De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige vanwege ernstige zorgen over haar ontwikkeling en veiligheid. De moeder en de minderjarige verbleven op onduidelijke en mogelijk onveilige adressen, waarbij ook zorgen waren over het alcoholgebruik van de moeder en haar opvoedvaardigheden. De minderjarige ging niet naar school en was niet ingeschreven bij een huisarts of consultatiebureau.
De kinderrechter heeft op 16 februari 2026 na een zitting met gesloten deuren geoordeeld dat er een ernstig vermoeden bestaat van een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige. De voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn noodzakelijk om deze bedreiging weg te nemen en de verzorging en opvoeding te waarborgen.
De minderjarige verblijft inmiddels in een gezinshuis waar zij zich goed ontwikkelt. De kinderrechter benadrukte het belang van betrokkenheid van de jeugdbeschermer en het realiseren van contactmomenten tussen moeder en kind. De machtiging tot uithuisplaatsing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt voor de periode van 20 februari tot 6 mei 2026.
Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na de uitspraak of betekening.