ECLI:NL:RBDHA:2026:5882

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
NL25.63812
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure verblijfsvergunning

De minderjarige verzoeker heeft op 3 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel 'familie en gezin'. Deze aanvraag is op 23 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de bezwaarprocedure in Nederland kan afwachten.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en wees het verzoek toe. De voorzieningenrechter stelde vast dat het bezwaar geen schorsende werking heeft en dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij de voorziening omdat uitzetting anders niet wordt achterwege gelaten tijdens de bezwaarprocedure.

De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de voorlopige voorziening. Daarom bepaalt de voorzieningenrechter dat de uitzetting van verzoeker wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, waaronder het griffierecht en een vergoeding voor het ingediende verzoekschrift.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor de uitzetting van verzoeker wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63812

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

mede namens
[referent/moeder van verzoeker], referent en moeder van verzoeker
(gemachtigde: mr. C. Huy),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Met het besluit van 23 december 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker van 3 januari 2025 om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Deze aanvraag is op 3 januari 2025 door zijn moeder voor verzoeker (die minderjarig is) ingediend.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb volgt dat de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Verzoeker heeft op 30 december 2025 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van het besluit van 23 december 2025 niet op. Omdat gedurende de behandeling van het bezwaar uitzetting niet achterwege wordt gelaten heeft verzoeker spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
6. Bij brief van 23 januari 2026 heeft de griffier van de rechtbank de minister verzocht om binnen twee weken na plaatsing van het bericht in het digitale dossier schriftelijk mee te delen of de minister zich verzet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening totdat op het bezwaarschrift is beslist. De minister heeft op 3 februari 2026 laten weten dat hij zich niet verzet tegen het toewijzen van de voorlopige voorziening totdat op het bezwaarschrift van verzoeker is beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de uitzetting van verzoeker achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. Dat betekent dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet.
7.1.
Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij vanwege de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend, waarvoor gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt wordt toegekend. Ook moet de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden. Er zijn geen andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat uitzetting van verzoeker achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-
- bepaalt dat de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.