Eiseres uit Syrië heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend op 22 april 2024. De minister moest binnen zes maanden beslissen, maar verlengde aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden onder een besluitmoratorium voor Syrië, dat later werd ingetrokken. Hierdoor gold weer een beslistermijn van zes maanden, met een verlenging tot maximaal 21 maanden vanwege het moratorium.
De rechtbank constateert dat de minister niet binnen deze termijn heeft beslist en dat eiseres de minister op 17 december 2025 schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Het beroep is vervolgens ingesteld, hoewel meer dan twee weken na de ingebrekestelling, maar de rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege de overschrijding van de beslistermijn.
De rechtbank legt de minister op binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen en verbindt daaraan een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 467,- aan eiseres. De rechtbank benadrukt het belang van een zorgvuldige maar ook tijdige besluitvorming, mede gelet op het feit dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven.