ECLI:NL:RBDHA:2026:601

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2502849:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een dwangverzoek tot schuldregeling door de rechtbank Den Haag

In deze zaak heeft [verzoeker] een verzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag om een dwangakkoord op te leggen aan zijn schuldeiser, Pret in Herstel. [verzoeker] verkeert in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van € 13.250,66 aan acht schuldeisers. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij hij een uitkering van 9,239% van de vordering aanbiedt, maar niet alle schuldeisers hebben hiermee ingestemd. De rechtbank heeft op 15 januari 2026 het verzoek van [verzoeker] afgewezen, omdat niet alle schuldeisers bij de minnelijke regeling betrokken waren en het voorstel niet als maximaal haalbaar werd beschouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de schuldbemiddeling door de gemeente Den Haag op de juiste wijze is uitgevoerd, maar dat de belangenafweging niet in het voordeel van [verzoeker] uitviel. De rechtbank concludeerde dat het onredelijk was om Pret in Herstel te dwingen in te stemmen met het aanbod, omdat niet duidelijk was of zij de juiste schuldeiser was en omdat het aanbod niet het maximaal haalbare was. De rechtbank heeft ook aangegeven dat het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) in een apart vonnis zal worden behandeld.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummer: NL:TZ:2502849:R-RK
vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
tegen
Pret in Herstel,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
hierna: Pret in Herstel.
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoeker] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 13.250,66 aan 8 schuldeisers. Het is [verzoeker] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Den Haag heeft hij voor het laatst op 23 juli 2025 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens wordt aangeboden van 9,239%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
Pret in Herstel is niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoeker] heeft een schuld aan Pret in Herstel van € 2.481,40, dat is 18,7% van de totale schuldenlast.
1.3.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank Pret in Herstel dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij/zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
1.4.
Het verzoek richtte zich aanvankelijk ook tegen Infomedics. Die schuldeiser heeft alsnog met het minnelijk aanbod ingestemd, zodat de rechtbank het zich tegen die schuldeiser richtende verzoek als ingetrokken beschouwt.

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoeker] zijn behandeld op de zitting van 12 januari 2026. Op deze zitting verschenen:
- [verzoeker] ,
- mevrouw [naam 1] , schuldhulpverlener van de gemeente Den Haag,
- mevrouw [naam 2] , klantbegeleider van de gemeente Den Haag.
2.2.
Pret in Herstel is opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.
2.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoeker] stelt dat het onredelijk is dat Pret in Herstel het aanbod niet aanvaardt. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
Pret in Herstel heeft haar standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om een dwangakkoord op te leggen afwijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat Pret in Herstel weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door gemeente Den Haag. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarde(n), namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoeker] zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier niet op zijn plaats is.
Het is onduidelijk tegen welke partij het verzoek zich dient te richten
4.6.
Uit de stukken blijkt dat [verzoeker] Pret in Herstel een aanbod heeft gedaan. Ook blijkt uit de stukken, en hetgeen ter zitting is besproken, dat Pret in Herstel aangeeft dat zij niet de schuldeiser is, maar de vordering aan een andere partij toebehoort, te weten Clean Living. Dit maakt dat niet duidelijk is of de partij tegen wie het verzoek zich richt daadwerkelijk een vordering op verzoeker heeft, dan wel of het een vordering betreft van een schuldeiser tegen wie het verzoek zich niet richt.
Niet alle schuldeisers zijn bij de minnelijke schuldregeling betrokken
4.7.
Uit de stukken, en uit hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat schuldhulpverlener ervan uit is gegaan dat de vordering van Rabobank/Interpolis niet saneerbaar is, terwijl niet uit de stukken blijkt dat dit daadwerkelijk het geval is. In ieder geval blijkt dit niet uit de aantekening mondeling vonnis d.d. 11 februari 2019 van de rechtbank Oost-Brabant.
[verzoeker] heeft niet het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.8.
Het voorstel dat [verzoeker] aan zijn schuldeisers heeft gedaan is niet het maximaal haalbare. [verzoeker] volgt een opleiding die nog twee jaar duurt en werkt daarnaast 22 uur per week. Er is niet gebleken dat [verzoeker] (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat hij fulltime zou kunnen werken. Een aanbod aan de schuldeisers waarbij [verzoeker] niet fulltime werkt, is daarom niet het maximaal haalbare voorstel. Het is bewonderenswaardig dat [verzoeker] zijn leven heeft opgepakt en een hbo-opleiding volgt, maar dit betekent niet dat volstaan kan worden met het aanbieden van een voorstel dat niet het maximaal haalbare voorstel is.
4.9.
Namens [verzoeker] zijn op 12 januari 2025 nog stukken ingediend. Dit is gebeurd na het sluiten van de zitting waarop het verzoek mondeling is behandeld en waarbij is meegedeeld dat geen gelegenheid wordt geboden tot indiening van nadere stukken. De rechtbank zal dus geen acht slaan op die stukken. Indien dit overigens wel wordt gedaan, zal evenmin tot het oordeel kunnen worden gekomen dat het gedane aanbod een maximaal haalbaar voorstel is. Namens verzoeker is een Vtlb-berekening ingediend waarin wordt uitgegaan van een netto inkomen van € 1.730,- per maand en een Vtlb van € 1.494,08 per maand, op basis waarvan € 235,92 moet worden afgedragen. Dat is dus (veel) meer dan de € 67,27 per maand waarop het namens verzoeker gedane aanbod voorstel is gebaseerd. Bovendien is niet toegelicht waar het bedrag € 1.730,- per maand op is gebaseerd.
4.10.
Dit alles maakt dat de rechtbank er van moet uitgaan dat het verzoek zich tegen een partij richt waarvan niet kan worden vastgesteld dat deze daadwerkelijk schuldeiser is, dat een (andere) schuldeiser niet bij de minnelijk schuldsaneringsregeling betrokken en dat het gedane aanbod niet als maximaal haalbaar voorstel kan worden aangemerkt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Op het WSNP-verzoek wordt in een apart vonnis beslist
4.11.
[verzoeker] heeft op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. De rechtbank zal op dat verzoek in een apart vonnis beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af.
Dit is een beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met mr. A. de Ronde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan [verzoeker] gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en [verzoeker] tegelijk hoger beroep instelt tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw).