ECLI:NL:RBDHA:2026:601
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van een dwangverzoek tot schuldregeling door de rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft [verzoeker] een verzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag om een dwangakkoord op te leggen aan zijn schuldeiser, Pret in Herstel. [verzoeker] verkeert in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van € 13.250,66 aan acht schuldeisers. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij hij een uitkering van 9,239% van de vordering aanbiedt, maar niet alle schuldeisers hebben hiermee ingestemd. De rechtbank heeft op 15 januari 2026 het verzoek van [verzoeker] afgewezen, omdat niet alle schuldeisers bij de minnelijke regeling betrokken waren en het voorstel niet als maximaal haalbaar werd beschouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de schuldbemiddeling door de gemeente Den Haag op de juiste wijze is uitgevoerd, maar dat de belangenafweging niet in het voordeel van [verzoeker] uitviel. De rechtbank concludeerde dat het onredelijk was om Pret in Herstel te dwingen in te stemmen met het aanbod, omdat niet duidelijk was of zij de juiste schuldeiser was en omdat het aanbod niet het maximaal haalbare was. De rechtbank heeft ook aangegeven dat het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) in een apart vonnis zal worden behandeld.