Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5834

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9822
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 5 Vreemdelingenbesluit 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vrijheidsontnemende maatregel bij grensdetentie wegens mensenhandel en onzorgvuldig beleid

Eiseres, een Zimbabwaanse vrouw, werd op 11 februari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het kader van grensbewaking met toepassing van de Dublinverordening. Zij stelde dat er aanwijzingen waren voor mensenhandel en dat de minister het beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000 niet correct had toegepast.

De rechtbank stelde vast dat bij de geringste aanwijzing van mensenhandel het vermoedelijke slachtoffer een bedenktijd van 30 dagen moet krijgen en dat de vreemdelingenbewaring dan moet worden opgeheven. Eiseres had verklaard dat zij door een Zuid-Afrikaanse pastor was geholpen en vermoedde dat zij slachtoffer van mensenhandel was. De minister had echter nagelaten de maatregel na het aanmeldgehoor op 14 februari 2026 op te heffen.

De rechtbank oordeelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld en dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig was voortgezet sinds 15 februari 2026. Daarnaast werd ambtshalve overwogen dat het beginsel van non-refoulement niet van toepassing is op deze maatregel in het kader van grensbewaking. De rechtbank beveelt opheffing van de maatregel, kent een schadevergoeding van €2.280 toe voor 19 dagen onrechtmatige detentie en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van €1.868.

Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank heft de vrijheidsontnemende maatregel op wegens onzorgvuldig beleid bij mensenhandel en kent schadevergoeding en proceskosten toe.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.9822
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Asiel en Migratie,verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. F. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. In het besluit is overwogen dat aanknopingspunten bestaan voor toepassing van de Dublinverordening. [1]
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdulla. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Zimbabwaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1970.
2. Op grond van artikel 5. la van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiseres is het niet eens met de vrijheidsontnemende maatregel en heeft daartegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Hierbij is er geen beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2026. [2]
3.1.
De rechtbank ziet ambtshalve aanleiding voor de vraag of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van eiseres en of de minister eenzelfde motiveringsplicht heeft wanneer het, zoals in dit geval, gaat om een vrijheidsontnemende maatregel die is opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang, omdat toepassing wordt gegeven aan de grensprocedure. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en zal dat hieronder toelichten.
3.2.
De uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025 gaat over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, [3] voor de nationale rechter (de bewaringsrechter) die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. De Afdeling gaat in voornoemde uitspraak in op de gevolgen van het arrest, voor zover het Hof daarin heeft bepaald dat de bewaringsrechter op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn [4] - zo nodig ambtshalve - verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen die uitzetting verzet. [5]
3.3.
Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak overwogen dat als de minister zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen die maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten. Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5.2 en 6. [6]
3.4.
De rechtbank stelt vast dat de bestreden maatregel is opgelegd met het oog op het grensbewakingsbelang en dat de maatregel zich niet richt op de (mogelijke) uitzetting van eiseres. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister in een dergelijk geval een redelijke termijn moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek en of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure, en derhalve ook of de vreemdeling mogelijk een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en Pro artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest [7] verboden behandelingen. Juist in de grensprocedure vindt die beoordeling plaats; een pré-toets voorafgaand aan de toepassing daarvan is niet vereist. [8] Gelet daarop hoeft de minister bij toepassing van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw niet in de maatregel te motiveren waarom het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
4. Eiseres betoogt verder dat de minister in haar geval ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het beleid zoals vastgelegd in paragraaf B8/3.1 van de
Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), omdat er aanwijzingen zijn dat in haar geval sprake is van mensenhandel.
4.1.
Uit voornoemd beleid volgt dat de politie of Kmar [9] al bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel het vermoedelijke slachtoffer een bedenktijd van 30 dagen aanbiedt op grond van artikel 8, aanhef en onder k, van de Vw. Als de Kmar bedenktijd aanbiedt aan de vreemdeling die zich in vreemdelingenbewaring bevindt, dan wordt de vreemdelingenbewaring opgeheven.
4.2.
Eiseres heeft bij aankomst op Schiphol verklaard dat zij bij haar reis is geholpen door een Zuid-Afrikaanse pastor en dat zij niets heeft betaald voor haar reis. In het aanmeldgehoor in de asielprocedure heeft zij vervolgens het volgende verklaard:
"Ik besefte toen ik hier aankwam, ik sprak toen een vrouw, ik denk van de immigratiedienst. Ze vroeg hoelang ik die predikant al kende. Ik zei dat ik bij hem was gekomen door de problemen in Zuid-Afrika. Ze vroeg of ik wist dat er ook mensenhandel bestond. Ik zei dat ik dat niet bedacht had en dat ik het op mijn leeftijd niet voor mogen hield. Ze zei dat ik altijd moest opletten op mensen die naar je toekomen en zeggen je te gaan helpen. Toen besefte ik dat het iemand was die misschien wilde dat als ik in Spanje aankwam dat ik iets met mijn lichaam moest doen of drugs moest verkopen. Dat vreet enorm aan mij, als wij in Spanje aankomen, wat zou er dan gebeuren. Ik had mijn vertrouwen aan mij gegeven. Hij is predikant."
4.3.
Gelet op deze verklaring had de minister toepassing moeten geven aan zijn beleid en eiseres de bedenktijd van 30 dagen moeten verlenen. Dat moet de minister volgens dat beleid immers al doen bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel en de rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is. Nu uit het beleid ook volgt dat de bewaring wordt opgeheven als de bedenktijd wordt verleend heeft de minister onzorgvuldig gehandeld door de bestreden maatregel niet na het aanmeldgehoor van 14 februari 2026 op te heffen. De beroepsgrond slaagt.
5. Het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel is daarom onrechtmatig sinds 15 februari 2025. Het beroep is gegrond en de rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag.
6. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 19 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) de vrijheidsontnemende maatregel van 19 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.280,-.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van€ 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 2.280,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
05 maart 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
3.ECLI:EU:C:2025:647.
4.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008.
6.Idem, r.o. 10.
7.Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01).
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.
9.Koninklijke Marechaussee.