Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5770

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696285 / FA RK 25-9557
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen in echtscheidingsprocedure over zorgregeling, woninggebruik en alimentatie

De rechtbank Den Haag behandelde op 16 februari 2026 een verzoek tot voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, ouders van drie minderjarige kinderen. De vrouw verzocht onder meer om uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, een zorgregeling waarbij de kinderen voornamelijk bij haar verblijven, en alimentatiebetalingen van de man. De man verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning voor hem, een co-ouderschapsregeling en lagere alimentatieverplichtingen.

De rechtbank stelde vast dat de woning op het terrein van het tuinbouwbedrijf van de man ligt en dat de man sinds 1 januari 2026 in een andere woning woont waar de kinderen ook verblijven. Gelet op het belang van de kinderen om spanningen te vermijden, wees de rechtbank het verzoek van de vrouw af en kende het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe aan de man, onder de voorwaarde dat de vrouw kosteloos in de woning van de man kan verblijven.

De voorlopige zorgregeling werd vastgesteld als een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen gelijk verdeeld zijn over beide ouders, met vakanties en feestdagen in onderling overleg. De rechtbank wees ook op de noodzaak van ouderschapsbemiddeling en een KIES-training voor de kinderen.

De rechtbank berekende de kinderalimentatie op € 273 per kind per maand en de partneralimentatie op € 2.410 per maand, gebaseerd op een uitgebreide analyse van de financiële draagkracht van beide ouders en de behoefte van de vrouw en kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat instructies voor rapportage en vervolg in de bodemprocedure.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af en kent het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe aan de man, stelt een co-ouderschapsregeling vast en bepaalt kinderalimentatie en partneralimentatie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9557
Zaaknummer: C/09/696285
Datum beschikking: 16 februari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 17 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.E. van der Pols in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Vellekoop in Honselersdijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man;
  • het F9 formulier van 28 januari 2026 met bijlagen van de vrouw;
  • het F9 formulier van 29 januari 2026 met bijlage van de man.
Op 30 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
De twee minderjarige kinderen die ouder dan acht jaar zijn, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hebben met de kinderrechter gesproken.

Feiten

- De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2013 in
[plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats 2] .
  • De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
  • Bij deze rechtbank is sinds 30 mei 2025 een echtscheidingsprocedure aanhangig, onder zaak- en rekestnummer C/09/686078 en FA RK 25-4067.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor de duur van de echtscheidingsprocedure:
te bepalen dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;
primairte bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 1.373,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen en te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van bruto € 9.500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
subsidiairte bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen € 615,- per maand per kind aan de vrouw dient te betalen, bij vooruitbetaling te voldoen, en te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van bruto € 12.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
3. te bepalen dat als zorgregeling tussen de man en de kinderen zal gelden dat de kinderen bij de man zullen zijn van zondagavond 20.00 uur tot dinsdagochtend 8.30 uur, alsmede om het weekend van zaterdag 8.00 uur tot zondagavond.
4. te bepalen dat vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden zonder haar toestemming.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Ook verzoekt de man zelfstandig, voor de duur van de procedure en uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden zonder zijn toestemming;
- te bepalen dat als zorgregeling zal gelden dat de kinderen:
  • bij de man zijn iedere week van maandag 8.30 uur tot woensdag 8.30 uur;
  • bij de vrouw zijn iedere week van woensdag 8.30 uur tot vrijdag 8.30 uur;
  • om en om een weekend van vrijdag 8.30 uur tot maandag 8.30 uur bij ieder van de ouders zijn;
waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld en de vrouw in de oneven jaren de eerste keus heeft en de man de eerste keus heeft in de even jaren;
- dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 144,-per maand per kind wordt vastgesteld;
- dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 198,- bruto per maand wordt vastgesteld.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De vrouw heeft op 30 mei 2025 het verzoek tot echtscheiding ingediend. Partijen verzoeken in deze procedure dat de rechtbank de hiervoor omschreven voorlopige voorzieningen zal treffen. Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige voorzieningen het karakter hebben van ordemaatregelen van tijdelijke aard voor de duur van de echtscheidingsprocedure, waarbij het uitgangspunt is dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen.
