De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2019 en 2020, die momenteel in een pleeggezin verblijven. De moeder heeft het ouderlijk gezag en de vader heeft de kinderen erkend. De kinderen hebben op jonge leeftijd veel meegemaakt, wat zich uit in zorgelijk gedrag, vooral bij de oudste die een traumatherapie volgt.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig. De gecertificeerde instelling benadrukte dat hoewel de kinderen positieve stappen maken in het pleeggezin en op school, de situatie nog fragiel is. Het contact met de vader verloopt via begeleide videobelmomenten en er wordt gewerkt aan uitbreiding van het contact met de moeder. De ouders voerden geen verweer tegen het verzoek.
De kinderrechter oordeelde dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen is nog steeds ernstig, en voortzetting van de pleegzorg is noodzakelijk. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De beschikking is op 10 maart 2026 uitgesproken en schriftelijk vastgelegd op 16 maart 2026.