Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5938

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/09/680214 / FA RK 25-1092
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 sub a Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 10:95 lid 1 Burgerlijk WetboekArt. 10:95 lid 3 juncto lid 4 Burgerlijk WetboekArt. 1:204 lid 3 Burgerlijk WetboekArt. 1:253c lid 1 en lid 2 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning, gezag en zorgregeling minderjarige

De vader verzoekt de rechtbank om vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind, omdat de moeder haar toestemming weigert. De rechtbank stelt vast dat de vader de Surinaamse nationaliteit heeft en de moeder de Nederlandse, waardoor Surinaams recht op erkenning en Nederlands recht op toestemming van toepassing zijn. De rechtbank wijst het verzoek toe omdat erkenning niet in strijd is met de belangen van het kind of de moeder.

Daarnaast verzoekt de vader gezamenlijk gezag over de minderjarige toe te wijzen. Ondanks verstoorde communicatie tussen ouders, oordeelt de rechtbank dat gezamenlijk gezag in het belang van het kind is en wijst het verzoek toe, met een termijn voor registratie van de erkenning bij de gemeente. De ouders worden verwezen naar een traject Ouderschapsbemiddeling om hun communicatie te verbeteren.

Ten slotte stelt de rechtbank een zorgregeling vast waarbij de minderjarige stapsgewijs meer contact en overnachtingen bij de vader krijgt, met wekelijkse contactmomenten op woensdag en zaterdag. De rechtbank benadrukt het belang van regelmatige communicatie tussen ouders over het kind en dringt aan op naleving van de regeling in het belang van het kind. De proceskosten worden aangehouden tot de eindbeslissing over het gezag.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning, wijst gezamenlijk gezag toe en stelt een zorgregeling met stapsgewijze uitbreiding vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1092
Zaaknummer: C/09/680214
Datum beschikking: 17 februari 2026
Vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 14 januari 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de man, hierna: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Leenders in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kievit in Breda,
en ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning:
de minderjarige
[de minderjarige](hierna: [de minderjarige] )
,geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Sanden, advocaat in ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van 8 april 2025 is de bijzondere curator benoemd over [de minderjarige] en is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot 1 juni 2025.
De rechtbank heeft (opnieuw) kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de vader, met bijlagen;
  • het bericht van de vader van 13 maart 2025;
  • het bericht van de vader van 17 maart 2025, met bijlage;
  • het verslag van de bijzondere curator van 29 april 2025, met bijlagen;
  • het bericht van de moeder van 6 juni 2025;
  • het verweerschrift van de moeder van 8 januari 2026.
Op 20 januari is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben twee maanden een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • [de minderjarige] is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] door de vader.
  • Volgens uittreksels uit de Basisregistratie Personen heeft de vader de Surinaamse nationaliteit en hebben de moeder en [de minderjarige] de Nederlandse nationaliteit.
  • De ouders zijn in kort geding op 9 oktober 2024 bij deze rechtbank ter beëindiging van hun geschil, voor zover hier relevant, een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] overeengekomen.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, zoals dat na verduidelijking op de zitting nu luidt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
  • de toestemming van de moeder door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de vader kan overgaan tot erkenning van [de minderjarige] ;
  • te bepalen dat de vader belast wordt met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;
  • te bepalen dat er een zorgregeling wordt vastgesteld, waarbij [de minderjarige] bij de vader is:
  • iedere week op woensdag van 17.00 uur tot 19.00;
  • de ene week op zaterdag van 15.00 uur tot 17.00 uur;
  • de andere week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 16.00 uur.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, kosten rechtens.
De bijzondere curator adviseert om het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [de minderjarige] toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 lid 1 sub a van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op het verzoek.
