Eiseres, een Zimbabwaanse vrouw, werd op 11 februari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het kader van grensbewaking met toepassing van de Dublinverordening. Zij stelde dat er aanwijzingen waren voor mensenhandel en dat de minister het beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000 niet correct had toegepast.
De rechtbank stelde vast dat bij de geringste aanwijzing van mensenhandel het vermoedelijke slachtoffer een bedenktijd van 30 dagen moet krijgen en dat de vreemdelingenbewaring dan moet worden opgeheven. Eiseres had verklaard dat zij door een Zuid-Afrikaanse pastor was geholpen en vermoedde dat zij slachtoffer van mensenhandel was. De minister had echter nagelaten de maatregel na het aanmeldgehoor op 14 februari 2026 op te heffen.
De rechtbank oordeelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld en dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig was voortgezet sinds 15 februari 2026. Daarnaast werd ambtshalve overwogen dat het beginsel van non-refoulement niet van toepassing is op deze maatregel in het kader van grensbewaking. De rechtbank beveelt opheffing van de maatregel, kent een schadevergoeding van €2.280 toe voor 19 dagen onrechtmatige detentie en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van €1.868.
Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.