ECLI:NL:RBDHA:2026:5858

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/09/700582 / JE RK 26-348
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige zorgen over opvoeding en veiligheid

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor drie maanden, vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van het kind. De moeder kampt met psychische problemen en heeft geen stabiele woon- of financiële situatie, waardoor terugkeer van het kind naar haar niet mogelijk is. De vader, die geen gezag heeft maar wel de zorg op zich neemt, wordt als plaats van verblijf aangewezen.

De moeder voert verweer en ontkent schizofrenie, stelt stress te ervaren door haar situatie en de vader, en wil het kind bij zich hebben. De vader stemt in met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De gecertificeerde instelling wordt vervangen vanwege de woonplaats van de moeder.

De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van het kind acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn noodzakelijk om het kind in een veilige en rustige omgeving te laten verblijven. Tevens wordt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De gecertificeerde instelling wordt vervangen door Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland om passende hulpverlening te kunnen bieden.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe en vervangt de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/700582 / JE RK 26-348
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling, een machtiging tot uithuisplaatsing en vervanging gecertificeerde instelling
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.I. Echteld uit Gouda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.J.A. Bosch uit Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij wijze van spoedvoorziening van 3 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 17 maart 2026, alsmede een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verleend tot 17 maart 2026. De behandeling van het verzoek (dat strekt tot een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden) is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 3 maart 2026 met de daarin genoemde stukken.
1.3.
Op 10 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] , namens de Raad;
- [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 3 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting verzoekt de Raad de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te vervangen door Jeugdbescherming west Zuid-Holland .
3.2.
Aan de verzoeken ligt het volgende ten grondslag. De Raad heeft ernstige zorgen over de ontwikkeling en de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] . De zorgen zijn met name gelegen in de psychische gesteldheid van de moeder en haar opvoedvaardigheden. Het lukt niet om hiervoor hulp in te zetten. De zorgen zijn dusdanig dat de Raad van mening is dat [minderjarige] op dit moment niet terug kan naar de moeder maar bij de vader dient te verblijven. De Raad is bezorgd over het effect van de moeders toestand op [minderjarige] en in hoeverre de moeder op dit moment in staat is de zorg over haar te dragen. De moeder toont weinig inzicht in de problematiek. De vader en de moeder hebben momenteel minimaal contact en [minderjarige] ziet de moeder niet. De moeder is wisselend in de uitspraken die zij doet over de rol die de vader mag hebben in het leven van [minderjarige] . De moeder stemt niet in met het verblijf van [minderjarige] bij de vader. De Raad acht een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk, zodat [minderjarige] in een rustige en veilige omgeving kan verblijven. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige] weer op een veilige manier contact kan krijgen met de moeder. Bovendien moet er hulpverlening worden ingezet om meer zicht te verkrijgen op de relatie tussen de moeder en [minderjarige] en in de thuissituatie bij de vader.
3.3.
Ter zitting merkt de Raad op dat de moeder eenhoofdig gezag heeft en staat ingeschreven in [plaats 1] . Dit betekent dat niet Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , maar Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland betrokken moet zijn.

