De kinderrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 5 februari 2026 een beschikking gegeven waarbij twee minderjarige kinderen onder toezicht worden gesteld voor de duur van een jaar. De kinderen, geboren in 2014 en 2022, wonen bij hun moeder en zijn erkend door de vader, die samen met de moeder het ouderlijk gezag uitoefent.
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling vanwege ernstige bedreigingen van de ontwikkeling van de kinderen. De jongste is veelvuldig afwezig van school en belast met volwassen zaken, terwijl de oudste mogelijk kindeigen problematiek vertoont. Er zijn zorgen over basale verzorging, hygiëne en een verwaarloosde leefomgeving. De ouders communiceren slecht en hulpverlening komt niet van de grond.
Zowel de moeder als de vader stemden in met het verzoek. De moeder erkent haar overbelasting en de noodzaak van hulp, terwijl de vader openstaat voor samenwerking en een grotere rol in het leven van de kinderen wil spelen. De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulp onvoldoende resultaat heeft opgeleverd en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om regie te voeren over de hulpverlening.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De beslissing wordt geregistreerd in het gezagsregister en is op 19 februari 2026 schriftelijk vastgelegd.