Toevertrouwing van de kinderen
De vrouw heeft verzocht om de kinderen aan haar toe te vertrouwen, omdat zij altijd het grootste deel van de zorg voor de kinderen op zich heeft opgenomen. Zij werkt parttime (drie dagen per week) en de man werkt meer dan fulltime.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat toevertrouwing aan een van beide ouders niet nodig is als beide ouders voor de kinderen zorgen, zeker niet als er sprake is van een co-ouderschapsregeling zoals de man zou willen.
De rechtbank overweegt dat zij een voorlopige zorgregeling zal vaststellen, waarbij de ouders ieder de helft van de tijd voor de kinderen zorgen, en dat geen spoedeisend belang is gebleken om de kinderen aan de vrouw toe te vertrouwen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De rechtbank is uit de stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, gebleken dat de man en de vrouw tot 1 januari 2026 afwisselend in de echtelijke woning aan de [adres 1] hebben gewoond. De ouder, die de zorg had voor de kinderen, verbleef dan in de echtelijke woning. De man heeft vervolgens een woning gekocht aan de [adres 2] . De man verblijft hier sinds 1 januari 2026 en de kinderen verblijven hier ook als de man de zorg voor de kinderen heeft. De vrouw woont nog in de echtelijke woning. De echtelijke woning is een bedrijfswoning en ligt op het terrein van het (familie)tuinbouwbedrijf waarvan de man mede- eigenaar is. De man en de vrouw verzoeken nu allebei om gedurende de echtscheidingsprocedure met uitsluiting van de ander gerechtigd te zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank zal daarom een belangenafweging maken.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft gesteld dat zij belang heeft bij het verblijf van haarzelf met de kinderen in de echtelijke woning. Volgens de vrouw staat de woning los van het bedrijf van de man en kan deze ook als woning van de vrouw dienen. Een bijkomend aspect is volgens de vrouw dat in de huwelijkse voorwaarden onder meer is opgenomen dat bij echtscheiding de man verplicht is om voor passende vervangende huisvesting voor de vrouw te zorgen en dat zolang dit niet gebeurd is het voortgezette bewoningsrecht van de vrouw (nog) niet (na zes maanden) eindigt. De vrouw vindt de woning aan de [adres 2] niet passend en gelijkwaardig omdat de kamers kleiner zijn dan in de echtelijke woning. Zij zal om die reden waarschijnlijk daarna weer ergens ander heen moeten verhuizen. Ook is zij door de man niet betrokken bij de keuze voor deze woning. Op de zitting heeft zij aangegeven bereid te zijn de woning aan de [adres 2] te bezichtigen, zonder dat de man daarbij aanwezig is, en de rechtbank te informeren over haar bevindingen. De rechtbank heeft na de zitting geen bericht meer ontvangen van de vrouw.
Standpunt man
De man heeft gesteld dat hij het meeste belang bij het voorlopig gebruik van de echtelijke woning heeft. Voor het bedrijf is het belangrijk hij terugverhuist naar de echtelijke woning. Zijn directe aanwezigheid op het bedrijf, ook in de avonden en de weekenden, is van cruciaal belang om zijn werk goed te kunnen doen. Verder heeft de man gesteld dat hij overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden voor vervangende huisvesting voor de vrouw heeft gezorgd. De vrouw kan volgens de man in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure in de woning aan de [adres 2] wonen, waar hij nu woont. De kinderen zijn inmiddels gewend aan deze woning en hebben het daar naar hun zin. De man is van mening dat de woning passend is, sowieso voor de tijdelijke situatie maar wat de man betreft ook voor de langere termijn.
