Verzoekster heeft een herhaalde aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 1 december 2025 is afgewezen als ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de afwijzing te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de behandeling van het beroep op 4 maart 2026 behandeld, waarbij verzoekster, haar gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Op de dag van de uitspraak heeft de rechtbank uitspraak gedaan in het hoofdberoep, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 12 maart 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.