Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5904

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/09/685392 / HA ZA 25-430
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:166 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en verdeling opbrengsten warmtekrachtkoppeling-installatie buiten noodvermogen-markt

Eiseres en gedaagden 1 en 2 zijn overeengekomen dat eiseres haar warmtekrachtkoppeling-installatie (WKK) mocht aansluiten op de elektriciteitsnetaansluiting van gedaagden, waarbij opbrengsten uit de noodvermogen-markt gelijk verdeeld zouden worden. Eiseres gebruikte de WKK echter voornamelijk voor elektriciteitsleveringen op de onbalansmarkt, waarvoor gedaagden betalingen ontvingen. De overeenkomst voorzag niet in dit gebruik.

De rechtbank vult deze leemte aan op basis van redelijkheid en billijkheid, waarbij gedaagden worden gecompenseerd voor verminderde opbrengsten uit de noodvermogen-markt en de resterende netto-opbrengsten aan eiseres toekomen. De vorderingen tegen de aandeelhouder en bestuurder van gedaagden worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van onrechtmatige daad.

De rechtbank berekent de vordering van eiseres door de opbrengsten van de WKK in een fictieve situatie van uitsluitend gebruik voor de noodvermogen-pool te vergelijken met de feitelijke situatie, waarbij gedaagden worden gecompenseerd voor het verschil. De vorderingen worden deels toegewezen, met veroordelingen tot betaling van hoofdsommen, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van aangepaste factuurbedragen aan eiseres, met rente en incassokosten; vorderingen tegen aandeelhouder en bestuurder worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/685392 / HA ZA 25-430
vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.te Roosendaal,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V. te Den Haag,

hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.te Den Haag,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
3.
[gedaagde sub 3] B.V.te Den Haag,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
4.
[gedaagde sub 4]te Den Haag,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
advocaat: mr. J.P.M. Steenberghe,
gedaagden.

1.De zaak in het kort

[eiseres] is eigenaar geworden van een perceel grond met daarop kassen en een warmtekrachtkoppeling-installatie (de WKK). Met de WKK kunnen warmte en elektriciteit worden opgewekt door verbranding van aardgas. Op het perceel was nog geen voor de WKK geschikte elektriciteitsnetaansluiting aanwezig. De voormalige eigenaar van het perceel is met [gedaagde sub 1] overeengekomen dat voor de WKK gebruik mocht worden gemaakt van de netaansluiting van [gedaagde sub 1] . Deze eerdere eigenaar nam met de WKK deel aan de zogenoemde noodvermogen-markt voor elektriciteit en heeft met [gedaagde sub 1] afgesproken dat de opbrengsten en kosten daarvan bij helfte tussen hen zouden worden verdeeld. Toen [eiseres] eigenaar werd van het perceel, heeft zij met [gedaagde sub 1] afgesproken dat de bestaande overeenkomst met betrekking tot de WKK op gelijke voet zou worden voortgezet.
[eiseres] is de WKK gaan gebruiken om de kassen te verwarmen en is daarbij voornamelijk elektriciteit gaan leveren op de zogenoemde onbalansmarkt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de betalingen daarvoor van de energiebedrijven ontvangen. Volgens [eiseres] moeten de netto-opbrengsten van deze energieleveranties geheel aan haar worden doorbetaald, omdat daarvoor geen andersluidende afspraak is gemaakt. Volgens gedaagden was [eiseres] op grond van de overeenkomst uitsluitend gerechtigd om met de WKK aan de zogenoemde noodvermogen-markt deel te nemen en heeft [eiseres] geen aanspraak op doorbetaling.
De rechtbank oordeelt als volgt. De overeenkomst van [eiseres] met [gedaagde sub 1] en later [gedaagde sub 2] met betrekking tot de WKK, voorziet niet in de situatie dat de WKK wordt gebruikt voor elektriciteitsleveringen op de onbalansmarkt. De rechtbank vult deze leemte aan op basis van de redelijkheid en billijkheid, in die zin dat de netto-opbrengsten van deze energieleveringen in zoverre aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toekomen dat dit hun verminderde opbrengsten uit de noodvermogen-markt als gevolg van het gewijzigde gebruik van de WKK compenseert, en dat de resterende netto-opbrengsten toekomen aan [eiseres] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van de netto opbrengsten die zij hebben ontvangen van de energiebedrijven verminderd met de door hen misgelopen opbrengsten uit de noodvermogen-markt.
[eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] – aandeelhouder respectievelijk bestuurder van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] – in dit verband een onrechtmatige daad jegens [eiseres] hebben gepleegd. De vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden daarom afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure tot aan de mondelinge behandeling blijkt uit de volgende processtukken:
- de dagvaardingen van 9 mei 2025;
- de akte overlegging producties, met producties genummerd I tot en met XVI;
- de conclusie van antwoord van gedaagden, met producties 1 tot en met 5;
- de producties genummerd IX en X (bedoeld is XVII en XVIII) van [eiseres] ;
- de akte overlegging producties van gedaagden, met producties 6 tot en met 14;
- de nadere producties XIX en XX van [eiseres] .