De rechtbank betrekt de volgende belangen in haar afweging. De echtelijke woning bevindt zich op het terrein van het tuinbouwbedrijf van de man en hij verricht daar een deel van zijn werkzaamheden, ook ’s avonds en in het weekend. De vrouw, de man en zijn ouders, die ook op hetzelfde terrein wonen, komen elkaar daar geregeld tegen. Gebleken is dat die ontmoetingen voor spanningen kunnen zorgen. Aannemelijk is dat die spanningen ook negatieve gevolgen voor de kinderen hebben. Verder is niet in geschil dat de kinderen al een deel van de tijd in de woning aan de [adres 2] verblijven en het daar naar hun zin hebben. Ook heeft de man verklaard de woning aan de [adres 2] beschikbaar te zullen stellen aan de vrouw als de man verhuist naar de echtelijke woning. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de wens van de vrouw om in de voor haar vertrouwde echtelijke woning te blijven wonen gedurende de echtscheidingsprocedure en zij een extra verhuizing wil voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de kinderen om zo min mogelijk spanningen te ervaren in deze moeilijke periode het zwaarste moet wegen. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom toe onder de voorwaarde dat de vrouw voorlopig kan verblijven in de woning aan de [adres 2] , onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de vrouw. Deze beslissing bindt partijen niet in de bodemprocedure over de vraag of de woning aan de [adres 2] passend is in de zin van de huwelijke voorwaarden.
Uit de door de man overgelegde producties 14 en 15 blijkt dat de totale maandelijkse hypotheeklast voor de echtelijke woning een bedrag van € 817- bedraagt en van de woning aan de [adres 2] een bedrag van € 1.267,-. De man stelt dat hij de woonlasten van de echtelijke woning zal betalen en de vrouw – zo begrijpt de rechtbank – een vergoeding voor de hypotheeklast van de woning aan de [adres 2] . De rechtbank acht het niet redelijk dat de vrouw een dergelijke vergoeding zal moeten betalen, die overigens ook hoger is dan de maandelijkse hypotheeklast van de echtelijke woning, terwijl zij niet zelf heeft gekozen voor die woning. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw niet gehouden is een vergoeding voor het gebruik van de woning aan de [adres 2] te voldoen.
Het verzoek van de man om te bepalen dat het uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij en/of de kinderen toegewezen.
Voorlopige zorgregeling
De ouders verschillen van mening over de invulling van de voorlopige zorgregeling.
De regeling die de ouders nu uitvoeren, houdt in dat de kinderen van zondagavond 20.00 uur tot dinsdagochtend 8.30 uur bij de man zijn en ook om het weekend van zaterdag 8.00 uur tot zondagavond. De vrouw heeft de overige dagen de zorg voor de kinderen. De vrouw wil de regeling gedurende de voorlopige voorzieningenprocedure niet wijzigen, terwijl de man in de vorm van een volledig co-ouderschap voor de kinderen wil zorgen. De vrouw heeft geen bezwaar tegen de door de man verzochte verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft aangevoerd dat de huidige regeling goed loopt en duidelijk is voor de kinderen. De kinderen hebben onlangs al moeten wennen aan het beëindigen van de birdnesting in de echtelijke woning en de omgang met de man in de woning aan de [adres 2] . De kinderen zijn volgens de vrouw nu vooral gebaat bij rust. Daarbij komt dat de vrouw zich zorgen maakt over hoe het bij de man thuis gaat. Zij heeft gemerkt dat de kinderen regelmatig ongewassen zijn als zij hen bij de man komt ophalen. Ook eet [minderjarige 1] niet (warm) bij de man als hij ’s avonds naar de sporttraining gaat.
Standpunt man
De man heeft aangevoerd dat hij een betrokken vader is en dat hij en de vrouw tijdens het huwelijk ook altijd samen voor de kinderen hebben gezorgd. Ondanks dat hij fulltime werkt, is hij, als mede-eigenaar van het bedrijf, heel flexibel bij het indelen van zijn werktijden. De kinderen hebben bovendien zelf aangegeven dat zij vaker bij hem willen zijn en de man verwacht dat zij snel gewend zullen zijn aan de extra dag die zij dan bij hem doorbrengen. De zorgen van de vrouw over de (persoonlijke) verzorging van de kinderen zijn volgens de man onterecht. Hij doet het op zijn manier en het gaat prima met de kinderen, aldus de man.
Advies raad
De raad heeft op de zitting opgemerkt dat het duidelijk is dat de communicatie tussen de ouders vatbaar is voor verbetering. De kinderen zijn nog jong en de ouders moeten nog jaren met elkaar communiceren ten behoeve van de kinderen. De raad adviseert de ouders daarom om deel te gaan nemen aan ouderschapsbemiddeling. Hier kunnen zij de zorgen die zij hebben, met elkaar bespreken, bijvoorbeeld over wanneer en hoe vaak de kinderen douchen. Voor de kinderen adviseert de raad KIES-training. Hierbij kan schoolmaatschappelijk werk of de intern begeleider van de school helpen. Het is belangrijk dat de kinderen weten dat zij niet schuldig zijn aan de gespannen situatie tussen de ouders en dat zij van beide ouders mogen houden. Kinderen kunnen goed omgaan met een verschil in opvoedstijl tussen ouders, maar zij voelen de spanning tussen de ouders hierover aan en hebben daar last van, aldus de raad.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om meer tijd door te brengen met hun vader dan in de huidige regeling. Tijdens de gesprekken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de kinderrechter is naar voren gekomen dat de kinderen niet willen kiezen en bij beide ouders evenveel tijd willen doorbrengen. Hoewel de rechtbank de zorgen die de vrouw heeft (gehad) niet wil bagatelliseren, ziet de rechtbank in de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken geen aanleiding om aan te nemen dat de veiligheid van de kinderen in het geding is of dat er sprake is van andere contra-indicaties. De ouders hebben tijdens de zitting ook onderkend dat hun onderlinge communicatie is verstoord en dat de bezwaren van de vrouw vooral gaan over de opvoedstijl van de man, die anders is dan die van de vrouw. Dat de stijl van opvoeden verschillend is, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen belemmering om de kinderen meer tijd door te laten brengen bij de man. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen.
Ouderschapsbemiddeling
Gebleken is dat de ouders moeite hebben om op constructieve wijze overleg met elkaar te hebben over de kinderen. Zij hebben weinig vertrouwen in elkaar en staan tegenover elkaar als het gaat om de wijze waarop zij de zorg voor de kinderen uitvoeren. De spanning die dit met zich brengt, is schadelijk voor de kinderen. De kinderen zijn nog jong en de ouders zullen nog een hele lange periode samen opvoeders en verzorgers zijn van de kinderen.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. In dit traject voeren de ouders onder begeleiding van een professionele hulpverlener gesprekken met elkaar om de onderlinge communicatie te verbeteren, hun zorgen te uiten en het vertrouwen in elkaar als ouders zoveel als mogelijk te herstellen. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om de eindrapportage over het verloop van het traject
in te dienen in de bodemprocedure onder zaak- en rekestnummer C/09/686078 en FA RK 25-4067op de hierna vermelde wijze, nu in de onderhavige procedure een eindbeslissing wordt genomen.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee wekten na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen,
eveneens ten behoeve van de bodemprocedure in de echtscheidingszaak. De Raad wordt in dat geval verzocht om de vraag “welke zorgregeling is in het belang van de kinderen” te beantwoorden. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Voorlopige alimentatie
Bij de vaststelling van de voorlopige kinder- en partneralimentatie en de berekeningen neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte kinderalimentatie
Standpunt vrouw
De vrouw heeft gesteld dat de man maar zeer beperkt financiële stukken heeft overgelegd. De man is voor een gering salaris in loondienst van zijn besloten vennootschap maar vanuit zijn onderneming werden volgens de vrouw veel kosten betaald die betrekking hadden op het gezinsleven en invloed hadden op het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) tijdens het huwelijk. Zij woonden in een vrijstaand huis met zwembad, deden grote verbouwingen en legden een nieuwe tuin aan. Ook werd er veel geld uitgegeven tijdens vakanties. Van het door de man gestelde inkomen konden ouders niet het luxe leven bekostigen dat zij hebben gehad. Ook waren er volgens de vrouw inkomsten uit verhuur van woningen. Omdat de man geen volledige openheid van zaken geeft, gaat de vrouw uit van een bruto maandinkomen van in ieder geval € 15.000,-. De behoefte is volgens de vrouw niet gelijk aan de behoefte die past bij het maximale tabelbedrag van € 1.845 voor drie kinderen in 2025. Nu het werkelijke NBGI veel hoger was dan het maximale NBGI waarmee wordt gerekend in het rapport, namelijk € 7.500, en de kinderen een behoorlijk welvaartsniveau zijn gewend, vindt de vrouw het redelijk om de behoefte conform de tabellen te extrapoleren tot € 4.120,- per maand.
Standpunt man
De man betwist dat hij over een inkomen van minimaal € 15.000,- bruto per maand beschikt. Volgens de man dient met inkomen uit loondienst van € 4.482,- bruto per maand rekening te worden gehouden en met een bedrag van € 20,000,- per jaar aan onttrekkingen uit zijn besloten vennootschap. Verder had hij huurinkomsten uit zijn aandeel in drie panden waar hij per saldo € 1.300,- netto per maand aan overhield. De man stelt dat de behoefte van de kinderen het maximale tabelbedrag bedraagt en verwijst naar de door hem als productie 13 overgelegde berekening. Volgens de man had het gezin het goed, maar had het gezin geen exorbitant uitgavenpatroon, zodat er geen reden is om de behoefte van de kinderen te extrapoleren naar een hoger bedrag.
Oordeel rechtbank kinderalimentatie
Tussen de man en de vrouw staat niet ter discussie dat het NBGI minimaal € 7.500,- netto per maand bedroeg tijdens het huwelijk. De rechtbank dient daarom te bepalen of de behoefte van de kinderen hoger zou moeten zijn dan de behoefte die past bij het maximale tabelbedrag. De rechtbank overweegt dat het onder omstandigheden mogelijk is dat de kinderen een hogere behoefte hebben dan de behoefte die past bij het maximale tabelbedrag. De vrouw stelt zich op het standpunt dat hiervan sprake is. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, zeker in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader, dat standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door de moeder gestelde omstandigheden niet dat het gezin een dusdanig uitgavepatroon had waardoor de behoefte voor de kinderen hoger zou moeten zijn dan het maximale tabelbedrag. De rechtbank zal daarom de behoefte op basis van de tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen’ vaststellen op € 1.845,- per maand voor de drie kinderen gezamenlijk. De rechtbank overweegt dat de vader in zijn berekening de tabel van 2026 hanteert. Aangezien de ouders in 2025 uit elkaar zijn gegaan, hanteert de rechtbank de behoeftetabel 2025. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de drie kinderen afgerond € 1.930,- per maand, wat neerkomt op € 643,- per kind per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen ouders moet worden verdeeld.
Draagkracht van de ouders voor de kinderalimentatie
Vooraf
In haar berekening gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw als minstverdienende ouder het kindgebonden budget en de gehele kinderbijslag zal ontvangen. In het geval deze bijdragen (deels) aan de man worden uitgekeerd, is hij gehouden die over te maken aan de vrouw. Verder is het uitgangspunt in de berekening van de rechtbank dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen zal betalen.
In haar berekening zal de rechtbank zowel voor de vrouw, als voor de man rekening houden met het woonbudget. De vrouw heeft daardoor budget beschikbaar om eventueel andere woonruimte te betrekken als zij niet in de woning aan de [adres 2] wil verblijven. Het woonbudget van de man is conform de berekening van de rechtbank € 2.728,- per maand. Dat is ruimschoots voldoende om de hypotheeklasten van de echtelijke woning én de woning aan de [adres 2] te voldoen.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 42.290,- bruto per jaar. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2025. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw meer dagen kan werken dan zij nu doet en dus van een hoger inkomen uitgegaan moet worden. In de voorlopige voorzieningenprocedure wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de feitelijke situatie. Daardoor is in deze procedure geen plaats voor het beoordelen van de verdiencapaciteit.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar netto besteedbaar inkomen (NBI) op € 4.023,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [4.023 – (1.207 + 1.365)] = € 1.016,- per maand.
Draagkracht man
Vaststaat dat de man enig aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) Vanuit [bedrijf 1] verricht de man werkzaamheden in [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ). [bedrijf 1] heeft 50% van de aandelen, alsmede 9 % cumulatief preferente aandelen in [bedrijf 2] . Laatstgenoemde vennootschap is op haar beurt enig aandeelhouder van de werkmaatschappijen [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] B.V.
Tussen de man en de vrouw zijn de inkomsten van de man in geschil. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van zijn salaris en onttrekkingen. Verder stelt de vrouw dat de man nog steeds huurinkomsten geniet. Deze inkomstenbronnen schat de vrouw samen op minimaal € 15.000,- bruto per maand.
De man stelt dat zijn inkomsten bestaan uit het salaris dat hij vanuit [bedrijf 1] aan zichzelf uitkeert en dat daarnaast rekening moet worden gehouden met een bedrag van maximaal € 20.000,- per jaar vanwege privé onttrekkingen uit [bedrijf 1] . Meer inkomen stelt de man niet verkregen te hebben uit [bedrijf 1] of onderliggende vennootschappen. De financiële situatie van de vennootschappen laten dat niet toe, mede omdat de man reserves moet aanhouden voor het uitkopen van zijn vader en oom als medeaandeelhouders en de vervanging van kassen, installaties en bedrijfsinventaris. Verder stelt hij dat zijn (aandeel in) de panden inmiddels is verkocht, zodat met inkomsten uit verhuur van woningen geen rekening meer moet worden gehouden.
De rechtbank overweegt dat de omzet van [bedrijf 1] bestaat uit de management fee die [bedrijf 2] betaalt voor de werkzaamheden van de man. In 2025 bedroeg de gefactureerde management fee € 150.000,-. Van dat bedrag keert de man als salaris een bedrag van € 53.784,- bruto per jaar aan zichzelf uit. Uit de overgelegde winst- en verliesrekening over 2025 blijkt dat [bedrijf 1] een verlies van € 85.596,- heeft geleden maar dat verlies is veroorzaakt door verlies in het resultaat van de deelnemingen. De jaren daarvoor heeft [bedrijf 1] wel winst geboekt, in 2024: € 90.699,- , in 2023: € 1.139.548 en in 2022: € 775.500,-.
De rechtbank is van oordeel dat de relatief lage kosten van [bedrijf 1] , het eigen vermogen in 2025 van € 4.081.439,- en de liquide middelen in 2025 van € 87.453,- niet maken dat de man van de gefactureerde management fee van € 150.000,- slechts € 53.784,- bruto kan uitkeren als salaris. Schattenderwijs gaat de rechtbank ervan uit dat de man € 70.000,- meer aan zichzelf als salaris kan uitkeren zonder de continuïteit van [bedrijf 1] in gevaar te brengen. Op het inkomen van de man zal de rechtbank verder in mindering brengen de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 5.647,- per jaar, zoals volgt uit de door de man overgelegde polis.
Aan de rechtbank is verder uit de overgelegde stukken van [bedrijf 1] gebleken dat in 2025 de rekening-courantschuld met € 23.000,- is toegenomen. De man heeft erkend dat deze onttrekkingen zijn besteed door het gezin. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de onttrekkingen niet in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de draagkracht. De man zal immers de onttrekkingen uiteindelijk als schuld aan [bedrijf 1] terug moeten betalen.
Uit de brief van de belastingadviseur van 23 januari 2026 blijkt verder dat de geconsolideerde commerciële resultaten van [bedrijf 2] na belasting als volgt waren:
Boekjaar 2020: € 327.412
Boekjaar 2021: € 550.455
Boekjaar 2022: € 1.379.420
Boekjaar 2023: € 2.019.731
Boekjaar 2024: € 151.720
De belastingadviseur stelt dat de jaren 2023 en 2024 niet representatief zijn vanwege de verkoop en levering van opgewekte stroom in 2023 en de verkoop van energiecontracten in 2024. Als de gestelde niet representatieve jaren buiten beschouwing worden gelaten, dan is de gemiddelde winst van [bedrijf 2] een bedrag van € 343.196,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat van die winst geen dividend kan worden uitgekeerd in verband met de bedrijfsopvolging en reserveringen. De rechtbank gaar er daarom schattenderwijs vanuit dat [bedrijf 2] via [bedrijf 1] € 50.000,- dividend aan de man kan uitkeren zonder de continuïteit in gevaar te brengen.
Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat hij ook contante inkomsten uit de verkoop van gerbera’s heeft. Die inkomsten zijn volgens de man gemiddeld € 1.500,- per jaar. Met dat bedrag zal de rechtbank daarom ook rekening houden.
