Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5915

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
11706528 \ RL EXPL 25-9195
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:900 BWArt. 7:904 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot vernietiging bindend advies Geschillencommissie Voertuigen over schadeverleden auto

Eiser kocht op 1 mei 2023 een Audi A3 Sportback van Wittebrug, die op 27 mei 2023 werd geleverd. Kort daarna klaagde eiser over vermoedelijk schadeverleden, windgeruis en waterlekkage. Na een onderzoek door een deskundige van de Geschillencommissie Voertuigen werd vastgesteld dat de auto in 2021 schade had gehad, die vakkundig was hersteld. De Geschillencommissie verklaarde de klacht ongegrond en oordeelde dat er geen mededelingsplicht bestond vanwege de geringe schade.

Eiser vorderde vernietiging van het bindend advies wegens ondeugdelijke inhoud, motivatie en wijze van totstandkoming, stellende dat hij bij aankoop naar het schadeverleden had gevraagd en onjuist was geïnformeerd. Wittebrug betwistte dit en stelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het beginsel van hoor en wederhoor was nageleefd.

De rechtbank oordeelde dat het bindend advies een vaststellingsovereenkomst is en vernietiging slechts mogelijk is bij ernstige gebreken. Het onderzoek was deskundig en zorgvuldig, en eiser had voldoende gelegenheid tot reactie. De rechtbank vond geen ernstige gebreken in de totstandkoming of motivering van het advies. De stelling dat eiser bij aankoop had geïnformeerd werd onvoldoende onderbouwd, waardoor de Geschillencommissie terecht oordeelde dat geen mededelingsplicht bestond.