Op grond van artikel 10:95 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vraag of erkenning door een vader familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de vader en de voorwaarden voor de erkenning, in beginsel bepaald door het recht van de staat waarvan de vader de nationaliteit bezit. De vader heeft de Surinaamse nationaliteit. Ongeacht of het Oude Surinaamse Burgerlijk Wetboek of het Nieuwe Suriname Burgerlijk van toepassing is, is erkenning van [de minderjarige] door de vader naar Surinaams recht mogelijk, zodat Surinaams recht zal worden toegepast op de erkenning.
Op grond van artikel 10:95 lid 3 juncto Pro lid 4 BW wordt de vraag of de moeder toestemming moet geven voor de erkenning in beginsel bepaald door het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit heeft. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit, zodat Nederlands recht zal worden toegepast op de toestemming. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt ook of bij gebrek aan toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW Pro is dit naar Nederlands recht mogelijk.
Inhoudelijke beoordeling
Tussen de vader en de moeder staat vast dat de vader de verwekker is van [de minderjarige] . Naar zwel oud als nieuw Surinaams recht is de vader in dat geval bevoegd om [de minderjarige] te erkennen.
Voor deze erkenning heeft de vader naar Nederlands recht de toestemming van de moeder nodig, die – zoals hiervoor al is aangeven – door toestemming van de rechtbank kan worden vervangen. De rechtbank geeft deze toestemming onder meer als de vader de verwekker is, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt.
De vader, de moeder en de bijzondere curator zijn het erover eens dat de vader [de minderjarige] moet erkennen. De vader en de moeder zijn het er echter niet over eens dat de vader mede met het gezag over [de minderjarige] wordt belast, wat daarmee in beginsel van rechtswege samenhangt als de vader en de moeder de erkenning van [de minderjarige] samen regelen bij de gemeente. De vader heeft dus belang bij zijn verzoek om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen. Gelet op het voorgaande en omdat er geen sprake van is dat de erkenning een belemmering zal zijn voor de ongestoorde verhouding van de moeder met [de minderjarige] of de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] , zal de rechtbank het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen toewijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure daarom als beëindigd.
Gezamenlijk gezag
Rechtsmacht en toepasslijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot gezamenlijk gezag.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wil dat beide ouders worden belast met het gezag over [de minderjarige] , omdat dit in het belang van [de minderjarige] is. Volgens de vader zijn er geen contra-indicaties om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten. De relatiebreuk van de ouders mag geen belemmering zijn voor het nemen van gezagsbeslissingen over [de minderjarige] . De vader wil evenveel zeggenschap en beslisbevoegdheid over [de minderjarige] hebben als de moeder. Het is niet de bedoeling van de vader om de moeder dwars te zitten.
De moeder is van mening dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. De ouders hebben slechts kort een relatie met elkaar gehad, die is verbroken voor de geboorte van [de minderjarige] . De ouders hebben daardoor nooit gesproken over de invulling van het ouderschap. Ook is de onderlinge communicatie tussen de ouders verstoord. De ouders zijn daarom op dit moment niet in staat om gezamenlijk belangrijke gezagsbeslissingen te nemen over [de minderjarige] . Het is eerst noodzakelijk dat de ouders elkaar beter leren kennen en werken aan hun onderlinge communicatie. Verder vindt de moeder dat de vader te weinig interesse toont in [de minderjarige] , de gemaakte afspraken onvoldoende nakomt en op basis van de huidige regeling onvoldoende betrokken is in het leven van [de minderjarige] om weloverwogen gezagsbeslissingen over hem te kunnen nemen.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform lid 2 van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders samen het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen. Hoewel de communicatie tussen de ouders en het onderlinge vertrouwen nog is verstoord, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden komen vast te staan waaruit blijkt dat gezamenlijke gezagsuitoefening tot situaties leidt waarin [de minderjarige] klem of verloren raakt of anderszins in zijn belangen wordt geschaad. Daartoe heeft de moeder onvoldoende gesteld. Daar komt bij dat de ouders, zoals hierna zal worden overwogen, worden doorverwezen naar het traject Ouderschapsbemiddeling, onder meer om hun onderlinge communicatie in het belang van [de minderjarige] te verbeteren en om te leren om hun ouderschap samen vorm te geven. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de ouders deze gesprekken op basis van gelijkwaardigheid met elkaar aan kunnen gaan. De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten daarom toewijzen.
