Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
NL25.39700
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit asielaanvraag ondanks geldige ingebrekestelling

Eiseres diende op 7 november 2023 een asielaanvraag in en stelde verweerder op 4 augustus 2025 via beveiligde e-mail in gebreke om binnen twee weken te beslissen. Verweerder betwistte de geldigheid van deze ingebrekestelling omdat niet het voorgeschreven e-mailadres was gebruikt. De rechtbank oordeelt echter dat de ingebrekestelling geldig is, omdat verweerder de ontvangst bevestigde en geen ondubbelzinnige weigering heeft uitgesproken.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden heeft beslist op de aanvraag, en dat het beroep daarom gegrond is. De rechtbank wijst de verlenging van de beslistermijn met negen maanden af, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025.

De rechtbank legt een redelijke termijn van vier weken vast waarbinnen verweerder een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €467 aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter T.N. van Rijn en griffier S.L.L. Rovers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder krijgt vier weken om alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39700

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat volgens haar verweerder niet op tijd op de asielaanvraag heeft beslist.
1.1
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd.
1.2
Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), al dan niet impliciet door niet tijdig te reageren op de door de rechtbank gegeven termijn, om een behandeling van het beroep op zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep gegrond?
3. Eiseres heeft op 7 november 2023 een asielaanvraag ingediend. Zij heeft verweerder in gebreke gesteld en verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken alsnog een besluit te nemen op haar asielaanvraag.
3.1
Eiseres heeft verweerder via de elektronische weg in gebreke gesteld. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat dit onder voorwaarden mogelijk is. Verweerder verwijst naar zijn brief van 6 augustus 2025 waarin eiseres op de voorwaarden is gewezen. De voorwaarden zijn kenbaar via een in die brief opgenomen website-link. Eiseres heeft ten onrechte niet gekozen voor het e-mailadres ingebrekestelling@ind.nl. Dus heeft eiseres niet volgens deze voorwaarden de ingebrekestelling ingediend en is de ingebrekestelling niet geldig, aldus verweerder.
3.2
De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Het weigeren van een elektronisch ingediend stuk is mogelijk op grond van artikel 2:15 van Pro de Awb, maar zo een weigering met wel ondubbelzinnig zijn. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Uit het dossier blijkt dat eiseres op 4 augustus 2025 de ingebrekestelling heeft ingediend via beveiligd mailen naar het e-mailadres uw.stukken.opsturen@ind.nl. In de brief van 6 augustus 2025 heeft verweerder aan eiseres expliciet bevestigd dat de ingebrekestelling op 4 augustus 2025 is ontvangen. Verder heeft verweerder in zijn brief van 6 augustus 2025 er in algemene bewoordingen op gewezen dat een ingebrekestelling volgens verweerder pas geldig is als deze per post of via veilig mailen op ind.nl is ingediend en dat de ingebrekestelling niet in behandeling wordt genomen niet geldig is ingediend als die via een andere weg is ingediend. Verweerder laat het dus aan eiseres zelf na om na te gaan of zij de ingebrekestelling op juiste wijze heeft ingediend. Verweerder vermeldt niet ondubbelzinnig dat de ingebrekestelling van eiseres niet geldig is. Bovendien blijkt uit het dossier dat zij de ingebrekestelling via veilig mailen heeft verzonden, wat als optie in de brief is gegeven voor het indienen van een ingebrekestelling. In de brief van 6 augustus 2025 is niet het exacte e-mailadres vermeld waar de ingebrekestelling naar toe moet worden gestuurd, maar is alleen in zijn algemeenheid verwezen naar de website ind/nl/beslissing-te-laat. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen ondubbelzinnige weigering als bedoeld in artikel 2:15 van Pro de Awb. Daarbij heeft verweerder in zijn brief van 6 augustus 2025 bevestigd dat de e-mail van eiseres van 4 augustus 2025 een ingebrekestelling betrof. Niet is onderbouwd en ook is de rechtbank niet gebleken dat het dan nog in redelijkheid doel treft om van eiseres te verlangen nogmaals een ingebrekestelling in te dienen via een ander e-mailadres. De rechtbank is daarom van oordeel dat de wijze waarop eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld niet leidt tot het oordeel dat daarom sprake is van een ongeldige ingebrekestelling.
3.3
In artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is bepaald dat verweerder binnen zes maanden op de asielaanvraag van eiseres moet hebben beslist.
De rechtbank stelt vast dat verweerder dat niet heeft gedaan, dat sprake is van een geldige ingebrekestelling en dat het beroep terecht is ingediend. Het beroep is gegrond. Bij dit oordeel is rekening gehouden met het besluitmoratorium [2] . Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de beslistermijn is verlengd met negen maanden op grond van een Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025 [3] , niet houdbaar is.
Welke beslistermijn wordt opgelegd?
4. In de uitspraak van 8 juli 2020 [4] heeft de Afdeling [5] geoordeeld dat in asielzaken de rechter er rekening mee houdt dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. De rechter stelt dus geen onnodig lange nadere termijn en neemt in ieder geval de bovengrens van 21 maanden in acht. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat bij bepaling van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. Kortom, de rechter stelt de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is.
4.1
In lijn met wat de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2020 heeft overwogen maar ook in acht nemend dat de 21 maandentermijn inmiddels is verstreken, acht de rechtbank een termijn van vier weken niet onredelijk lang of onrealistisch kort. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Wordt er een dwangsom opgelegd?
5. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Stcrt. 2024, 41538.
3.ECLI:EU:C:2025:326.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State