De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2018, die kampt met trauma- en hechtingsproblematiek en gedragsproblemen. De minderjarige verblijft sinds april 2025 bij een behandelgroep van een zorginstelling. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar de vader is niet betrokken en de moeder is overbelast en kan de zorg niet structureel bieden.
De kinderrechter constateert dat de moeder en vader correct zijn opgeroepen, maar niet zijn verschenen. De minderjarige is gehoord maar gaf geen mening. De eerdere machtiging tot uithuisplaatsing liep tot 12 maart 2026 en de ondertoezichtstelling tot 12 juni 2026. De gecertificeerde instelling verzoekt verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De specialistische begeleiding van de zorginstelling is passend en noodzakelijk vanwege de problematiek van de minderjarige. De moeder sluit onvoldoende aan bij de ontwikkelingsbehoefte en de vader is niet betrokken. De verlenging wordt toegekend en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.
Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening of betekening, waarvoor een advocaat nodig is.