ECLI:NL:RBDHA:2026:580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/09/684581 / HA- ZA 25-377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 BWArt. 3:317 BWArt. 3:318 BWArt. 6:162 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring en stuiting van vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid in pgb-fraudezaak

Deze civiele procedure betreft een vordering van Zorg en Zekerheid tegen [gedaagde] tot betaling van €140.607,71 wegens onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid in verband met onrechtmatig gedeclareerde zorg vanuit persoonsgebonden budgetten (pgb).

Zorg en Zekerheid trad op als zorgkantoor en voerde een fraudeonderzoek uit naar Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei, waarbij [gedaagde] bestuurder was. Na cessie van vorderingen van budgethouders vorderde Zorg en Zekerheid schadevergoeding van [gedaagde]. De rechtbank oordeelt dat de verjaringstermijn op zijn vroegst op 2 februari 2017 begon, bij bekendmaking van het fraudeonderzoek.

Betaling van een gering bedrag door [gedaagde] aan SODA wordt niet gezien als erkenning van aansprakelijkheid en stuiting van verjaring. Ook de ontvangst van aangetekende stuitingsbrieven wordt betwist. De rechtbank beveelt Zorg en Zekerheid aan om bewijs van ontvangst van deze brieven te leveren, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en beveelt Zorg en Zekerheid bewijs te leveren van ontvangst van stuitingsbrieven.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/684581/ HA- ZA 25-377
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
STICHTING WLZ-UITVOERDER ZORG EN ZEKERHEIDte Leiden,
eiseres,
hierna te noemen: Zorg en Zekerheid,
advocaat: mr. M.M. Sajjad te Den Haag,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.H. van Dijke te Zwolle.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 16 april 2025,
- de akte overlegging producties van Zorg en Zekerheid, met producties 1 tot en met 32;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 3;
- de akte overlegging aanvullende producties tevens akte verduidelijking/uitbreiding grondslag van de vordering van Zorg en Zekerheid, met producties 33 tot en met 39;
- de brief namens [gedaagde] van 6 november, met producties 4 tot en met 6.
1.2.
Namens [gedaagde] is bezwaar gemaakt tegen de indiening van de akte van Zorg en Zekerheid met de producties 33 tot en met 39. De rechtbank heeft in reactie op het bezwaar beslist dat de akte en de aanvullende producties worden toegestaan, op de randnummers 16 tot en met 22 van de akte na, omdat dit deel een verkapte repliek op de conclusie van antwoord bevatte. De griffier heeft deze beslissing van de rechtbank per e-mail van 7 november 2025 aan partijen doorgegeven.
1.3.
Op 20 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van schriftelijke spreekaantekeningen, die tot de processtukken behoren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren gebracht.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Deze zaak heeft betrekking op zorg die is verleend onder het regime van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ). De AWBZ gold tot 1 januari 2015. Op basis van de AWBZ konden AWBZ-verzekerden een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen, waarmee zij zelf zorg konden inkopen bij een zorgaanbieder.
2.2.
Tot 1 januari 2025 waren zorgverzekeraars door middel van zorgkantoren belast met de uitvoering en controle van de AWBZ. Zorg en Zekerheid was destijds als uitvoerend zorgkantoor aangewezen voor de regio’s Zuid-Holland Noord en Amstelland en Meerlanden. In die hoedanigheid was Zorg en Zekerheid onder meer belast met de controle op pgb’s.
2.3.
[gedaagde] was tot 28 april 2016 enig (middellijk) aandeelhouder en (indirect) bestuurder van Zorg Allerlei B.V. (hierna: Zorg Allerlei). Daarnaast was [gedaagde] tot 28 april 2016 gevolmachtigde met volledige volmacht van Stichting Kleinschalig Wonen (hierna: Kleinschalig Wonen). Met Kleinschalig Wonen heeft [gedaagde] in 2013 ‘ [instelling] ’ te [plaats] opgericht, een instelling die op kleinschalig niveau zorg verleende aan dementerende ouderen.
2.4.
