Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5999

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
NL25.44662
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Jemenitische asielzoeker, diende op 2 september 2025 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk werd geacht. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Jemenieten vanwege vermeende systeemfouten in Bulgarije en dat zijn psychische en medische klachten een uitzondering rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het algemeen geldt voor Bulgarije en dat de aangevoerde Eurostat-gegevens en rapporten onvoldoende specifiek waren om dit voor Jemenieten te doorbreken. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, vanwege psychische klachten en stressgerelateerde aandoeningen, werd niet onderbouwd geacht. De rechtbank vond geen aannemelijk bewijs dat de overdracht naar Bulgarije een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand zou veroorzaken.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Tevens wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af en kende geen proceskosten toe. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 28 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44662 (beroep) en NL25.44663 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 15 september 2025 niet in behandeling genomen omdat hij Bulgarije verantwoordelijk acht voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2]
5. Eiser is Jemenitisch en geboren op [datum] 1989. Hij heeft op 2 september 2025 zijn asielaanvraag bij verweerder gedaan. Uit EU-VIS [3] heeft verweerder afgeleid dat eiser door Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum, welke geldig is van 1 september 2025 tot 29 september 2025 voor de duur van 15 dagen. Verweerder heeft daarom bij Bulgarije op 9 september 2025 een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard op 13 september 2025 op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
Mag de staatssecretaris uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Jemenieten?
6. Eiser voert aan dat er ten aanzien van Jemenieten niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit volgt uit informatie uit Eurostat waarin staat dat in 2024 geen enkele eerste-instantie beslissing is genomen door de Bulgaarse asielautoriteiten op asielaanvragen van personen met de Jemenitische nationaliteit, en in 2023 enkel vijf afwijzingen. Dit gebrek aan aanvragen en afwijzingen duiden volgens eiser op systeemfouten specifiek voor Jemenieten. Verweerder kan niet zonder nader onderzoek en nadere motivering uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2025, [4] het AIDA Country Report Bulgaria Update 2024 (AIDA-rapport) en het meest recente rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment (CPT) or Punishment over Bulgarije.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. Dat er in zijn algemeenheid ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan is niet meer in geschil, gezien het standpunt van de gemachtigde van eiser op zitting. In de uitspraak waar eiser naar verwijst werden er verschillende gegevens betrokken om tot de conclusie te komen dat er ten aanzien van Turkse asielzoekers niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uit gegaan in Bulgarije. Daarbij ging het niet alleen om de afgewezen asielverzoeken van Turkse staatsburgers, maar ook om informatie uit het AIDA-rapport die specifiek ziet op asielaanvragen van Turkse asielzoekers en gemaakte afspraken over de migratiestroom tussen Bulgarije en Turkije. De informatie uit Eurostat is daarom niet voldoende om tot dezelfde conclusie te komen ten aanzien van Jemenieten. Ook het AIDA-rapport en het rapport van de CPT gaan niet specifiek in op de situatie van Jemenieten in Bulgarije. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd hoe deze gegevens tot die conclusie zouden moeten leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder eisers asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
8. Eiser doet een beroep op het arrest C.K. [5] en voert aan dat hij gezondheids- en psychische klachten heeft die zullen verergeren bij overdracht naar Bulgarije. Eiser ervaart veel stress en heeft trauma-gerelateerde klachten. De psychische klachten zijn gerelateerd aan angst voor overdracht naar Bulgarije, in het licht van de bekende tekortkomingen in opvang, zorg en rechtsbescherming. Daarnaast is bij eiser sprake van het prikkelbare darm syndroom, een aandoening waarvan algemeen bekend is dat deze sterk stress-gerelateerd is en kan verergeren bij onzekerheid, instabiliteit en onveilige leefomstandigheden. Eiser stelt dat hij vanwege zijn medische klachten kwetsbaar is en verweerder de aanvraag in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Eiser heeft weliswaar gegevens van de GZA overgelegd, maar daaruit is niet duidelijk af te leiden aan welke psychische klachten eiser leidt en waar die klachten mee verband houden. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser die klachten ook niet nader kunnen duiden. Dat deze psychische klachten het gevolg zijn van eisers angst voor overdracht naar Bulgarije en dat de feitelijke overdracht aan Bulgarije een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser met zich meebrengt [6] is daarmee niet onderbouwd. Voor wat betreft de prikkelbare maag en darm, heeft eiser niet nader kunnen concretiseren of onderbouwen welke aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen hij verwacht voor zijn gezondheidstoestand bij overdracht. Verweerder heeft daarom geen reden hoeven zien de asielaanvraag zelf te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Bulgarije.
10.1.
Omdat er op het beroep is beslist ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
10.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Doorman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Visum Informatiesysteem van de Europese Unie.
4.Zaaknummer NL25.39270 (niet-gepubliceerd).
5.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
6.Zie overwegingen 74-75 van het arrest C.K.