De rechtbank is verder van oordeel dat de man voldoende onderbouwd heeft betwist dat hij zijn aandeel in de panden heeft verkocht en daardoor geen huurinkomsten meer heeft.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 9.094,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [9.094 – (2.728 + 1.365)] = € 3.501,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van ouders bedraagt samen € 4.517,- per maand (€ 1.016 + € 3.501). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 3.501 / 4.517 x 1.930 = € 1.496-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.016 / 4.517 x 1.930 =
€ 434-
samen € 1.930,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.496,- per maand, dit komt neer op € 499,- per maand per kind, voor rekening van de man. Een gedeelte van € 434,- per maand, dit komt neer op € 145,- per maand per kind, komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling geldt een percentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 676,- per maand (35% van € 1.930).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 820,- per maand (€ 1.496 -/- € 676) ofwel € 273,- per kind per maand.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van € 820,- per maand ofwel € 273,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen.
Voorlopige partneralimentatie
Behoefte van de vrouw
De rechtbank zal de behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de vrouw vastgesteld op 60% van het bedrag dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd. Uitgaande van het bruto jaarsalaris van € 42.290 bedraagt het NBI van de vrouw tijdens het huwelijk € 3.153,-. Bij de berekening van het inkomen van de man tijdens het huwelijk gaat de rechtbank uit van het salaris van € 53.784,- bruto per jaar, de erkende netto huurinkomsten van € 15.600,- per jaar en de contante inkomsten van gemiddeld € 1.500,- per jaar. Daarnaast zal de rechtbank ook rekening houden met de onttrekkingen, omdat het gezin die heeft besteed tijdens het huwelijk. In 2025 was de toename van de onttrekkingen € 23.000,- (€ 229.718 -/- € 206.718), dat bedrag zal de rechtbank in aanmerking nemen Verder zal de rechtbank de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 5.647,- per jaar in mindering op het inkomen van de man brengen. Het NBI van de man bedraagt dan € 6.258,-.
Het NBI van de vrouw en man samen met het kindgebonden budget is € 9.726,- (€ 3.153 + € 6.258 + € 315). De kosten van de kinderen bedroegen in 2025 een bedrag van € 1.845,- per maand. De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw overeenkomstig de hofnorm op een bedrag van € 4.729,- netto per maand (60% van (€ 9.726 -/- € 1.845). Geïndexeerd naar 2026 is dat een bedrag van € 4.947,-.
Aanvullende behoefte vrouw
Als het NBI van de vrouw van € 3.173,- in 2026 van de hiervoor berekende behoefte wordt afgetrokken, resteert een aanvullende behoefte van € 1.774,- netto per maand
(€ 4.947 -/- € 3.173). Dit is gebruteerd een bedrag van € 3.480,- per maand.
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie, zodat de rechtbank ook hier uitgaat van een NBI van de man van € 9.094,-. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 3.001,- per maand (60% x [9.904 - (2.728 + 1.365)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.496.- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 1.505,- netto per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 2.410,- per maand.
Conclusie
De rechtbank zal de door de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking te betalen voorlopige partneralimentatie vaststellen op € 2.410,- per maand.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de man – onder de voorwaarde dat hij de woning te [adres 2] kosteloos aan de vrouw ter beschikking stelt – bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres 1] en beveelt mitsdien dat de vrouw de echtelijke woning dient te verlaten en verder niet mag betreden zonder zijn toestemming;
*
bepaalt dat voor de minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats 2] ;
een voorlopige zorgregeling zal gelden, inhoudende dat de kinderen:
  • bij de man zijn iedere week van maandag 8.30 uur tot woensdag 8.30 uur;
  • bij de vrouw zijn iedere week van woensdag 8.30 uur tot vrijdag 8.30 uur;
  • om en om een weekend van vrijdag 8.30 uur tot maandag 8.30 uur bij ieder van de ouders zijn;
waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld en de vrouw in de oneven jaren de eerste keus heeft en de man de eerste keus heeft in de even jaren;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen(bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 273,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking voorlopig een partneralimentatie van € 2.410,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man] ,
(de vader)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de vrouw] ,
(de moeder)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres 3] ;
en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders de rechtbank
in de bodemprocedure onder zaak- en rekestnummer C/09/686078 en FA RK 25-4067informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert
in de bodemprocedure onder zaak- en rekestnummer C/09/686078 en FA RK 25-4067over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren
in de bodemprocedure onder zaak- en rekestnummer C/09/686078 en FA RK 25-4067en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank
eveneens in de bodemprocedurete rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 februari 2026.