Zorg en Zekerheid heeft aan zes oudere zorgbehoevenden een pgb verstrekt (deze zes personen hierna samen te noemen: de budgethouders). De budgethouders hebben zorgovereenkomsten gesloten met Kleinschalig Wonen en/of Zorg Allerlei, onder meer voor het verkrijgen van verpleging, verzorging en individuele begeleiding. De door Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei verleende zorg is vanuit het pgb betaald.
2.5.
Naar aanleiding van een toename van gevallen van pgb-fraude, heeft het Ministerie van VWS in 2014 alle zorgkantoren opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de besteding van de pgb’s. Zorg en Zekerheid is een rechtmatigheidsonderzoek gestart naar de pgb-besteding van de budgethouders die met Zorg Allerlei en Kleinschalig Wonen een zorgovereenkomst hadden gesloten. Zorg en Zekerheid verzocht onder meer om inzage in de urenverantwoordingen en gespecificeerde facturen over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. Meerdere budgethouders gaven aan dat zij niet aan dit verzoek konden voldoen, omdat [instelling] weigerde de urenoverzichten en facturen te verstrekken. Naar aanleiding hiervan heeft Zorg en Zekerheid Zorg Allerlei en Kleinschalig Wonen bij brief van 29 januari 2025 verzocht om de urenoverzichten te verstrekken, alsook een dienstoverzicht van de zorgverleners die in 2014 zorg hadden verleend. Vervolgens hebben Zorg Allerlei en Kleinschalig wonen (in de persoon van [gedaagde] ) hierover met Zorg en Zekerheid gecorrespondeerd. [gedaagde] heeft dit onder meer bij brief van 1 april 2015 gedaan. De door [gedaagde] gegeven antwoorden in die brief gaven voor Zorg en Zekerheid aanleiding om het rechtmatigheidsonderzoek op te schalen naar een fraudeonderzoek.
2.6.
Bij brief van 2 februari 2017 heeft Zorg en Zekerheid de conclusies van het fraudeonderzoek aan [gedaagde] kenbaar gemaakt. In de brief schrijft Zorg en Zekerheid onder meer – kort samengevat – dat op basis van de verstrekte urenoverzichten en werkroosters niet objectief vastgesteld kan worden of de verantwoorde uren zorg op de facturen van budgethouders daadwerkelijk geleverd zijn, dat bij een tweetal budgethouders hulp bij het huishouden is gefactureerd terwijl zulke hulp niet in hun zorgovereenkomst was opgenomen, en dat de aan de budgethouders doorberekende onregelmatigheidstoeslag niet overeenkomt met de CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg, terwijl ook zaterdagen zijn gedeclareerd tegen tarieven voor zon- of feestdagen. Zorg en Zekerheid schrijft in de brief verder, voor zover van belang:
“Aansprakelijkheid
(…)
Wij beschouwen uw handelen als frauduleus en bovendien hebben wij de betrokken budgethouders als te goeder trouw beoordeeld. Dientengevolge stellen wij u, conform het beleid gecommuniceerd in de brief van 7 december 2015 en artikel 11.1 van Algemene Voorwaarden van Zorg Allerlei, verantwoordelijk voor de geleden (financiële) schade.
Op basis van voornoemde argumenten zullen wij de budgethouders aanbieden om de vordering door middel van een akte van cessie aan het zorgkantoor over te dragen.
(…)
Naast de schade die Zorg en Zekerheid leidt door onterechte uitkeringen, kost ook het afhandelen van deze onderzoeken veel tijd én geld. Om te voorkomen dat de overige premiebetalers voor deze kosten moeten opdraaien, vorderen wij deze van u terug. Er geldt een standaard schadevergoeding van € 532,00. Daarnaast kunnen wij kosten die wij gemaakt hebben voor het inhuren van externe deskundigheid op u verhalen. Het vorderen hiervan hebben wij uit handen gegeven aan de Service Organisatie Directe Aansprakelijkheidsstelling (SODA). (…) De SODA zal zich voor het innen van deze vordering binnenkort tot u wenden.”
2.7.
Begin 2017 hebben Zorg en Zekerheid en vertegenwoordigers van de (inmiddels overleden) budgethouders aktes van cessie ondertekend, waarin staat dat de vorderingen van de budgethouders op Zorg Allerlei, Kleinschalig Wonen en [gedaagde] aan Zorg en Zekerheid worden overgedragen.