De rechtbank kan echter pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De vader kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. De rechtbank geeft de vader dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [de minderjarige] door hem bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de vader om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 15 juli 2026. De rechtbank overweegt dat als de vader aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Vanwege deze beslissing wordt in het vervolg van deze beschikking gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de zorgregeling.
Ouderschapsbemiddeling
De rechtbank is gebleken dat de onderlinge communicatie tussen de ouders is verstoord en dat de moeder nog onvoldoende vertrouwen heeft in (de opvoedkwaliteiten van) de vader. De rechtbank heeft daarom op de zitting besproken dat zij het, net als de ouders zelf, van belang acht dat de ouders gaan deelnemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling om hun onderlinge communicatie en het onderlinge vertrouwen te verbeteren in het belang van [de minderjarige] . Op de zitting hebben de ouders vervolgens nadrukkelijk de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling/Parallel (Solo) Ouderschap. De rechtbank verwacht van de ouders dat zij daar in het belang van [de minderjarige] ook de invulling van het gezamenlijk ouderschap over [de minderjarige] zullen bespreken.
De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is op 22 januari 2026 al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Omdat de rechtbank de ouders bij eindbeslissing zal verwijzen naar dit traject, is het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasslijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederlands is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van een zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende gebleken. De ouders geven sinds oktober 2024 uitvoering aan de in kort geding overeengekomen zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] . Deze regeling houdt in dat [de minderjarige] iedere week op woensdag en zaterdag van 15.00 uur tot 17.00 uur bij de vader is. De afgelopen tijd is [de minderjarige] op woensdag regelmatig van 17.00 uur tot 19.00 uur bij de vader, omdat de vader van 15.00 uur tot 17.00 uur vanwege zijn werk in Amsterdam niet meer redt.
De vader wil graag dat deze regeling wordt uitgebreid, zowel in dagen als met overnachtingen. De vader wil graag meer zorg- en opvoedingstaken voor [de minderjarige] dragen. Het is voor de binding tussen de vader en [de minderjarige] ook belangrijk dat zij regelmatig contact met elkaar hebben. De vader woont bij zijn zwager en nicht en de vader heeft daar een eigen kamer. In die kamer kan [de minderjarige] ook overnachten, zodat er geen beletsels voor een uitbreiding van de regeling zijn.
De moeder geeft aan dat de nakoming van de huidige regeling stroef verloopt. De vader wijzigt contactmomenten, kort deze in of zegt deze af en de communicatie hierover verloopt moeizaam en op initiatief van de moeder. De vader heeft de moeder pas recent geïnformeerd dat hij bij zijn zwager en nicht verblijft. Hierdoor heeft de moeder geen vertrouwen in de vader. De moeder wil daarom dat een regeling wordt vastgesteld, waarbij [de minderjarige] op zaterdag voor vier of vijf uur bij de vader is. Als de vader die regeling langere tijd goed nakomt en de communicatie tussen de ouders is verbeterd, kan de regeling worden uitgebreid met een overnachting.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van één van hen op grond van artikel 1:253a lid 1 en 2 BW een zorgregeling vaststellen. Op grond van lid 5 van dit artikel beproeft de rechtbank eerst een vergelijk tussen de ouders. Omdat het de ouders op de zitting niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] , zal de rechtbank een beslissing nemen die zij in het belang van [de minderjarige] acht.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals op de zitting al met de ouders is besproken, ziet de rechtbank in wat de moeder heeft aangevoerd geen contra-indicaties voor een overnachting van [de minderjarige] bij de vader en acht de rechtbank het ook in het belang van [de minderjarige] dat hij bij de vader overnacht. Het contact en de overnachtingen zullen stapsgewijs worden opgebouwd, zodat het vertrouwen van de moeder in de vader kan groeien en [de minderjarige] kan wennen aan het overnachten bij de vader. De rechtbank zal de volgende opbouwregeling vaststellen, waarbij [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
  • de eerste maand: iedere week op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur;
  • de tweede maand: iedere week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;
  • de derde maand en vierde maand: om de week van zaterdag 17.00 uur tot zondag 16.00 uur;
  • de vijfde maand: om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur;
  • vanaf de zesde maand: om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 16.00 uur.
