Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres
[naam kind 1],
[naam kind 2]en
Rechtbank Den Haag
Eisers, bestaande uit een vrouw met Turkse nationaliteit en haar minderjarige kinderen, dienden een visumaanvraag in voor kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af vanwege twijfel over het vertrek na afloop van het visum, gebaseerd op onvoldoende sociale en economische binding met Turkije.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich onvoldoende heeft gemotiveerd en ten onrechte niet heeft meegewogen dat eisers als gezin in Turkije wonen, kinderen onderwijs volgen en de echtgenoot meerdere woningen bezit. Ook eerdere tijdige terugkeer uit Schengenlanden werd ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de minister het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen zonder eisers te horen, wat in strijd is met de hoorplicht. De stukken in het Turks waren niet vertaald, waardoor de minister zich onvoldoende van de inhoud heeft vergewist.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, veroordeelt de minister in de proceskosten en bepaalt dat binnen zes weken een nieuw besluit moet worden genomen waarbij eisers of referent worden gehoord.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd met de verplichting tot een nieuw besluit binnen zes weken.