Deze civiele procedure betreft een vordering van Zorg en Zekerheid tegen [gedaagde] tot betaling van €140.607,71 wegens onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid in verband met onrechtmatig gedeclareerde zorg vanuit persoonsgebonden budgetten (pgb).
Zorg en Zekerheid trad op als zorgkantoor en voerde een fraudeonderzoek uit naar Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei, waarbij [gedaagde] bestuurder was. Na cessie van vorderingen van budgethouders vorderde Zorg en Zekerheid schadevergoeding van [gedaagde]. De rechtbank oordeelt dat de verjaringstermijn op zijn vroegst op 2 februari 2017 begon, bij bekendmaking van het fraudeonderzoek.
Betaling van een gering bedrag door [gedaagde] aan SODA wordt niet gezien als erkenning van aansprakelijkheid en stuiting van verjaring. Ook de ontvangst van aangetekende stuitingsbrieven wordt betwist. De rechtbank beveelt Zorg en Zekerheid aan om bewijs van ontvangst van deze brieven te leveren, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.