ECLI:NL:RBDHA:2026:5882
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure verblijfsvergunning
De minderjarige verzoeker heeft op 3 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel 'familie en gezin'. Deze aanvraag is op 23 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de bezwaarprocedure in Nederland kan afwachten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en wees het verzoek toe. De voorzieningenrechter stelde vast dat het bezwaar geen schorsende werking heeft en dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij de voorziening omdat uitzetting anders niet wordt achterwege gelaten tijdens de bezwaarprocedure.
De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de voorlopige voorziening. Daarom bepaalt de voorzieningenrechter dat de uitzetting van verzoeker wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, waaronder het griffierecht en een vergoeding voor het ingediende verzoekschrift.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor de uitzetting van verzoeker wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.