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt van wat is besproken. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de rol voor akte van beide zijden en bepaald dat beide zijden een antwoordakte zouden mogen nemen. [eiseres] heeft vervolgens een akte met productie XXI genomen, en gedaagden een akte met producties genummerd 16 tot en met 18. Daarna hebben beide zijden een antwoordakte genomen.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
In Nederland kan men op verschillende manieren inkomsten verwerven met
installaties waarmee elektriciteit kan worden opgewekt. Ten eerste kan op willekeurige momenten elektriciteit worden geproduceerd en aan het net worden geleverd, steeds tegen het op dat moment geldende terug-levertarief per kWh. Aldus neemt men deel aan de zogenoemde ‘onbalansmarkt’. Ook kan men deelnemen aan de zogenoemde ‘noodvermogen-markt’, waarbij men op positieve afroep tegen betaling elektriciteit produceert en levert (tegen een relatief hoog terug-levertarief per kWh) en men een beschikbaarheidsvergoeding (per uur of dag) ontvangt voor het níet gebruiken maar wel beschikbaar houden van de elektriciteitsproductiecapaciteit.
3.2.
[bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna ook: [bedrijfsnaam 1] ) is eigenaar geweest van het perceel [adres] met daarop geplaatste kassen en installaties (hierna: Perceel A). Op Perceel A bevindt zich een warmtekrachtkoppeling-installatie waarmee (gelijktijdig) warmte en elektriciteit kunnen worden opgewekt door verbranding van aardgas (verder ook: de WKK). De warmte kan worden gebruikt voor het verwarmen van kassen en de elektriciteit kan aan het elektriciteitsnet worden geleverd. [bedrijfsnaam 1] had de kassen op Perceel A niet in gebruik.
3.3.
[bedrijfsnaam 1] maakte voor de WKK gebruik van een elektriciteitsaansluiting op – kort gezegd en voor zover voor deze zaak van belang – een nabijgelegen perceel (hierna: Perceel B) dat destijds eveneens aan [bedrijfsnaam 1] toebehoorde. Perceel A had namelijk nog geen eigen voor de WKK geschikte aansluiting op het elektriciteitsnet.
3.4.
[bedrijfsnaam 1] richtte zich bij het gebruik van de WKK op de noodvermogen-markt. [bedrijfsnaam 1] nam hiervoor via het bedrijf [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) deel aan een zogenoemde noodvermogen-pool. Daarbij werd de WKK alleen op afroep aangezet en werd voor de verdere tijd een beschikbaarheidsvergoeding ontvangen. Verder werden bij een negatieve elektriciteitsprijs de lampen op perceel A aangezet.
3.5.
[bedrijfsnaam 1] heeft Perceel B aan [gedaagde sub 1] verkocht en geleverd, een onderneming die zich bezig houdt met de ontwikkeling van duurzame energieprojecten. [gedaagde sub 1] is daardoor sinds 23 mei 2023 eigenaar van Perceel B. [gedaagde sub 2] is een aan [gedaagde sub 1] gelieerde projectvennootschap. [gedaagde sub 3] houdt alle aandelen in [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 4] is bestuurder van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , en houdt alle aandelen in [gedaagde sub 3] .
3.6.
[bedrijfsnaam 1] heeft bij de verkoop van Perceel B aan [gedaagde sub 1] afgesproken dat [bedrijfsnaam 1] voor de WKK gebruik mocht blijven maken van de netaansluiting op Perceel B.
3.7.
Begin juni 2023 hebben enerzijds een aan [bedrijfsnaam 1] gelieerde vennootschap (‘pachter’) en anderzijds [gedaagde sub 1] (‘verpachter’) een schriftelijke pachtovereenkomst gesloten. Voor [gedaagde sub 1] heeft [gedaagde sub 4] , onder de naam [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 3] ), de overeenkomst ondertekend. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
’16.2 (...) [ [bedrijfsnaam 1] ] en/of de volgende eigenaar van [Perceel A] mag gebruik blijven maken van de elektriciteitsaansluiting van [Perceel B] totdat hij een zelfstandige elektra aansluiting heeft verkregen op [Perceel A].’
en
Artikel 17 Gebruik Pro WKK-installatie/kosten en opbrengstenverdeling
[ [bedrijfsnaam 1] ] is eigenaar van de WKK-installatie, aanwezig op [Perceel A]. Deze locatie wordt op dit moment niet meer beteeld door [ [bedrijfsnaam 1] ]. [Perceel A] draait mee in de zogenoemde noodvermogen-pool. Voor zowel op als afregel vermogen. Dit houdt in dat bij een negatieve elektra prijs de belichting wordt ingezet, en bij positieve afroep de WKK wordt gestart. De opbrengsten/kosten worden tussen pachter en verpachter op 50/50 basis met elkaar verrekend. Dit wordt gedaan door [bedrijfsnaam 2] B.V., die de elektra inkoop/verkoop verrekent met de gas inkoop. Dit is op basis van Meetdata.’
3.8.
[bedrijfsnaam 2] heeft voor [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde sub 1] de administratie verzorgd wat betreft het gebruik van de WKK voor de noodvermogen-pool. [bedrijfsnaam 2] had wat betreft de noodvermogen-pool weer een contractuele relatie met TenneT. TenneT deed de betalingen met betrekking tot de noodvermogen-pool aan [bedrijfsnaam 2] . [bedrijfsnaam 2] op haar beurt berekende welke delen daarvan toekwamen aan [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde sub 1] en betaalde die bedragen door.
3.9.
