De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2018, die kampt met trauma- en hechtingsproblematiek en gedragsproblemen. De minderjarige verblijft sinds april 2025 bij een behandelgroep van een zorginstelling. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar de vader is niet betrokken en de moeder is overbelast en kan de zorg niet adequaat bieden.
De kinderrechter constateert dat de moeder en vader correct zijn opgeroepen, maar niet zijn verschenen. De minderjarige is gehoord maar heeft geen mening gegeven. De kinderrechter weegt mee dat de specialistische begeleiding bij de zorginstelling noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, en dat de moeder onvoldoende aansluit bij de ontwikkelingsbehoefte van het kind.
De kinderrechter wijst het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens wordt de moeder aangespoord de contactmomenten met de minderjarige na te komen om de band te versterken en teleurstellingen te voorkomen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening.