Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/2287
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 11 Voorzieningenregeling militaire oorlogs- en dienstslachtoffers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding voor herstelreis PTSS-patiënt op grond van militaire voorzieningenregeling

Eiser heeft een aanvraag ingediend bij de staatssecretaris van Defensie voor financiële ondersteuning van een buitenlandse reis ter bevordering van zijn herstel van PTSS. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen op 13 februari 2024, en het bezwaar van eiser werd op 11 februari 2025 eveneens afgewezen.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 17 maart 2026 behandeld en verklaart het beroep gegrond. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven het advies van de bezwaarverzekeringsarts te volgen, die op 13 november 2025 adviseerde de reis naar het buitenland te vergoeden vanwege ernstige bestaansverschraling.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Zij wijst een vergoeding van maximaal €6.000 toe voor de reis, onder de voorwaarde dat eiser de gemaakte kosten met bewijsstukken ondersteunt en zolang de triggers voor zijn PTSS blijven bestaan. Jaarlijks zal een verzekeringsarts beoordelen of en in welke mate een tegemoetkoming kan worden gegeven.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €1.921 aan eiser. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vergoeding van €6.000 toe voor de herstelreis en veroordeelt verweerder tot betaling van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2287
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P. de Casparis),
en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.R.C. Adang)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om financiële ondersteuning voor een buitenlandse reis ter bevordering van zijn herstel.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de staatssecretaris van 11 februari 2025 op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser heeft bij verweerder een aanvraag ingediend voor een voorziening op grond van de Voorzieningenregeling militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (hierna: de Regeling). De voorziening betreft een reis naar/verblijf in het buitenland om beter te kunnen herstellen van de PTSS waaraan hij lijdt. Daarbij heeft eiser een beroep gedaan op artikel 11 van Pro de Regeling.
4. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat toch gevolg moet worden geven aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en er sprake is van ernstige bestaansverschraling. Verweerder heeft de vraag naar de omvang van de te geven voorziening voorgelegd aan de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 13 november 2025 aangegeven dat de reis naar [land] vergoed moet worden. Verweerder volgt het advies van de bezwaarverzekeringsarts en is bereid aan eiser een bedrag van maximaal € 6000,00 euro te vergoeden, een en ander onder overlegging van bewijsstukken en voor zolang de (locatie)triggers waaraan eiser blootstaat blijven bestaan. Een verzekeringsarts zal ieder jaar beoordelen of en in welke mate aan eiser een tegemoetkoming kan worden gegeven.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee volledig tegemoetkomt aan het beroep van eiser. Partijen hebben de rechtbank verzocht zelf in de zaak te voorzien en de toekenning van de voorziening in een uitspraak vast te leggen.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Daarnaast zal de rechtbank het primaire besluit herroepen, de aanvraag tot vergoeding van
een reis naar/verblijf in [land] tot een bedrag van € 6.000,- toewijzen onder de voorwaarde dat eiser de kosten die hij maakt ondersteunt met bewijsstukken en voor zolang de triggers waaraan eiser blootstaat blijven bestaan. Een verzekeringsarts zal ieder jaar beoordelen of en in welke mate een eiser een tegemoetkoming kan worden gegeven. Verder zal de rechtbank bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
6.2.
Omdat beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6.3.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 februari 2025;
- herroept het besluit van 13 februari 2024;
- bepaalt dat aan eiser een vergoeding voor een reis naar/verblijf in [land] tot een bedrag van € 6.000,- wordt toegekend onder de voorwaarde dat eiser de kosten die hij maakt ondersteunt met bewijsstukken en voor zolang de triggers waaraan eiser blootstaat blijven bestaan én bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026 door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.