[bedrijfsnaam 1] heeft Perceel A aan [eiseres] verkocht en geleverd, een onderneming die zich bezig houdt met (glas)tuinbouw. [eiseres] is daardoor sinds 14 juli 2023 eigenaar van perceel A met daarop de WKK.
3.10.
[eiseres] is de kassen op Perceel A in gebruik gaan nemen voor teelt en is ten behoeve daarvan warmte gaan produceren met de WKK, waarbij tevens elektriciteit wordt geproduceerd. [eiseres] heeft deze elektriciteit via de aansluiting op Perceel B aan het net geleverd op de onbalansmarkt, en dus buiten de noodvermogen-pool om.
3.11.
Per e-mail van 11 oktober 2023 heeft de makelaar van [gedaagde sub 1] en/of [bedrijfsnaam 3] het volgende geschreven aan een medewerker van [bedrijfsnaam 2] :
‘Met [ [bedrijfsnaam 1] ] en [bedrijfsnaam 3] zijn afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in pachtovereenkomst over [de WKK].
[Perceel A] werd destijds door [bedrijfsnaam 1] niet meer beteeld en afgesproken werd dat het object mee zou draaien op de zogenoemde noodvermogen-pool op zowel op als afregel vermogen.
De opbrengsten/kosten worden tussen pachter en verpachter op 50/50 basis met elkaar verdeeld. De berekening wordt gedaan door [bedrijfsnaam 2] BV die de electra inkoop/verkoop verrekent met de gas inkoop. Dat geschiedt op basis van meetdata.’
3.12.
De medewerker van [bedrijfsnaam 2] heeft hierop als volgt gereageerd:
‘[De] afspraak [was] dat 50% van de opbrengsten voor noodvermogen aan [bedrijfsnaam 3] zou toekomen. De Noodvermogen opbrengsten krijgt [bedrijfsnaam 2] uitgekeerd van Tennet. En [bedrijfsnaam 2] heeft deze weer uitbetaald aan onze klant.
(...)
(...) komt de vraag of [ [eiseres] ] nog tot en met april 2024 de huidige aansluiting zou mogen gebruiken. (...)
Zou je dit met [bedrijfsnaam 3] willen bespreken. We kunnen de afspraak blijven aanhouden dat de opbrengsten Noodvermogen hetzelfde blijven als voorheen, dan blijft er ook een verdienmodel voor Trio in zitten.’
3.13.
De elektriciteit die met de WKK is opgewekt en geleverd op de onbalansmarkt, is tot 31 december 2023 officieel geleverd aan de energieleverancier met wie [gedaagde sub 1] een contract had. Voor die energieleveranties is betaald aan [gedaagde sub 1] .
3.14.
Door een fout van een medewerker van [gedaagde sub 1] dan wel [gedaagde sub 2] , is er voor de maand januari 2024 geen energiecontract afgesloten voor de netaansluiting van Perceel B.
3.15.
De elektriciteit die met de WKK is opgewekt en geleverd op de onbalansmarkt, is vanaf februari 2024 officieel geleverd aan de energieleverancier met wie [gedaagde sub 2] een contract had afgesloten. Voor die energieleveranties is betaald aan [gedaagde sub 2] .
3.16.
Op 19 maart 2024 heeft [eiseres] (via [bedrijfsnaam 2] ) een factuur aan [gedaagde sub 2] gestuurd voor de energieleveringen in het jaar 2023 buiten de nood-vermogenpool om.
3.17.
Op 2 mei 2024 heeft een medewerker van [gedaagde sub 1] het volgende aan [bedrijfsnaam 2] bericht:
Het spijt me, maar de bovenstaande factuur moet gericht worden aan [ [gedaagde sub 1] ].
Als dit gewijzigd kan worden, dan kan die betaald worden.
3.18.
De factuur is vervolgens aan [gedaagde sub 1] gericht en opnieuw verstuurd. Aldus is op 10 mei 2024 een bedrag van € 75.260,97 exclusief btw en € 91.065,77 inclusief btw aan [gedaagde sub 1] gefactureerd, met als beschrijving ‘
Elektra teruglevering 14-7-2023 tot en met 31-12-2023 incl verrekening noodvermogen opbrengsten en transportkosten’.
3.19.
Er is daarna lange tijd contact geweest tussen enerzijds [eiseres] en anderzijds gedaagden over deze factuur. Onder meer omdat er gegevens van de factuur zouden moeten worden aangepast voordat deze door ‘accounting’ zou kunnen worden betaald.
3.20.
[eiseres] heeft over de facturen onder meer contact gehad met een toen nog voor [gedaagde sub 1] werkzame medewerker. Deze medewerker heeft in dat kader onder meer het volgende aan [eiseres] bericht:
op 3 juni 2024:
“Accounting geeft aan dat de betaling is aangemaakt, dus ik neem aan dat dit binnen enkele dagen aangemaakt moet zijn”.
op 2 juli 2024:
“De betaling is gepland voor vrijdag, uiterlijk maandag.”
3.21.
Na april 2024 is de WKK niet meer aangesloten geweest op de netaansluiting op Perceel B.
3.22.
Op 19 augustus 2024 heeft [eiseres] € 67.313,50 exclusief btw en € 81.449,34 inclusief btw aan [gedaagde sub 2] gefactureerd met als beschrijving:
‘Elektra terugleveringen over de maanden februari, maart, april en 1 mei 2024. Inclusief verrekening noodvermogen, opbrengsten en transportkosten’.
