ECLI:NL:RBDHA:2026:5985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
NL25.38783
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeECLI:EU:C:2013:862ECLI:NL:RVS:2022:1918
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing visumaanvraag wegens onvoldoende motivering economische en sociale binding

Eisers, bestaande uit een vrouw met Turkse nationaliteit en haar minderjarige kinderen, dienden een visumaanvraag in voor kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af vanwege twijfel over het vertrek na afloop van het visum, gebaseerd op onvoldoende sociale en economische binding met Turkije.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich onvoldoende heeft gemotiveerd en ten onrechte niet heeft meegewogen dat eisers als gezin in Turkije wonen, kinderen onderwijs volgen en de echtgenoot meerdere woningen bezit. Ook eerdere tijdige terugkeer uit Schengenlanden werd ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de minister het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen zonder eisers te horen, wat in strijd is met de hoorplicht. De stukken in het Turks waren niet vertaald, waardoor de minister zich onvoldoende van de inhoud heeft vergewist.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, veroordeelt de minister in de proceskosten en bepaalt dat binnen zes weken een nieuw besluit moet worden genomen waarbij eisers of referent worden gehoord.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd met de verplichting tot een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38783

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres

mede namens haar minderjarige kinderen:
[naam kind 1],
[naam kind 2]en
[naam kind 3], v-nummers: [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4]
eisers
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Buitenlandse Zaken,