4.De standpunten en de toelichting van de informant

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. Op de geboorteakte staat aangegeven dat de moeder het gezag heeft over [minderjarige] en niet de vader. De moeder geeft aan geen schizofrenie te hebben maar stress. Dit komt door haar traumatische achtergrond en de vader. De vader heeft veel ontnomen van de moeder, waaronder haar kind, haar rijbewijs en leningen. Ook blijft de vader mensen aansporen om de moeder slecht te behandelen. De moeder heeft de vader een kans gegeven, maar wil zich nu distantiëren van hem. De jeugdbeschermer is bedoeld voor de vader. De vader moet op zichzelf gaan focussen en aan zijn gedrag gaan werken. De moeder verblijft nu tijdelijk bij haar moeder in [plaats 2] . Zij wilde weg uit haar vorige huis vanwege ongedierte. De moeder heeft geen GGZ-hulpverlening nodig. Zij wil [minderjarige] bij haar hebben.
De advocaat van de moeder heeft aangevoerd dat het op dit moment feitelijk onmogelijk is voor de moeder om [minderjarige] bij haar terug te plaatsen. De moeder heeft geen inkomen, omdat zij haar uitkering heeft stopgezet. Ook heeft zij nu geen eigen woning. De moeder heeft in gesprekken met de advocaat bevestigd hulp te willen. Omdat het onduidelijk is waar de moeder gaat verblijven en vooralsnog in [plaats 2] verblijft, is het de vraag of hulpverlening vanuit de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland op gang zal komen.
4.2.
De vader voert geen verweer tegen het verzochte. Ook voert hij geen verweer tegen de vervanging van de gecertificeerde instelling. De moeder beschuldigt hem van veel dingen zonder duidelijke onderbouwing. Hij merkt dat [minderjarige] dingen mist van de moeder, maar dat zij niets merkt van de problemen die spelen. De vader bevestigt dat hij geen gezag heeft over [minderjarige] . Hij wil dit wel.
4.3.
De gecertificeerde instelling stemt desgevraagd in met het verzochte. Zij onderschrijft het verzoek tot de vervanging van de gecertificeerde instelling door Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland in verband met de woonplaats van de gezaghebbende moeder. Vanuit [plaats 3] kan de gecertificeerde instelling geen hulpverlening inzetten.

5.De beoordeling

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Er zijn ernstige zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] is een zeer jong meisje dat volledig afhankelijk is van de vader en de moeder. Het is daarom van groot belang dat het goed gaat met de vader en de moeder, zodat zij zich kunnen focussen op de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] . De zorgen zien met name op de psychische gezondheid van de moeder en de onveiligheid van [minderjarige] . Ter zitting is gebleken dat de moeder kampt met problemen op meerdere leefgebieden, waaronder haar verblijfsplek en haar financiële situatie. Er is nog veel onduidelijkheid over de problemen die er zijn en wat er voor nodig is om deze problemen op te lossen. Het is van belang dat de moeder rust creëert bij haarzelf en in haar thuissituatie. Bij de vader lijken er minder zorgen te zijn. Tegelijkertijd is er nog weinig zicht op de thuissituatie van de vader. Hier moet meer zicht op komen, zeker gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en de zorg en veiligheid die zij nodig heeft. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Het is aan de gecertificeerde instelling om de moeder te ondersteunen in het vinden van rust en zicht te krijgen op de thuissituatie van de vader.
5.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat een terugkeer van [minderjarige] naar de moeder op dit moment niet mogelijk is. De moeder heeft geen inkomen en geen eigen woning. Ook geeft de moeder ter zitting aan veel stress te ervaren. Het is van belang dat de rust bij de moeder wederkeert. Gelet hierop machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader voor de duur van drie maanden.
Wel vindt de kinderrechter het zorgelijk dat [minderjarige] en de moeder sinds januari 2026 geen contact hebben gehad. [minderjarige] heeft niet alleen de vader maar ook de moeder nodig. Op korte termijn moet dan ook gekeken worden hoe er op een veilige manier contact kan plaatsvinden tussen [minderjarige] en de moeder.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Vervanging van de gecertificeerde instelling
5.5.
Op basis van de stukken en de zitting is naar het oordeel van de kinderrechter vast komen te staan dat de moeder alleen het gezag over [minderjarige] heeft. Nu de gezaghebbende moeder slechts tijdelijk bij de oma verblijft en nog steeds staat ingeschreven in [plaats 1] , dient de gecertificeerde instelling te worden vervangen door Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland . De hulpverlening dient zo snel mogelijk van start te gaan.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 17 maart 2026 tot 3 juni 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 17 maart 2026 tot 3 juni 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.C. Eikelenboom als griffier, en op schrift gesteld op 16 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.