2.8.
Zorg Allerlei en Kleinschalig Wonen zijn respectievelijk begin 2019 en eind 2021 2021 ontbonden.
2.9.
Op 8 maart 2019 heeft Zorg en Zekerheid een (aangetekend verzonden) stuitingsbrief aan [gedaagde] gestuurd.
2.10.
Op 3 januari 2020 heeft [gedaagde] , na ontvangst van een rekening, een betaling van € 624,94 gedaan aan SODA.
2.11.
Op 13 februari 2020 heeft Zorg en Zekerheid nogmaals een (aangetekend verzonden) stuitingsbrief aan [gedaagde] verstuurd.
2.12.
Op 6 maart 2024 heeft Zorg en Zekerheid een derde maal een (aangetekend verzonden) stuitingsbrief aan [gedaagde] verstuurd.
2.13.
Begin april 2025 heeft Zorg en Zekerheid met rechterlijk verlof conservatoire derdenbeslagen gelegd op diverse bankrekeningen van [gedaagde] . Daarna is Zorg en Zekerheid deze bodemprocedure gestart.

3.Het geschil

3.1.
Zorg en Zekerheid vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 140.607,71, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Zorg en Zekerheid baseert de vordering op onrechtmatige daad (artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek, BW).
Primair stelt Zorg en Zekerheid dat zij door cessie de vorderingen van de budgethouders op Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei heeft overgenomen. Ook heeft Zorg en Zekerheid een (gecedeerde) vordering op [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, omdat [gedaagde] ten tijde van de ten onrechte gedeclareerde zorg wist of had behoren te begrijpen dat de budgethouders bij een controle de pgb-gelden moesten terugbetalen en dat Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei geen verhaal zouden bieden. Althans het handelen van [gedaagde] als bestuurder of feitelijk leidinggevende van Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei is in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig, dat [gedaagde] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde] is dientengevolge verplicht de schade te vergoeden die door haar handelen aan Zorg en Zekerheid (middels de cessies) is toegebracht.
Subsidiair stelt Zorg en Zekerheid dat zij, naast haar vordering uit hoofde van de cessies, ook een zelfstandige rechtstreekse vordering op [gedaagde] heeft op grond van onrechtmatige daad.
3.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot nietigverklaring van de dagvaarding, althans niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de vordering, met veroordeling van Zorg en Zekerheid in de werkelijke proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] heeft onder meer als verweer aangevoerd dat de vorderingen van Zorg en Zekerheid moeten worden afgewezen omdat deze zijn verjaard. De rechtbank ziet aanleiding om dit verweer nu als eerste te bespreken.
Aanvang van de verjaring
4.2.
Op grond van artikel 3:310 lid 1 van Pro het BW verjaart een rechtsvordering tot schadevergoeding door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon zo worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen.
4.3.
Er zijn in dit geval twee vorderingen tot schadevergoeding met een eigen grondslag: ten eerste de (door Zorg en Zekerheid overgenomen) vorderingen van de budgethouders op [gedaagde] en daarnaast de zelfstandige rechtstreekse vordering van Zorg en Zekerheid op [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad. De rechtbank is met Zorg en Zekerheid van oordeel dat de verjaringstermijn van deze vorderingen op zijn vroegst pas op 2 februari 2017 is gaan lopen, toen de conclusies van het fraudeonderzoek bekend werden. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van Zorg en Zekerheid dat de verjaringstermijn al in 2014 is gaan lopen, toen de budgethouders de facturen ontvingen. Noch de budgethouders, noch Zorg en Zekerheid wisten toen al dat zij een deel van de vanuit het pgb vergoede zorg moesten terugbetalen, laat staan dat zij toen al wisten dat zij in verband hiermee een vordering uit onrechtmatige daad op [gedaagde] hadden (op grond van bestuurdersaansprakelijkheid).
Stuiting door erkenning vordering?
4.4.
