregels moet een advocaat een redelijk loon in rekening brengen. Het is de kantonrechter niet gebleken dat het beding niet marktconform is of op een andere wijze ten nadele van [gedaagde partij] afwijkt van deze beginselen. Het beding heeft het evenwicht tussen partijen daarmee niet aanzienlijk verstoord.
5.5.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat het kostenbeding niet oneerlijk is, is [gedaagde partij] in beginsel gehouden om de factuur te betalen. Dat kan anders zijn als Wetting & De Roode de op haar rustende precontractuele informatieplichten heeft geschonden. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan sprake is. Op grond van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) vloeit namelijk voort dat ten aanzien van de totale prijs van diensten ook het transparantievereiste geldt. Omdat het in de overeenkomst opgenomen kostenbeding niet transparant is, levert dat ook een schending van dit artikel op. De kantonrechter acht gedeeltelijke vernietiging in de vorm van prijsvermindering op zijn plaats als sanctie voor deze schending van de (pre)contractuele informatieplichten. Volgens de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten wordt bij één tot drie voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieplichten de prijs in beginsel met 20% verminderd. De kantonrechter ziet in het onderhavige geval aanleiding om de prijs met 30% te verminderen, vanwege de grote gevolgen van de schending voor [gedaagde partij] . Op grond van het kostenbeding moest [gedaagde partij] er namelijk rekening mee houden dat zij de werkzaamheden bij intrekking van de toevoeging tegen een uurtarief moest betalen en dat dit dus zou leiden tot extra kosten. Dat de extra kosten daarmee zouden uitkomen op ruim € 12.000,00 (dat is meer dan het vijftienvoudige van de eerder door [gedaagde partij] betaalde eigen bijdrage van € 773,00) was voor haar echter geenszins te voorzien.
5.6.
Het standpunt van [gedaagde partij] dat zij het gevorderde bedrag niet hoeft te betalen, omdat Wetting & De Roode haar belangen niet naar behoren heeft behartigd, volgt de kantonrechter niet. Het enkele feit dat bij een echtscheidingsprocedure een resultaat wordt bereikt, dat achteraf leidt tot intrekking van de toevoeging, maakt niet dat de opdracht niet naar behoren is uitgevoerd. Bovendien geldt dat als een partij van mening is dat de wederpartij haar verplichtingen onvolledig of ondeugdelijk nakomt, dat op zichzelf niet betekent dat die partij van de eigen betalingsverplichting is bevrijd. Deze partij zal óf ontbinding van de overeenkomst moeten roepen óf nakoming moeten vorderen óf een beroep moeten doen op verrekening van een eigen (schade)vordering. [gedaagde partij] heeft echter geen juridische gevolgen verbonden aan haar stelling dat Wetting & De Roode haar belangen niet naar behoren heeft behartigd. Haar betalingsverplichting is dan ook niet komen te vervallen. De vraag of [gedaagde partij] aan haar eerdere betalingstoezegging kan worden gehouden kan in het midden blijven, nu de betalingsverplichting niet is gegrond op de eerdere toezegging.
5.7.
Het voorgaande betekent dat de declaratie waarvan betaling wordt gevorderd zal worden verminderd tot € 11.199,46 (€ 15.999,23 minus 30%). Omdat [gedaagde partij] al een eigen bijdrage van € 773,00 aan Wetting & De Roode heeft betaald en door de Raad voor Rechtsbijstand een vergoeding van € 3.033,88 is uitgekeerd, staat er per saldo nog een bedrag van € 7.392,58 (€ 11.199,46 -/- € 773,00 -/- € 3.033,88) in hoofdsom open. [gedaagde partij] zal dit bedrag moeten betalen.
Schadevergoeding, rente en kosten
5.8.
Wetting & De Roode maakt aanspraak op een schadevergoeding van € 5.416,58. Dit bedrag bestaat volgens Wetting & De Roode uit een vergoeding voor de tijd die zij heeft moeten besteden aan deze kwestie en die zij niet aan [gedaagde partij] heeft gedeclareerd. Ter zitting heeft Wetting & De Roode verklaard dat deze tijd met name betrekking had op het verkrijgen van betaling buiten rechte. Daarnaast vordert Wetting & De Roode een vergoeding van € 875,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze beide vorderingen moeten naar het oordeel van de kantonrechter worden aangemerkt als een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
5.9.
Ook met betrekking tot deze kosten moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of geen sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen. Daarnaast moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de op grond van artikel 6:96 lid 5 en Pro lid 6 BW geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van artikel 6:96 lid 5 BW Pro mag bij overeenkomst niet ten nadele van de consument van de wettelijke tarieven worden afgeweken. In artikel 6:96 lid 6 BW Pro is bepaald dat incassokosten pas verschuldigd kunnen zijn nadat er een zogenaamde veertiendagenbrief is verstuurd.
5.10.
Met het onder 3.4 genoemde beding in haar algemene voorwaarden heeft Wetting & De Roode voor zichzelf de mogelijkheid gecreëerd om meer dan de wettelijke buitengerechtelijke incassokosten van [gedaagde partij] te vorderen. Wetting & De Roode maakt met de door haar gevorderde schadevergoeding en vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ook aanspraak op een hogere vergoeding dan het wettelijke tarief. Daarnaast volgt uit de formulering van het beding dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het beding wijkt daarmee ten nadele van [gedaagde partij] af van de door de wet gestelde eisen en is daarom oneerlijk. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU (ECLI:EU:C:2021:68) en de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:198) is de rechter niet bevoegd om een overeenkomst waarin een oneerlijk beding buiten toepassing is gelaten, aan te vullen door een wettelijke regeling in de plaats te stellen van het oneerlijke beding. De wettelijke regeling kan daarom niet in de plaats worden gesteld van het oneerlijke beding in de algemene voorwaarden. Wetting & De Roode heeft dus ook geen recht op het wettelijke tarief. De gevorderde vergoedingen voor buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom volledig worden afgewezen.
5.11.
Het voorgaande geldt niet voor de door Wetting & De Roode gevorderde wettelijke rente en de opslag daarover. Met dit beding heeft Wetting & De Roode voor zichzelf weliswaar de mogelijkheid gecreëerd om meer dan de wettelijke rente van [gedaagde partij] te vorderen, maar hier is - anders dan bij incassokosten - afwijking ten nadele van de consument wel toegestaan. De afwijking is bovendien niet zodanig groot dat deze als oneerlijk moet worden beschouwd. De gevorderde wettelijke rente en de opslag van 1,5% daarover zal dan ook worden toegewezen vanaf de datum van verzuim.
5.12.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Wetting & De Roode te betalen een bedrag van € 7.392,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vermeerderd met 1,5%, over het toegewezen bedrag, met ingang van 4 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Nomen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.