ECLI:NL:RBDHA:2026:5999
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Jemenitische asielzoeker, diende op 2 september 2025 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk werd geacht. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Jemenieten vanwege vermeende systeemfouten in Bulgarije en dat zijn psychische en medische klachten een uitzondering rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het algemeen geldt voor Bulgarije en dat de aangevoerde Eurostat-gegevens en rapporten onvoldoende specifiek waren om dit voor Jemenieten te doorbreken. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, vanwege psychische klachten en stressgerelateerde aandoeningen, werd niet onderbouwd geacht. De rechtbank vond geen aannemelijk bewijs dat de overdracht naar Bulgarije een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand zou veroorzaken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Tevens wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af en kende geen proceskosten toe. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 28 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.