Zorg en Zekerheid stelt dat de op 2 februari 2017 gestarte verjaringstermijn tijdig (dat wil zeggen binnen vijf jaren) door Zorg en Zekerheid is gestuit. Zorg en Zekerheid voert hiertoe onder meer aan dat de verjaring op 3 januari 2020 op grond van artikel 3:318 BW Pro is gestuit, toen [gedaagde] een bedrag van € 624,94 aan SODA betaalde. [gedaagde] deed die betaling nadat zij:
  • i) aanvankelijk verweer voerde maar ook voorstellen voor een minnelijke regeling deed;
  • ii) in twee instantie een procedure over de opname van haar gegevens in diverse frauderegisters had verloren; en
  • iii) op 8 maart 2019 een stuitingsbrief had ontvangen.
Onder deze (volgorde van) omstandigheden mag worden aangenomen dat [gedaagde] met het doen van de betaling op 3 januari 2000 de vordering van Zorg en Zekerheid erkende, althans
Zorg en Zekerheid mocht dat redelijkerwijs zo begrijpen, aldus Zorg en Zekerheid.
4.5.
[gedaagde] betwist bij gebrek aan wetenschap dat zij het bedrag aan SODA heeft betaald. Zelfs als dit bedrag door [gedaagde] is betaald, dan kan dat volgens haar nooit worden gezien als een erkenning van aansprakelijkheid ten aanzien van de vordering van Zorg en Zekerheid.
4.6.
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit geschilpunt als volgt. Op grond van artikel 3:318 BW Pro kan de verjaring worden gestuit door erkenning van het recht van de gerechtigde. De ratio voor erkenning als stuitingsgrond moet onder meer worden gezocht in bescherming van de schuldeiser. In geval van erkenning beschermt stuiting de schuldeiser in het vertrouwen dat hij aan het gedrag van de schuldenaar ontleent, namelijk het vertrouwen dat de schuldenaar zich van de aanspraak van de schuldeiser bewust is en wel zonder het bestaan van die aanspraak ter discussie te stellen. Kon de schuldeiser aan het gedrag van de schuldenaar dat vertrouwen inderdaad redelijkerwijs ontlenen, dan is alleszins begrijpelijk dat hij ervan uitging dat hij het instellen van een eis, dan wel het verrichten van een andere stuitingshandeling, voorlopig achterwege kon laten. Daarom is met name bepalend wat de schuldeiser, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs mocht begrijpen en verwachten omtrent de bewustheid van de schuldenaar. [1] Het is aan de schuldeiser om feiten en omstandigheden te stellen (en bij voldoende betwisting, te bewijzen), waaruit volgt dat de schuldenaar de vordering heeft erkend.
4.7.
In dit geval heeft Zorg en Zekerheid [gedaagde] in 2017 als bestuurder van Zorg Allerlei en Kleinschalig persoonlijk aansprakelijk gesteld voor door de vennootschappen gedeclareerde zorg die volgens Zorg en Zekerheid ten onrechte vanuit het pgb is vergoed. Zorg en Zekerheid vordert in verband hiermee een bedrag van € 140.607,71 aan schadevergoeding van [gedaagde] , op grond van onrechtmatige daad. Vast staat dat [gedaagde] zich tegen deze vordering van Zorg en Zekerheid heeft verweerd. Weliswaar zijn in het verleden namens [gedaagde] voorstellen voor een minnelijke regeling gedaan, maar dit gebeurde zonder erkenning van aansprakelijkheid van [gedaagde] . Het staat vast dat [gedaagde] op 3 januari 2020 een bedrag van € 624,94 aan SODA heeft betaald, na ontvangst van een factuur van SODA. Het is niet gesteld of gebleken dat die factuur op enig deel van het gevorderde schadebedrag van € 140.607,71 zag. Dit bedrag wordt thans immers nog volledig van [gedaagde] gevorderd. De rechtbank leidt uit de aan [gedaagde] gerichte brief van 2 februari 2017 (met de conclusies van het fraudeonderzoek) af dat SODA belast is met de invordering van de kosten die gemoeid zijn met het afhandelen van de rechtmatigheidsonderzoeken en eventuele kosten voor het inhuren van externe deskundigen. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat in de omstandigheid dat [gedaagde] op 3 januari 2000 een (verhoudingsgewijs zeer gering) bedrag voor de kosten van het uitgevoerde rechtmatigheids- en fraudeonderzoek heeft betaald, niet kan worden gelezen dat [gedaagde] ook erkende dat zij persoonlijk aansprakelijk was voor de schade van € 140.607,71 die samenhing met de door Zorg en Zekerheid teruggevorderde pgb-gelden. Immers, van die vordering heeft [gedaagde] niets voldaan en er zijn geen andere feiten en omstandigheden gesteld waaraan Zorg en Zekerheid het vertrouwen mocht ontlenen dat [gedaagde] persoonlijke aansprakelijkheid voor die vordering erkende.