3.23.
Voor elektriciteitslevering in de periode januari 2024 heeft [eiseres] op 27 maart 2025 € 54.000 exclusief btw en € 65.340,- inclusief btw aan [gedaagde sub 1] e/o [gedaagde sub 2] e/o [bedrijfsnaam 3] gefactureerd, met als omschrijving:
‘Elektra teruglevering over de maand januari 2024 Inclusief verrekening noodvermogen, opbrengsten en transportkosten’.
3.24.
Van de genoemde facturen van 10 mei 2024, 19 augustus 2024 en 27 maart 2025 is tot op heden niets aan [eiseres] betaald.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 240.890,11, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente en proceskosten.
4.2.
[eiseres] legt aan deze vordering – mede blijkens wat op de mondelinge behandeling is besproken – het volgende ten grondslag.
4.2.1.
In de jaren 2023 en 2024 heeft [eiseres] , met toestemming van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , via de aansluiting van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] op Perceel B met de WKK opgewekte elektriciteit geleverd op de onbalansmarkt. De energiebedrijven hebben de betalingen daarvoor op de bankrekeningen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voldaan. Op grond van de gemaakte afspraken moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de netto opbrengsten daarvan, zoals aan hen gefactureerd, betalen. Deze facturen belopen samen (€ 91.065,77 plus € 81.449,34 plus € 65.340,- is) € 237.855,11 (inclusief btw).
4.2.2.
[gedaagde sub 4] handelt als bestuurder van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiseres] door ‘het welbewust ertoe te leiden dat de door [eiseres] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geleverde elektriciteit niet aan [eiseres] wordt betaald’. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hebben onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld en zijn medeplegers van de jegens [eiseres] gepleegde oplichting als bedoeld in artikel 6:166 BW Pro, door de oplichting en welbewuste wanbetaling mogelijk te maken en dat willens en wetens uit te voeren.
4.2.3.
Gezien het voorgaande moeten gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag van de facturen, dus € 237.754,11, vermeerderd met € 3.035,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten.
4.3.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het volgende staat in deze procedure vast. [eiseres] heeft met de WKK opgewekte elektriciteit via de aansluiting op Perceel B aan het net geleverd, buiten de noodvermogen-pool om. Verder heeft [eiseres] elektriciteit afgenomen via de aansluiting op Perceel B op momenten dat de elektriciteitsprijs negatief was, eveneens buiten de noodvermogen-pool om. De energiebedrijven hebben daarvoor aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betaald. De centrale vraag in deze procedure is of – en zo ja in hoeverre – [eiseres] aanspraak heeft op betaling of vergoeding door gedaagden van de netto opbrengsten van deze elektriciteitsleveringen.
5.2.
[eiseres] baseert haar vordering op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op haar interpretatie van een met [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] gemaakte afspraak oftewel gesloten overeenkomst; gedaagden bestrijden die interpretatie. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
5.3.
[eiseres] en [gedaagde sub 1] zijn overeengekomen om de afspraken over gebruik van de netaansluiting op Perceel B voor de WKK, zoals neergelegd in de pachtovereenkomst, voort te zetten. De rechtbank neemt evenals partijen aan dat deze overeenkomst ook is gaan gelden in de relatie tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] , op basis van stilzwijgende overeenstemming. [eiseres] en gedaagden verschillen van mening over de vraag hoe deze afspraken moeten worden uitgelegd. Volgens [eiseres] moeten de afspraken zo worden verstaan dat [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] weliswaar aanspraak heeft op de helft van de netto-baten uit de noodvermogen-pool, maar niet op de baten van de elektriciteit die [eiseres] op de onbalansmarkt heeft geleverd. Partijen zijn immers niet overeengekomen om de inkomsten daarvan te delen, aldus nog steeds [eiseres] . Gedaagden betogen daarentegen dat [eiseres] op grond van de pachtovereenkomst uitsluitend elektriciteit voor de noodvermogen-pool heeft mogen leveren en dat [eiseres] dus wanprestatie heeft gepleegd. Volgens gedaagden zijn [gedaagde sub 1] (en later [gedaagde sub 2] ) door het produceren en leveren van elektriciteit buiten de noodvermogen-pool om financieel benadeeld, omdat zij daardoor inkomsten uit beschikbaarheidsvergoedingen zijn misgelopen, evenals inkomsten voor elektriciteitslevering op afroep tegen een relatief hoge prijs per kWh. Als [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] hiervoor wordt gecompenseerd, resteert er geen enkele vordering van [eiseres] meer, aldus nog steeds gedaagden.
5.4.
De afspraken over de WKK zoals neergelegd in de pachtovereenkomst hebben specifiek betrekking op elektriciteitsproductie gericht op de noodvermogen-markt. Dit heeft als achtergrond dat de pachtovereenkomst is gesloten – en het bepaalde daarin over de WKK is opgesteld – in een periode dat de kassen op Perceel A niet voor teelt werden gebruikt. In de pachtovereenkomst is echter ook niet neergelegd dat elektriciteitsproductie en -levering
uitsluitendvoor de noodvermogen-pool mocht worden gebruikt en gesteld noch gebleken is dat [eiseres] en [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] op een later moment (aanvullend op de schriftelijke pachtovereenkomst) hebben afgesproken dat elektriciteitsproductie voor de onbalansmarkt niet was toegestaan. De rechtbank is het daarom niet met gedaagden eens dat [eiseres] door het gewijzigde gebruik van de WKK wanprestatie heeft gepleegd.
