ECLI:NL:RBDHA:2026:5860

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698683 / JE RK 26-161
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c, tweede lid, BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2019 en 2020, die momenteel in een pleeggezin verblijven. De moeder heeft het ouderlijk gezag, terwijl de vader de kinderen heeft erkend. De kinderen hebben op jonge leeftijd veel meegemaakt, wat zich uit in zorgelijk gedrag, met name bij de oudste die een traumatherapie volgt.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig. De gecertificeerde instelling benadrukte dat ondanks positieve ontwikkelingen, zoals het goed functioneren in het pleeggezin en op school, de situatie fragiel blijft. Het contact met de vader verloopt via begeleide videobelmomenten en wordt voorzichtig opgebouwd. De moeder toont zich coöperatief en werkt aan het op orde krijgen van haar huis.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De kinderen worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en het is noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om de therapie en ontwikkeling te monitoren. De verlenging wordt toegekend voor de duur van een jaar, tot 13 maart 2027, en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen worden verlengd tot 13 maart 2027.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/698683 / JE RK 26-161
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2],
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 januari 2026;
  • de brief van de Waag van 3 juni 2025 van de vader.
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op jonge leeftijd veel meegemaakt in de thuissituatie. Hoewel de kinderen zich goed ontwikkelen bij de pleegouders, zijn er nog steeds zorgen over het fragiele contact met de vader en de start van de therapie van de onverwerkte trauma’s bij [minderjarige 1] bij ‘[zorginstantie]’. [minderjarige 1] liet bovendien na de omgangsmomenten met de moeder zorgelijk gedrag liet zien. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat zij vermoedt dat het gedrag van [minderjarige 1] na de bezoekmomenten met de moeder afhankelijk is van de begeleider die aanwezig was bij de bezoeken. De gecertificeerde instelling is daarom op zoek naar een nieuwe vaste begeleider. De moeder stelt zich de afgelopen tijd coöperatief op, staat open voor hulp en komt gemaakte afspraken na. Verder is de moeder goed op weg om haar huis op orde te krijgen. Sinds kort vinden tussen de vader en de kinderen videobelmomenten plaats onder begeleiding van de gecertificeerde instelling. In het pleeggezin laten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] positieve stappen zien. Zij krijgen hier rust structuur en voorspelbaarheid geboden. Ook op school doen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het goed. De gecertificeerde instelling is van mening dat er positieve stappen zijn gezet, maar dat het nog een heel fragiele situatie is. De gecertificeerde instelling acht een verlenging van de maatregelen noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
De vader voert geen verweer tegen het verzochte. Hij is blij dat de huidige jeugdbeschermer – na veel wisselingen – naar hem luistert en hem vooruitzicht biedt. De videobelmomenten zijn goed verlopen.
4.2.
De moeder voert geen verweer tegen het verzochte. Het contact tussen haar en de kinderen verloopt goed, maar zij vindt het jammer dat het zo kort is. De moeder wil alles doen wat in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, ondanks dat zij hen graag thuis zou willen hebben. Het contact met de jeugdbeschermer verloopt ook goed.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben veel meegemaakt op een jonge leeftijd, wat zich uit in zorgelijk gedrag. Uit de stukken en ter zitting blijkt wel dat het steeds beter gaat met hen. Zo is [minderjarige 1] begonnen met traumatherapie, welke helpend lijkt te zijn. Over [minderjarige 2] bestaan op dit moment minder zorgen. De kinderrechter acht van belang dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om zicht te houden op de therapie van [minderjarige 1] en de ontwikkeling van [minderjarige 2]. In het pleeggezin gaat het goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij krijgen hier structuur en rust geboden. De kinderrechter vindt het positief om te horen dat de videobelmomenten met de vader op een positieve manier zijn verlopen en dat gekeken wordt naar een fysiek contactmoment. Het is van belang dat deze opbouw op een zorgvuldige manier verloopt. De komende periode zal hieraan gewerkt worden. Daarnaast zal de omgang met de moeder, waar mogelijk, worden uitgebreid. Ondertussen is het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat de plaatsing in het pleeggezin wordt gecontinueerd. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom nog steeds nodig. De kinderrechter wijst het verzochte, waartegen geen verweer is gevoerd, toe.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 13 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 13 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.C. Eikelenboom als griffier, en op schrift gesteld op 16 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.