De rechtbank zal daarnaast beslissen dat [de minderjarige] , zoals nu ook al het geval is, iedere week op woensdag van 17.00 uur tot 19.00 uur bij de vader zal zijn. Hiermee wordt een regelmatig contact tussen de vader en [de minderjarige] bewerkstelligd. Gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] is het belangrijk dat hij regelmatig contact met de vader heeft, zodat hun hechtingsrelatie zich zo optimaal mogelijk kan ontwikkelen. De rechtbank acht deze zorgregeling in het belang van [de minderjarige] .
Omdat de moeder haar zorgen hierover heeft geuit, doet de rechtbank een dringend beroep op de vader om de zorgregeling in het belang van [de minderjarige] structureel en punctueel na te komen. Door de zorgregeling structureel en punctueel na te komen, kan het vertrouwen van de moeder in de vader ook groeien.
Om ook aan de overige zorgen van de moeder tegemoet te komen, acht de rechtbank het van belang dat de ouders elkaar voor elk contactmoment in het weekend informeren over bijzondere zaken omtrent [de minderjarige] . De rechtbank zal bepalen dat de moeder de vader voorafgaand aan elk contactmoment in het weekend per e-mail een korte update moet sturen over [de minderjarige] en dat de vader de moeder voorafgaand aan het terugbrengen van [de minderjarige] naar de moeder per e-mail een korte update moet sturen over [de minderjarige] .
Daarnaast verwacht de rechtbank dat de vader de moeder direct per e-mail informeert als zijn woon- en/of verblijfplaats opnieuw verandert, zoals de vader op de zitting heeft toegezegd te zullen doen. Hoewel deze toezegging zich niet leent voor opname in het dictum van deze beschikking, gaat de rechtbank er wel vanuit dat de vader zich in het belang van [de minderjarige] aan deze toezegging houdt.
Ook acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] dat de ouders elkaar over en weer in de gelegenheid stellen om kennis te maken met andere mensen die verblijven in de woning waar [de minderjarige] verblijft en elkaar in de gelegenheid stellen om te zien waar [de minderjarige] slaapt.
De rechtbank zal aldus beslissen en zal het meer of anders verzochte over de zorgregeling afwijzen.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking over het gezag zal geven, zal de rechtbank de proceskosten ook aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1990 in [geboorteplaats 2] , [land] – die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1999 in [geboorteplaats 2] , [land] vervangt – tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
*
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
  • iedere week op woensdag van 17.00 uur tot 19.00 uur;
  • de eerste maand: iedere week op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur;
  • de tweede maand: iedere week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;
  • de derde maand en vierde maand: om de week van zaterdag 17.00 uur tot zondag 16.00 uur;
  • de vijfde maand: om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur;
  • vanaf de zesde maand: om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 16.00 uur;
  • waarbij de moeder de vader voorafgaand aan elk contactmoment in het weekend per e-mail een korte update moet sturen over [de minderjarige] en waarbij de vader de moeder voorafgaand aan het terugbrengen van [de minderjarige] na elk contactmoment in het weekend per e-mail een korte update moet sturen over [de minderjarige] ;
en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] (de vader),
wonende in [adres 1] ,
en
[de moeder] (de moeder),
wonende in [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (Solo) Ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat de ouders bij eindbeslissing zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
*
houdt iedere verdere beslissing over
het gezag en de proceskostenaan tot
15 juli 2026pro forma;
*
bepaalt dat de vader de akte van erkenning vóór de genoemde pro forma datum aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat als de vader aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 februari 2026.