5.5.
Het procesdossier bevat geen aanwijzingen dat bij het sluiten van de pachtovereenkomst, of ten tijde van de afspraak tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] om het bepaalde daarin over de WKK op dezelfde voet voort te zetten, bewust is stilgestaan bij de vraag hoe de opbrengsten uit de WKK moesten worden verdeeld als de kassen op Perceel A in gebruik zouden worden genomen, met als consequentie dat de WKK elektriciteit zou gaan leveren buiten de noodvermogen-pool om. Indien – zoals [eiseres] stelt, maar gedaagden weerspreken – een vertegenwoordigingsbevoegde medewerker van [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] later heeft ingestemd met het gewijzigde gebruik van de WKK, houdt die toestemming nog niet in dat alle netto-opbrengsten daarvan aan [eiseres] toekomen. Dat zou anders zijn als [eiseres] daarbij uitdrukkelijk aan [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] zou hebben voorgehouden dat dit zou leiden tot een flinke daling van de inkomsten uit de noodvermogen-pool, en dus tot een substantiële daling van de inkomsten voor [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] . Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] dit heeft gedaan.
5.6.
De conclusie luidt daarom dat er wat betreft de verdeling van opbrengsten uit energieleveranties met de WKK buiten de noodvermogen-pool om, een leemte is in de overeenkomst tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] anderzijds. De rechtbank zal deze leemte aanvullen op basis van de redelijkheid en billijkheid.
5.7.
Uit de tekst van de pachtovereenkomst en de in dit vonnis geciteerde e-mailcorrespondentie blijkt dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst hebben beoogd dat zij beiden financieel voordeel zouden hebben van het gebruik door de eigenaar van Perceel A ( [eiseres] ) van de aansluiting op Perceel B voor de WKK. Verder blijkt daaruit dat [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] daarbij primair is uitgegaan van gebruik van de WKK voor de noodvermogen-pool, wat naar het oordeel van de rechtbank voor [eiseres] duidelijk moet zijn geweest. Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van de rechtbank niet redelijk en billijk dat [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] in een financieel nadeliger positie geraakt door verminderde opbrengsten uit de noodvermogen-markt als gevolg van het gewijzigde gebruik van de WKK. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat het niet [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] maar [eiseres] is geweest die andersoortig voordeel heeft gehad van het gewijzigde gebruik (verwarming van de kassen), terwijl [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] daar haar elektriciteitsaansluiting voor ter beschikking heeft gesteld.
5.8.
Als de financiële consequenties voor [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] van verminderde deelname aan de noodvermogen-pool zijn ondervangen, acht de rechtbank het redelijk en billijk dat de (eventuele) resterende baten voor de elektriciteitsleveringen op de onbalansmarkt aan [eiseres] toekomen. De rechtbank neemt daarbij weer in aanmerking dat [eiseres] de kassen mogelijk op andere en voor haar financieel voordeliger wijze had kunnen verwarmen als zij had geweten dat de opbrengsten van leveringen op de onbalansmarkt steeds voor de helft naar [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] zouden gaan.
5.9.
[eiseres] heeft gesteld dat een of meer van de facturen zijn erkend. De rechtbank is het met [eiseres] eens dat de communicatie van (een medewerker van) [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] over betaling zonder dat betaling is gevolgd, onhandig is geweest en tot verwachtingen bij [eiseres] heeft geleid. Mede gezien vastgestelde leemte in de pachtovereenkomst en daarbij horende onduidelijkheid over de toepassing van de gemaakte afspraken in geval van gewijzigd gebruik van de WKK, merkt de rechtbank deze communicatie evenwel niet aan als een welbewuste en [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] bindende erkenning van de vorderingen.
5.10.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen die [eiseres] heeft op [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] als volgt berekenen. Eerst zal de rechtbank aan de hand van de beschikbare gegevens beoordelen wat de opbrengsten van de WKK zouden zijn geweest als deze in de relevante periode uitsluitend zou zijn gebruikt voor de noodvermogen-pool. In de fictieve situatie van uitsluitend gebruik van de WKK voor de noodvermogen-pool, zouden enerzijds [eiseres] en anderzijds [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] steeds ieder de helft van die opbrengsten hebben ontvangen. In de feitelijke situatie is de WKK niet uitsluitend gebruikt voor de onbalansmarkt, maar af en toe ook voor de noodvermogen-pool. [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] moeten daarmee worden gecompenseerd voor het verschil tussen wat zij zouden hebben ontvangen uit de noodvermogen-pool in de hiervoor beschreven fictieve situatie en wat zij daaruit daadwerkelijk hebben ontvangen. Dit verschil zal in de factuurbedragen worden verdisconteerd.
5.11.