(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de visumaanvraag van eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van voldoende economische en sociale binding tussen eisers en Turkije. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister eisers had moeten horen in bezwaar. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf bij de heer [referent] (referent) van 11 januari 2025 tot en met 7 februari 2025. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2024 [1] afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van de aanvraag
3. Eiseres is de dochter van referent, die in Nederland woont. Eiseres is geboren in Aleppo, Syrië maar is naar Turkije verhuisd en is daar getrouwd met haar echtgenoot die ook in Syrië is geboren. Zij hebben inmiddels de Turkse nationaliteit gekregen. Hun drie kinderen zijn in Turkije geboren en hebben ook de Turkse nationaliteit. Eiseres woont nog steeds samen met haar echtgenoot en hun drie kinderen in Turkije. Verder wonen er meerdere familieleden van eiseres in Europa, waaronder haar ouders die in Nederland wonen en een asielvergunning hebben. Zij hebben nog de Syrische nationaliteit. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om samen met haar kinderen op familiebezoek te gaan bij haar ouders.
Het bestreden besluit en toetsingskader
4. De minister heeft de aanvraag van eisers afgewezen omdat hij zich op het standpunt stelt dat er sprake is van redelijke twijfel of eisers het grondgebied van de Schengenstaten na afloop van hun visum zullen verlaten. De minister legt aan zijn standpunt ten grondslag dat niet is gebleken van een voldoende sociale en economische binding van eisers met Turkije.
4.1.
Een visumaanvraag voor kort verblijf kan onder andere worden afgewezen indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. [2] Daarom vereisen aanvragen die worden ingediend door personen met een geringe sociale dan wel economische binding met het land van herkomst bijzondere aandacht. Bij de beoordeling hiervan heeft de minister een ruime beoordelingsmarge. [3]
Sociale en economische binding
5. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van een voldoende sociale en economische binding met Turkije. Eisers wijzen erop dat zij, met hun vader en echtgenoot een gezin vormen in Turkije en dat zij daar wonen. Daarnaast volgen de kinderen onderwijs in Turkije en heeft hun vader en echtgenoot meerdere woningen in eigendom. Ook hebben eisers een kentekenbewijs overgelegd van een auto die zij bezitten. Eisers wijzen er ook op dat zij in het verleden meermaals de EU zijn ingereisd, waaronder een keer in 2022 om op bezoek te gaan bij familie in Duitsland. Zij zijn altijd tijdig weer naar Turkije teruggekeerd. Ook haar echtgenoot reist regelmatig naar Europa en keert altijd weer terug. De minister heeft deze omstandigheden ten onrechte niet in hun voordeel meegewogen.
Het standpunt van de minister
5.1.
De minister stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat weliswaar is gebleken dat de echtgenoot van eiseres de nodige economische banden heeft met Turkije, maar dat niet is gebleken dat eiseres die ook heeft. Eiseres is werkeloos. De omstandigheid dat haar echtgenoot werkt, meerdere huizen heeft en een auto, maakt niet dat de minister daardoor economische binding aanneemt met Turkije. Volgens de minister is ook niet gebleken van sociale binding met Turkije. Het hebben van kinderen en een echtgenoot in Turkije en de omstandigheid dat haar kinderen in Turkije onderwijs genieten is daarvoor niet voldoende. De omstandigheid dat eiseres, haar echtgenoot en twee van hun kinderen, hun jongste kind was toen nog niet geboren, eerder een visum voor kort verblijf hebben gekregen en in Europa zijn geweest, leidt volgens de minister niet zonder meer tot de conclusie dat er in het onderhavige geval ook een visum voor kort verblijf moet worden verleend omdat in de tussentijd de situatie kan zijn gewijzigd en elke aanvraag op zijn eigen merites moet worden beoordeeld.
Het oordeel van de rechtbank
5.2.
Het betoog slaagt. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een voldoende sociale en economische binding van eisers met Turkije en dat daarom sprake is van redelijke twijfel of zij tijdig de EU weer zullen verlaten. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel komt.
5.3.
Eisers hebben er ter zitting op gewezen dat hun leven en dat van hun vader en echtgenoot zich bevindt in Turkije, en dat niet zonder meer valt in te zien dat er een risico bestaat dat eiseres en haar kinderen na afloop van hun visum niet meer zullen vertrekken. De omstandigheid dat eiseres zelf geen werk heeft en dat haar echtgenoot zorgt voor het inkomen en de woningen in eigendom heeft, maakt immers niet dat zij, als lid van het gezin, geen economische belangen in Turkije heeft. Daarbij betogen eisers terecht dat niet is onderbouwd waarom zij het leven dat zij leiden in Turkije achter zich zouden laten om in Nederland voor een onzeker bestaan zonder verblijfsvergunning te kiezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat is gebleken dat de stukken die eisers in het Turks hebben ingediend bij de ambassade niet zijn vertaald en dat de minister kennelijk zonder zich van de inhoud daarvan te vergewissen het bestreden besluit heeft genomen. Daarmee is er ook geen grond om te betwijfelen dat de echtgenoot van eiseres een goede baan heeft en meerdere huizen, en dat zij daarmee als gezin een goed bestaan in Turkije hebben.
5.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat de omstandigheid dat eisers in het verleden al in Duitsland zijn geweest om familie te bezoeken, niet in hun voordeel meeweegt. Hoewel iedere zaak op zijn eigen merites moet worden beoordeeld, kunnen eerdere bezoeken aan Europa wel degelijk inzicht geven in het risico op vestigingsgevaar. De minister heeft ook niet toegelicht waarom de feitelijke omstandigheden nu anders zijn. Dat eiseres inmiddels nog een kind heeft gekregen is in ieder geval onvoldoende.
5.5.
Gezien het oordeel van de rechtbank behoeven de overige gronden van eisers en de overige standpunten van de minister geen nadere bespreking meer.
Hoorplicht
6. Eisers betogen dat de minister het bezwaar van eisers ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgedaan, en dat hij eisers had moeten horen. Eisers wijzen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022. [4] Eisers wijzen er in dit kader op dat hun bezwaarschrift gemotiveerde gronden tegen het besluit tot afwijzing van hun visumaanvraag bevatte en dat de hoorzitting bij uitstek de gelegenheid zou hebben geboden om ontbrekende stukken te overleggen en om onduidelijkheden te bespreken.
6.1.
Het betoog slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eisers niet kennelijk ongegrond heeft mogen verklaren en dat hij eisers daarom had moeten horen. Gelet op de verklaringen en overgelegde stukken was er naar het oordeel van de rechtbank geen grond om af te wijken van het uitgangspunt dat in bezwaar wordt gehoord. Daarbij is ook gebleken dat de stukken die eisers in het Turks hebben ingediend en die naar de rechtbank begrijpt door de ambassade wel bij de eerste beoordeling van de aanvraag zijn betrokken, niet zijn vertaald en dat de minister kennelijk zonder zich van de inhoud daarvan te vergewissen het bestreden besluit heeft genomen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet eisers of referent ook horen. De rechtbank ziet gezien voorgaande geen reden om het geschil finaal te beslechten. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister daarvoor een termijn van zes weken na deze uitspraak.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Eisers krijgen ook het door hen betaalde griffierecht ter hoogte van € 194,- terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een hoogte van € 1.868,-.
- bepaalt dat de minister aan eisers het door hen betaalde griffierecht ter hoogte van € 194,- moet terugbetalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Bekendgemaakt op 30 oktober, respectievelijk op 8 november 2024.
2.Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode.
3.Dit volgt uit het arrest van het HvJEU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862 (