Verzoeker, geboren in Gaza in 1993, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van zijn staatloosheid. Hij bezit een Palestijns paspoortkopie, een tweetalige Arabisch-Hebreeuwse identiteitskaart en een geboortecertificaat van de Palestijnse missie in Nederland. Verzoeker heeft een asielvergunning ontvangen op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank baseert haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023). Verzoeker woont in Nederland en heeft een onmiddellijk belang bij het verzoek. De rechtbank onderzoekt of verzoeker als onderdaan wordt beschouwd door de Palestijnse Gebieden of Turkije.
De rechtbank concludeert dat verzoeker Palestijns is van afkomst en in Gaza is geboren, maar Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor verzoeker als staatloos wordt beschouwd. Daarnaast is niet aannemelijk dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft verkregen, omdat hij niet aan de vereiste verblijfsduur voldoet.
Op basis hiervan stelt de rechtbank de staatloosheid van verzoeker vast en wijst het verzoek toe.