[eiseres] heeft het volgende naar voor gebracht over de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] misgelopen noodvermogen-poolopbrengsten: [eiseres] heeft de kassen pas vanaf september 2023 in gebruik genomen voor teelt, zodat [gedaagde sub 1] pas vanaf september 2023 noodvermogen-poolinkomsten is misgelopen. Uitgaande van de gegevens over het gebruik van de WKK door [bedrijfsnaam 1] vanaf januari 2023, waren de opbrengsten van [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] bij deelname aan de noodvermogen-pool in de periode september 2023 tot en met april 2024 op zijn hoogst € 32.000 geweest, en dus gemiddeld € 4.000 per maand. Verder heeft [eiseres] aan de hand van de gegevens van een andere WKK-installatie laten berekenen dat met de WKK in de meest gunstige omstandigheden € 91.408 zou zijn gegeneerd uit de noodvermogen-pool in de periode september 2023 tot en met april 2024, dus € 45.704 per partij. Door de specifieke eigenschappen van deze (andere) WKK-installatie is dit laatste bedrag volgens [eiseres] hoger dan reëel.
5.12.
Gedaagden hebben in hun processtukken van na de mondelinge behandeling onder meer het volgende naar voren gebracht over door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] misgelopen noodvermogen-poolinkomsten: Als de WKK van juli 2023 tot en met april 2024 uitsluitend zou zijn gebruikt voor de noodvermogen-pool, zouden de totale opbrengsten daarvan verminderd met de gaskosten € 151.642 hebben bedragen. Dit bedrag zou na aftrek van het bedrag van € 67.944,59 aan transportkosten hebben geresulteerd in een bedrag van € 83.697,72. Dit zou enerzijds [eiseres] en anderzijds [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] ieder de helft en dus € 41.848,86 hebben opgeleverd. Gedaagden verwijzen daartoe naar een tabel van Tenergy, en door gedaagden ingeschakelde deskundige, die de rechtbank hierna weergeeft:
5.13.
De rechtbank overweegt hierover allereerst als volgt. Uit deze tabel blijkt dat het eerdergenoemde bedrag van € 151.642,31 de maximale omzet is die in de periode van juli 2023 tot en met april 2024 met de WKK had kunnen worden behaald
in de situatie dat steeds per dag optimaal was gekozen voor aanwending voor de noodvermogen-pool dan wel de onbalansmarkt. In deze tabel wordt immers mede uitgegaan van een aantal dagen gebruik van de WKK voor de onbalansmarkt (zie kolom ‘Aantal dagen WKK draaien op de APX’) met bijbehorende omzet (zie kolom ‘Winst WKK draaien op APX'). Het door Tenergy berekende bedrag van € 151.642 moet daarmee hoger zijn dan de omzet die zou zijn behaald als de WKK uitsluitend voor de noodvermogen-markt was gebruikt. Uit de tabel van Tenergy blijkt verder dat het bedrag van € 151.642 voor € 112.159 bestaat uit opbrengsten die in dat geval zouden zijn gegenereerd uit ‘Noodvermogen-opbrengst WKK’. Hiervan uitgaande zouden de opbrengsten van de WKK bij uitsluitend gebruik voor de noodvermogen-pool in de periode van juli 2023 tot en met april 2024, vermoedelijk hoger zijn geweest dan € 112.159, maar lager dan € 151.642.
5.14.
Verder heeft [eiseres] gesteld, en hebben gedaagden niet gemotiveerd weersproken, dat [eiseres] de kassen op Perceel A pas per september 2023 is gaan gebruiken voor het verwarmen van de kassen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er tot september 2023 géén noodvermogen-poolinkomsten zijn gemist. Uit de tabel van Tenergy blijkt dat het bedrag van € 112.159 voor € 4.453 respectievelijk € 1.968 is opgebouwd uit noodvermogen-opbrengst in respectievelijk juli en augustus 2023, en dus voor (€ 112.159 minus € 4.453 minus € 1.968 is) € 105.718 bestaat uit door Tenergy berekende noodvermogen-opbrengst van de WKK in de maanden september 2023 tot en met april 2024 bij optimaal gebruik van de WKK.
5.15.
Gedaagden zijn uitgegaan van de volgende transportkosten: Voor september 2023 € 5.047,28, voor oktober 2023 € 6.017,67, voor november 2023 € 5.074,06, voor december 2023 € 6.999,58, voor januari 2024 € 7.000,-, voor februari 2024 € 7.922,80, voor maart 2024 € 8.160,39 en voor april 2024 € 8.317,29. Dit komt op in totaal € 54.439,07. Met uitzondering van de transportkosten voor januari 2024, die gedaagden hebben geschat, zijn dit de daadwerkelijke transportkosten zoals die blijken uit productie 9 bij dagvaarding. [eiseres] heeft geen verweer gevoerd tegen de geschatte transportkosten. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid daarvan.
5.16.
Uitgaande van de gegevens in de tabel van Tenergy en deze transportkosten, zouden in de situatie van optimaal gebruik van de WKK, de noodvermogen-opbrengsten verminderd met de transportkosten in de periode september 2023 tot en met april 2024 (€ 105.718 minus € 54.439,07 is) € 51.178,93 zijn geweest, waarvan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] samen € 25.589,46 zouden hebben ontvangen. Uitgaande van de tabel van Tenergy is de WKK in die situatie dan ook nog deels voor de onbalansmarkt gebruikt, namelijk in totaal (11 plus 1 plus 3 plus 2 plus 12 dagen is) 29 dagen. Het ligt in de rede dat die dagen tot enige extra opbrengst zouden hebben geleid uit de noodvermogen-markt als de WKK daarvoor ook op die dagen was gebruikt. Daarvan uitgaande zouden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] samen een wat hoger bedrag dan € 25.589,46 hebben ontvangen als de WKK uitsluitend voor de noodvermogen-pool was gebruikt.