4.8.
De rechtbank is dus van oordeel dat de verjaring van de vordering niet op 3 januari 2020 is gestuit.
Stuiting door schriftelijke aanmaningen?
4.9.
Zorg en Zekerheid heeft gesteld dat de verjaring – los van de gestelde, maar niet aangenomen erkenning – ook op andere wijze tijdig is gestuit, namelijk door de schriftelijke aangetekend verzonden stuitingsbrieven van 8 maart 2019, 13 februari 2020 en 6 maart 2024. Ten aanzien van dit betoog overweegt de rechtbank het volgende.
4.10.
Op grond van artikel 3:317 lid 1 BW Pro wordt een vordering tot nakoming van een verbintenis (waaronder ook een verbintenis tot schadevergoeding valt) gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De brieven van 8 maart 2019, 13 februari 2020 en 6 maart 2024 houden zo’n mededeling in.
4.11.
[gedaagde] heeft betwist dat zij de brieven van 8 maart 2019 en 13 februari 2020 heeft ontvangen. [gedaagde] erkent wel dat zij de brief van 6 maart 2024 heeft ontvangen, maar pas kort vóór haar schriftelijke reactie van 25 maart 2024. [gedaagde] betwist zij de brief al twee dagen na verzending (op 8 maart 2024) heeft ontvangen.
4.12.
Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW Pro moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat:
  • i) de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en
  • ii) dat de verklaring aldaar is aangekomen.
4.13.
Zorg en Zekerheid heeft de brieven verzonden naar het toenmalige woonadres van [gedaagde] . Aan de voorwaarde onder (i) is aldus voldaan. Daarmee resteert de vraag of de verklaring op dit adres is aangekomen. Zorg en Zekerheid stelt dat zij de stuitingsbrieven aangetekend heeft verzonden. Die stelling is niet voldoende om aan te tonen dat de brieven zijn ontvangen. Het ligt bij betwisting ook op de weg van Zorg en Zekerheid om aannemelijk te maken dat aanbieding van de brieven op het woonadres van [gedaagde] heeft plaatsgevonden. [3] Bij aangetekende post hoort meestal een bezorgings- of aanbiedingsbewijs, zodat verwacht mag worden dat Zorg en Zekerheid hierover beschikt. Zorg en Zekerheid heeft tot nu toe geen bezorgings- of aanbiedingsbewijzen van de drie brieven in het geding gebracht. De rechtbank zal Zorg en Zekerheid met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 22, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opdragen om die stukken bij akte in het geding te brengen. [gedaagde] kan daarop vervolgens bij antwoordakte reageren. De data voor akte en antwoordakte bepaald op respectievelijk 4 februari 2026 en 25 februari 2026. Iedere verdere beslissing (ten aanzien van het verjaringsverweer en de overige onderdelen van het geschil) wordt in afwachting van deze aktewisseling aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
draagt Zorg en Zekerheid op om bij akte, in te dienen op de rol van 4 februari 2026, de aanbiedings- en bezorgingsbewijzen die behoren bij de aangetekend verstuurde brieven van 8 maart 2019, 13 februari 2000 en 6 maart 2024 in het geding te brengen; [gedaagde] kan vervolgens op de rol van 25 februari 2026 bij antwoordakte op deze akte reageren;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers, rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelaar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie o.a. conclusie A-G Valk 27 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:37, nr. 2.3
2.Zie Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104
3.Zie Hoge Raad 10 augustus 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1565,