De rechtbank bevestigde dat de Geschillencommissie de juiste toets hanteerde, waarbij geringe schade een uitzondering vormt op de mededelingsplicht. De vordering tot vernietiging werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging van het bindend advies af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
SJ/bc
Zaaknummer: 11706528 \ RL EXPL 25-9195
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. M.T. Somohardjo,
tegen
WITTEBRUG B.V.,
te 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Wittebrug,
gemachtigde: mr. C.A. Nagel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 mei 2025 met 10 producties,
- de conclusie van antwoord van 17 juli 2025 met 4 producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 12 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] heeft op 1 mei 2023 een Audi A3 Sportback (hierna: de auto) van Wittebrug gekocht. Op 27 mei 2023 is de auto aan hem geleverd.
2.2.
Op 6 juni 2023 heeft [eisende partij] voor het eerst geklaagd over de auto. In een mail aan Wittebrug gaf hij aan een vermoeden te hebben dat er een schadeverleden was en vroeg hij om een schriftelijke bevestiging dat de auto geen schadeverleden heeft gehad.
2.3.
Op 27 juni 2023 stuurt [eisende partij] wederom een mail aan Wittebrug waarin hij schrijft dat een derde heeft vastgesteld dat het rechter voorportier een schadeverleden heeft. In de mail geeft hij aan dat hij het belangrijk vindt dat de verkoper schade vermeldt en dat hij er ook vanuit gaat dat dat in principe gebeurt als er van reparatie sprake is geweest.
2.4.
Vervolgens ontstaat er in augustus 2023 en daarna weer in april 2024 een discussie tussen partijen over vernietiging van de koopovereenkomst, dan wel financiële compensatie van [eisende partij] .
2.5.
Omdat partijen er niet uitkomen, dient [eisende partij] een klacht in bij de Geschillencommissie Voertuigen (de Geschillencommissie). Hij geeft daarbij aan dat hij van mening is een voertuig te hebben gekocht met een schadeverleden, wat hem bij de koop niet is verteld. Ook ervaart hij windgeruis tijdens het rijden en is er waterlekkage.
2.6.
Op 11 december 2024 voert de heer ing. [naam] voor de Geschillencommissie een onderzoek uit aan de auto. Na de afronding daarvan maakt hij een rapport op.
2.7.
In het rapport stelt de heer [naam] vast dat de auto in 2021 schade heeft gehad die op 5 november 2021 voor € 3.247,36 is gerepareerd. De heer [naam] concludeert uit eigen onderzoek dat er spuitwerkzaamheden aan het rechter voorportier zijn uitgevoerd en dat alle portierrubbers van het rechter voorportier zijn vervangen en de rubbers goed afdichten. De deskundige concludeert dat dit beide naar goed vakmanschap is uitgevoerd. Tijdens de proefrit constateerde hij bovendien geen abnormaal windgeruis en hij heeft geen lekkagesporen van vocht kunnen ontdekken.
2.8.
[eisende partij] en Wittebrug zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het rapport. [eisende partij] heeft hier tweemaal gebruik van gemaakt.
2.9.
Op 17 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de Geschillencommissie. Partijen hebben toen beide hun standpunten toegelicht.
2.10.
Op 18 maart 2025 heeft de Geschillencommissie een bindend advies gegeven, waarin de klacht van [eisende partij] ongegrond is verklaard. De Geschillencommissie overweegt onder andere dat de verkoper van een auto een mededelingsplicht heeft over het schadeverleden van de auto, maar dat dit anders is als er sprake is van slechts geringe schade. De Geschillencommissie stelt vast dat de schade aan de auto gering was en naar goed vakmanschap is gerepareerd. Bovendien is niet komen vast te staan dat [eisende partij] bij de aankoop heeft geïnformeerd naar een mogelijk schadeverleden. Daarom bestond er volgens de Geschillencommissie geen mededelingsplicht van Wittebrug over het schadeverleden. Ook is er volgens de Geschillencommissie geen sprake van non-conformiteit.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - vernietiging, dan wel onverbindend verklaring, van het bindend advies van de Geschillencommissie.
3.2.
[eisende partij] legt hieraan ten grondslag dat het advies evident onjuist is vanwege de ondeugdelijkheid van de inhoud, de motivatie en de wijze van totstandkoming daarvan. De gebondenheid aan het advies is voor [eisende partij] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De Geschillencommissie heeft de beslissing in grote mate laten afhangen van het oordeel dat er sprake is van geringe schade en dat daarom de mededelingsplicht voor Wittebrug niet gold. Dit is volgens [eisende partij] in strijd met de wet, die geen uitzonderingen kent op de mededelingsplicht. Bovendien heeft hij bij aankoop gevraagd naar het schadeverleden, waarop door Wittebrug ontkennend is geantwoord, terwijl vaststaat dat er voor aankoop door [eisende partij] schade is geweest aan de auto. Ook heeft de heer [naam] het onderzoek naar de auto op onzorgvuldige wijze uitgevoerd, waardoor het oordeel van de Geschillencommissie op onjuiste en onvolledige bevindingen is gebaseerd.
3.3.
Wittebrug concludeert tot afwijzing van de vordering van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. Wittebrug betwist dat [eisende partij] bij aankoop heeft gevraagd naar het schadeverleden van de auto. Ook voert Wittebrug aan dat [naam] de auto deugdelijk heeft onderzocht en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om zich over diens rapport uit te laten. Tijdens de mondelinge behandeling konden zij hun standpunten ook nog toelichten, waardoor is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Tot slot heeft de Geschillencommissie op logische en navolgbare wijze gemotiveerd waarom de klacht van [eisende partij] ongegrond is verklaard.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het bindend advies van de Geschillencommissie is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro. [eisende partij] vordert vernietiging daarvan op grond van artikel 7:904 lid 1 BW Pro. Vernietiging kan alleen als gebondenheid van [eisende partij] aan het bindend advies in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit betekent dat er uitsluitend in het geval van ernstige gebreken in de inhoud of wijze van totstandkoming van het advies, er ruimte is voor vernietiging. [1]
Totstandkoming advies
4.2.
De deskundigheid van [naam] staat tussen partijen niet ter discussie. [naam] heeft de auto fysiek onderzocht op basis van de klachten van [eisende partij] , namelijk het schadeverleden aan het rechter voorportier en de windgeruis- en lekkageklachten. Dit blijkt ook uit zijn rapport. [eisende partij] was bovendien aanwezig bij het onderzoek. Ook is [eisende partij] na ontvangst van het rapport in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Daar heeft hij tweemaal gebruik van gemaakt. Vervolgens heeft hij bij de Geschillencommissie ook nog mondeling zijn standpunten toegelicht. Hieruit blijkt dat is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor.
4.3.
Onduidelijk is waarom het voor de beoordeling van zijn klachten over het rechter voorportier, het windgeruis en de lekkage van belang was dat [naam] ook nog onderzoek had gedaan aan de onderkant van de auto en het chassis en de foto’s van de reparatie uit 2021 had opgevraagd. Dat dit een volledig beeld had gegeven van de auto is irrelevant voor de opdracht die [naam] had of voor de beoordeling van de Geschillencommissie, nu de klacht van [eisende partij] specifiek was geformuleerd.
4.4.
Dat [eisende partij] het niet eens is met de bevindingen van de heer [naam] betekent tot slot niet dat het door de heer [naam] uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig is of dat de totstandkoming van het advies ondeugdelijk is.
4.5.
De kantonrechter oordeelt op basis van bovenstaande dat er geen sprake is van ernstige gebreken in de totstandkoming van het bindend advies.
Motivering advies
4.6.
[eisende partij] meent dat de Geschillencommissie het advies onzorgvuldig heeft gemotiveerd omdat is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [eisende partij] bij de aankoop van de auto heeft geïnformeerd naar een mogelijk schadeverleden.
4.7.
[eisende partij] heeft gesteld dat hij bij aankoop van de auto aan Wittebrug heeft gevraagd de auto een schadeverleden had en dat Wittebrug daarop ontkennend heeft geantwoord. Wittebrug heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken door onder andere te verwijzen naar de e-mails die [eisende partij] op 19 en 27 juni 2023 aan Wittebrug heeft gestuurd. Daarin geeft [eisende partij] aan dat hij de auto heeft laten nakijken door een kennis van hem en vervolgens ook nog door een autobedrijf, die beide concluderen dat er schade is geweest aan het rechter voorportier. In die mails staat niets over enige onjuiste inlichting daarover van Wittebrug tijdens de aankoop. Wel staat onder andere het volgende in die e-mails.
In de mail van 19 juni 2023:

Als de auto geen schadeverleden heeft verneem ik dit graag ook schriftelijk van u, ook als u het niet weet, graag mededelen, dank u.”
en:
“Ons [sic] wens is om de overeenkomst te vernietigen, en teruggave van het totale bedrag, wij beroepen ons op dwaling, tenzij u ons schriftelijk garandeert dat de auto geen schadeverleden kent.”
In de mail van 27 juni 2023:

In ons ogen is elk vorm van schade, gewoon schade. Het allerbelangrijkste wat wij vinden is dat de verkoper toch vermeldt, dat er iets is gerepareerd, al helemaal iets als een portier.
en:

Wij gaan uit van het principe van vermelden door de verkoper, dat er wel van reparatie sprake is geweest. Dan hadden wij verder onderzoek kunnen doen, en eventueel een expert meegebracht om te beoordelen of het een verstandige koop is.”
en :

Desondanks voelen wij ons benadeeld en zijn we gefrustreerd aangezien het om relatief veel geld gat en je gewoon verwacht dat er reparaties gemeld worden.
4.8.
In bovenstaande correspondentie noemt [eisende partij] dus alleen de volgens hem bestaande mededelingsplicht aan de zijde van Wittebrug. Hij heeft het niet over de vragen die hij aan Wittebrug gesteld zou hebben over het schadeverleden, waarop volgens hem ontkennend geantwoord zou zijn. Wittebrug meent dat als de verkoper tijdens het aankoopproces had “gelogen” over het schadeverleden, [eisende partij] daarover wel zijn beklag had gedaan in deze e-mails. Gezien deze gemotiveerde betwisting van Wittebrug dat [eisende partij] bij aankoop heeft gevraagd naar het schadeverleden van de auto, had het op de weg gelegen van [eisende partij] om in de procedure bij de Geschillencommissie te bewijzen dat hij hier wel naar heeft gevraagd. Hij heeft dit nagelaten, waardoor de Geschillencommissie terecht heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [eisende partij] heeft geïnformeerd naar een mogelijk schadeverleden.
Inhoud advies
4.9.
De kantonrechter kan [eisende partij] niet volgen in zijn standpunt dat de Geschillencommissie een onjuiste toets heeft toegepast, omdat de wet niet zou spreken van uitzonderingsgevallen op de mededelingsplicht van de verkoper.
4.10.
De Geschillencommissie heeft het volgende overwogen ten aanzien van de mededelingsplicht van Wittebrug over het schadeverleden van de auto:

De omstandigheid dat een auto een schadeverleden heeft behoort naar het oordeel van de commissie in beginsel tot de feiten die een verkoper van een auto bij verkoop moet mededelen aan de koper. Een schadeverleden kan van relevante (en wellicht zelfs doorslaggevende) betekenis zijn bij de onderhandelingen over de aankoop van een occasion. Door geen mededeling te doen over de omstandigheid dat de aangeboden auto na een schade was hersteld, onthoudt de verkoper de belangstellende koper de mogelijkheid om vanwege het schadeverleden af te zien van aankoop of zelf een (nader) onderzoek te verrichten naar de staat van de aangeboden auto en eventueel daarmee samenhangende risico’s. Op dit punt kan ander geoordeeld worden wanneer sprake is van slechts geringe schade. Dat laatste doet zich in dit geval voor.
De schade is naar het oordeel van de deskundige naar goed vakmanschap is gerepareerd en er naar het oordeel van de deskundige absoluut geen sprake is van schade aan het chassis. Ook is niet komen vast te staan dat de consument heeft geïnformeerd naar een mogelijk schadeverleden. In dit licht bestond er naar het oordeel van de commissie geen mededelingsplicht van de ondernemer over het schadeverleden.
4.11.
In een uitspraak van 24 oktober 2017 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat de omstandigheid dat een auto een schadeverleden heeft, in beginsel behoort tot de feiten die een verkoper bij verkoop moet mededelen aan de koper, maar dat op dit punt anders geoordeeld kan worden wanneer het slechts een geringe schade betreft. [2]
4.12.
De Geschillencommissie heeft dus de juiste inhoudelijke toets toegepast en dit opgenomen in de beslissing, waardoor de inhoud geen gebreken kent.
Conclusie
4.13.
Van een ernstig gebrek in de besluitvorming van de Geschillencommissie is op basis van bovenstaande geen sprake, waardoor gebondenheid van [eisende partij] aan die beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Dat betekent dat de beslissing in het bindend advies niet zal worden vernietigd. Partijen blijven daaraan dus gebonden en de vordering van [eisende partij] wordt afgewezen.
Proceskosten
4.14.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wittebrug worden begroot op:
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
677,00
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 677, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3585, r.o. 3.3.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4624.