5.17.
Dit is aardig in lijn met het door [eiseres] berekende maximumbedrag aan opbrengsten van € 32.000,- op basis van de inkomsten uit de noodvermogen-pool toen [bedrijfsnaam 1] nog eigenaar van Perceel A was. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] samen € 32.000 aan noodvermogen-poolinkomsten zouden hebben verkregen als de WKK uitsluitend voor die pool zou zijn gebruikt. Uitgaande van de verdeling van de verdiensten over de maanden in de tabel van Tenergy en van de maandelijkse transportkosten, zou van die € 32.000 circa 57% (door de rechtbank gesteld op € 18.240) zijn gerealiseerd in 2023, dus door [gedaagde sub 1] , en circa 43% (door de rechtbank gesteld op € 13.760) in 2024, dus door [gedaagde sub 2] . De rechtbank gaat hierna in op wat dit betekent voor de vorderingen van [eiseres] op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
De factuur van 10 mei 2024 van € 75.260,97 ex btw, € 91.065,77 incl. btw
5.18.
De factuur van 10 mei 2024 is aan [gedaagde sub 1] gestuurd en heeft betrekking op elektriciteitsleveranties buiten de noodvermogen-pool om in de periode 14 juli tot en met 31 december 2023. Zoals hiervoor overwogen, neemt de rechtbank aan dat [gedaagde sub 1] tot september 2023 geen inkomsten uit de noodvermogen-pool heeft gemist, en dat [gedaagde sub 1] in de periode september tot en met december 2023 € 18.240 uit de noodvermogen-pool zou hebben ontvangen als de WKK uitsluitend daarvoor zou zijn gebruikt.
5.19.
In haar akte na de mondelinge behandeling heeft [eiseres] onweersproken gesteld dat de daadwerkelijke maandelijkse totale inkomsten uit de noodvermogen-pool vanaf september tot en met december 2023 als volgt zijn geweest: in september 2023 € 1.959,34, in oktober 2023 € 1.191,98, in november 2023 € 221,76 en in december 2023 € 372,86, dus in totaal € 3.745,94. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [bedrijfsnaam 2] de helft daarvan aan [gedaagde sub 1] heeft betaald, dus € 1.872,97. Het bedrag aan gemiste noodvermogen-poolinkomsten waarvoor [gedaagde sub 1] moet worden gecompenseerd, is daarmee (€ 18.240 minus € 1.872,97 is) € 16.367,03. Dit bedrag strekt daarom op het door [eiseres] aan [gedaagde sub 1] gefactureerde bedrag in mindering (exclusief btw). [eiseres] heeft daarmee aanspraak op betaling van de factuur van 10 mei 2024 voor een bedrag van (€ 75.260,97 minus € 16.367,03) is € 58.893,94 exclusief btw, komend op € 71.261,67 inclusief btw.
De factuur van 27 maart 2025 van € 54.000 exclusief btw, € 65.340 inclusief btw
5.20.
De factuur van 27 maart 2025 heeft betrekking op de maand januari 2024. Partijen zijn het eens dat de netaansluiting op Perceel B per 2024 op naam van [gedaagde sub 2] is gezet en dat er – door een fout van een medewerker van [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 2] – geen energiecontract is afgesloten voor de maand januari 2024. [eiseres] heeft terecht gesteld dat [gedaagde sub 2] voor deze maand ofwel alsnog betaling voor elektriciteitsleveranties zal kunnen verkrijgen, ofwel het voor haar rekening en risico komt als dat niet zo is. Gedaagden hebben daarentegen terecht erop gewezen dat de factuur voor januari 2024 niet met cijfers is onderbouwd en dat het bedrag aan opbrengsten voor deze maand buitensporig hoog is ten opzichte van alle andere maanden waarin elektriciteit met de WKK is geleverd voor de onbalansmarkt. Dit alles in aanmerking nemend schat de rechtbank de opbrengsten uit de onbalansmarkt over januari 2024 op de gemiddelde maandopbrengst daaruit in de periode februari tot en met april 2024, en dus op (een derde van € 67.313,50 is) € 22.437,83 exclusief btw.
5.21.
Uitgaande van de tabel van Tenergy zou de WKK in januari € 21.272 hebben opgeleverd als deze uitsluitend voor de noodvermogen-markt zou zijn gebruikt. Als dit bedrag wordt verminderd met de geschatte transportkosten van € 7.000,- komt dat op € 14.272. De helft daarvan, dus € 7.136,-, zou aan [gedaagde sub 2] zijn toegekomen. In haar akte na de mondelinge behandeling heeft [eiseres] onweersproken gesteld dat de daadwerkelijke maandelijkse totale inkomsten uit de noodvermogen-pool in januari 2024 € 809,42 waren, waarvan de helft aan [gedaagde sub 2] zou zijn toegekomen, dus € 404,71. Het bedrag aan gemiste noodvermogen-poolinkomsten in januari 2024 waarvoor [gedaagde sub 2] moet worden gecompenseerd, berekent de rechtbank daarom op (€ 7.136 minus € 404,71 is) € 6.731,29. [eiseres] heeft daarom aanspraak op betaling van de factuur van 27 maart 2025 door [gedaagde sub 2] tot een bedrag van (€ 22.437,83 minus € 6.731,29) € 15.706,54 exclusief btw, komend op € 19.004,91 inclusief btw.
