Uitspraak
Beroep tegen het niet tijdig beslissen
Beroep tegen het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024
- Verzekeringsbewijs SGK, waarin staat dat eiser de militaire school heeft verlaten vanwege decreet 669;
- Brief van Turkse advocaat [naam] van 14 augustus 2023 (met betrekking tot een op 2 januari 2023 uitgevoerde operatie door de Afdeling Terrorismebestrijding en over een arrestatiebevel jegens eiser);
- Brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 21 juli 2021 aan advocatenkantoor [naam] (waarin een toelichting wordt gegeven over de inwilliging van een asielvergunning van een andere vreemdeling, die volgens de IND als militaire student betrokkenheid wordt toegedicht bij de Gülenbeweging); en
- Screenshots van Instagram.
- Eiser heeft op 11 maart 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend, voorzien van een dertiental bijlagen. In deze bijlagen bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van [naam] , alsmede een beëdigde vertaling van een passage uit dit verhoor.
- Eiser heeft op 27 maart 2025 nadere stukken – waaronder de integrale vertaling van het voornoemde proces-verbaal van verhoor – en aanvullende gronden van beroep ingediend.
- De minister heeft op 8 mei 2025 een aangepaste motivering gegeven voor het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024.
- Eiser heeft op 8 juni 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend, gericht tegen de aangepaste motivering van de minister.
- Eiser heeft op 25 augustus 2025 een nader stuk overgelegd, te weten een nadere vertaling van een deel van het proces-verbaal van verhoor van [naam] .
- Eiser heeft op 4 maart 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend en een nader stuk ingediend, te weten een nadere vertaling van een deel van het proces-verbaal van verhoor van [naam] .
Aangepaste motivering 8 mei 2025
enkelin het dossier van [naam] heeft gezien. In zoverre bestrijdt eiser de aanname van de minister dat de vermelding in het PV van de naam van eiser, dezelfde informatie betreft als de verklaring van de advocaat dat hij eisers naam in een dossier heeft gezien. Eiser heeft immers verklaard (pag. 19 nader gehoor) dat de advocaat heeft gezien dat een persoon die is aangehouden en veroordeeld de naam van eiser aan de autoriteiten heeft doorgegeven. De Turkse autoriteiten kwamen zelf met de naam van eiser in het verhoor van [naam] . Het voorgaande volgt ook uit het feit dat de advocaat in de zaak van [naam] ene Abdullah Polat was, en de advocaat van eiser betreft Bahadir Kücük. Dit betreft dus een extra bewijsmiddel (getuigenverklaring) naast het PV.
geloofwaardig isdat eiser Gülenisme kan worden toegedicht, het (nog) niet per se van belang is of ook aannemelijk is dat eiser reeds nu in de negatieve belangstelling staat of dat er een onderzoek naar hem loopt. Laatstgenoemde vraag is naar het oordeel van de rechtbank strikt genomen ook een vraagstuk dat meer typisch is toegespitst in het kader van de vervolgvraag bij een asielrechtelijke beoordeling, namelijk of de door eiser gestelde vrees die hij hieraan zegt te ontlenen aannemelijk is. Daarnaast ziet de rechtbank niet in waarom in eisers geval de autoriteiten niet op de hoogte zijn dan wel eenvoudig op de hoogte kunnen raken van eisers (vroegere) banden met het Gülenisme. Zo volgt uit het SGK-overzicht uitdrukkelijk dat eiser per decreet van de militaire school (collectief) is ontslagen, dit in nasleep van de coupe omdat de school ‘verdacht’ werd van Gülenistische activiteiten. Deze informatie is aldus vermeld in deze overheidsregistratie en daarmee – zo komt de rechtbank voor – per definitie traceerbaar voor de autoriteiten. Bij dit alles komt nog dat in het PV van [naam] is vermeld dat tegen eiser een FETÖ-onderzoek is ingesteld, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat zij in dit kader uitdrukkelijk in het midden laat – gelet op de verschillende overgelegde vertalingen door eiser (zie onder 35) – of hier dient te worden uitgegaan van de tegenwoordige dan wel verleden tijd. Ook als namelijk uitgegaan moet worden van het voor eisers standpunt meest ongunstige scenario dat dit onderzoek thans
nietmeer loopt, dan is op basis hiervan nog steeds duidelijk dat er ooit een FETÖ-onderzoek heeft plaatsgevonden jegens hem. Dus ook in dat scenario is eiser daadwerkelijk reeds in meer of mindere mate ‘verdacht’ geweest van Gülenistische activiteiten en is hij hierop onderzocht, en valt in zoverre niet in te zien dat het niet geloofwaardig is dat eiser (nogmaals) Gülenisme wordt of kan worden toegedicht.
Voorts blijkt uit openbare bronnen dat militaire studenten als groep betrokkenheid bij de Gülen-beweging wordt toegedicht (….)”. De minister heeft in dit kader ter zitting enkel aangegeven dat destijds een ander, ruimer beleid werd gevoerd maar heeft niet aannemelijk kunnen maken op basis van welke concrete informatie de toedichting van Gülenisme in geval van (ex-) militaire studenten tegenwoordig niet of minder gebeurt.