De factuur van 19 augustus 2024 van € 67.313,50 exclusief btw, € 81.449,34 inclusief btw
5.22.
De factuur van 19 augustus 2024 heeft betrekking op de maanden februari tot en met april 2024.
5.23.
Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] samen in totaal € 32.000 aan inkomsten uit de noodvermogen-pool hadden verkregen in de periode september 2023 tot en met april 2024, als de WKK uitsluitend daarvoor zou zijn aangewend, dat daarvan € 18.240 zou zijn gerealiseerd in 2023, dus door [gedaagde sub 1] , en € 13.760 in 2024, dus door [gedaagde sub 2] . Uit wat hiervoor is overwogen volgt verder dat van het bedrag van € 13.760, een bedrag van € 7.136 zou zijn gerealiseerd in januari 2024. Daarmee zou het resterende bedrag van (€ 13.760 minus € 7.136 is) € 6.624 zijn gerealiseerd in de maanden februari tot en met april 2024.
5.24.
[eiseres] heeft onweersproken gesteld dat in de feitelijke situatie in de maanden februari tot en met april 2024 (€ 674,28 plus € 927,80 plus € 190,02) is € 1.792,10 is gerealiseerd uit de noodvermogen-pool, en dat de helft daarvan door [bedrijfsnaam 2] aan [gedaagde sub 2] is betaald, dus € 896,05. Daarmee moet [gedaagde sub 2] over deze maanden worden gecompenseerd voor (€ 6.624 minus € 896,05 is) € 5.727,95. Dit bedrag strekt daarom op het factuurbedrag van € 67.313,50 exclusief btw in mindering. [eiseres] heeft daarom aanspraak op betaling van de factuur van 19 augustus 2024 tot een bedrag van (€ 67.313,50 minus € 5.727,95 is) € 61.585,72 exclusief btw, inclusief btw komend op € 74.518,72.
Conclusie
5.25.
Gezien het voorgaande zal [gedaagde sub 1] worden veroordeeld tot betaling van € 71.261,67 aan hoofdsom aan [eiseres] , te vermeerderen met de niet afzonderlijk weersproken rentevordering. [gedaagde sub 2] zal worden veroordeeld om in totaal (€ 19.004,91 plus € 74.518,72 is) € 93.523,63 aan hoofdsom aan [eiseres] te voldoen, te vermeerderen met de niet afzonderlijk weersproken rentevordering.
5.26.
Er is geen rechtsgrond om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de factuurbedragen die zij afzonderlijk zijn verschuldigd. In zoverre wordt het gevorderde afgewezen.
5.27.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het geschil over de betaling van de facturen is voortgevloeid uit een daadwerkelijk verschil van mening over de uitleg van de gemaakte afspraken. Het procesdossier bevat geen aanknopingspunten dat sprake is geweest van oplichting of welbewuste betaalfrustratie. De vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden daarom afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.28.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op of na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt verder vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal daarom [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in overeenstemming met het wettelijke tarief. Aldus zal de rechtbank [gedaagde sub 1] veroordelen tot vergoeding van € 1.487,62 en [gedaagde sub 2] tot vergoeding van € 1.710,24 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met gevorderde wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.
Proceskosten
5.29.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen, als in deze procedure merendeels in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de beslagkosten die zijn gemaakt voor de vorderingen op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Daarbij zal de rechtbank de proceskosten begroten op basis van het liquidatietarief van het toegewezen bedrag. De proceskosten van [eiseres] worden aldus begroot op:
- dagvaardingskosten € 238,80 (2 x € 119,40)
- verdere exploten € 870,18 (2 x € 85,68 + € 156,77 + € 294,17 + € 247,88)
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat € 8.204,00 (4 punt x € 2.051 à tarief V)
- nakosten
€ 189,00(met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging)
totaal: € 16.362,98.
5.30.
[eiseres] zal, als de ten opzichte van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] in het ongestelde partij, in de proceskosten van deze gedaagden worden veroordeeld. De rechtbank gaat daarbij uit van 2 punten liquidatietarief, omdat de akten van na de mondelinge behandeling niet specifiek betrekking hebben op de vorderingen op [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] . De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden aldus begroot op:
- griffierecht € 3.430,50 (50% van € 6.861)
- salaris advocaat € 2.885,00 (50% van 2 punt x € 2.885 à tarief VI)
- nakosten
€ 189,00(met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging)
- totaal: € 6.504,50.
5.31.
De over deze proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing opgenomen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres] van € 71.261,67 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vanaf 9 juni 2024 tot de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling aan [eiseres] van € 93.523,63 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119a BW over € 74.518,72 vanaf 18 september 2024 en over € 19.004,91 vanaf 2 april 2025, telkens tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres] van € 1.487,62 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro vanaf 9 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.4.
veroordeelt Trio Solartot betaling aan [eiseres] van aan € 1.710,24 buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro van 9 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten van [eiseres] van
€ 16.362,98 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen
met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan deze
proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] van € 6.504,50 te
betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de
kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en
het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 6:119 BW Pro over deze proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na
aanschrijving zijn betaald;
6.8.
verklaart de veroordelingen onder 6.1 tot en met 6.7 uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken op
4 maart 2026.
1769