Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6019

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/09/687228 / HA ZA 25-551
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019j RvArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing pachtgeschil en verdeling nalatenschappen vader en moeder

De zaak betreft de afwikkeling van de nalatenschappen van vader en moeder, die in gemeenschap van goederen waren gehuwd en elf kinderen nalieten. De nalatenschappen omvatten onder meer meerdere percelen grasland die verpacht zijn aan een van de erfgenamen, [gedaagde 9].

Eiseressen vorderen onder meer de ontbinding van de pachtovereenkomst omdat de pachter de percelen niet meer agrarisch zou gebruiken. De rechtbank overweegt dat de ontbinding van een pachtovereenkomst exclusief tot het domein van de pachtkamer behoort en verwijst de zaak daarom naar de pachtkamer van de rechtbank Den Haag. Tevens is er een geschil over een vordering van vader op [gedaagde 9] uit de maatschap, waarbij eiseressen een restschuld stellen, maar de rechtbank oordeelt dat deze niet aannemelijk is.

De verdeling van de saldi op de ervenrekeningen wordt aangehouden tot de eindbeslissing over de percelen grasland. De proceskosten worden gecompenseerd. De hoofdzaak wordt verwezen naar de parkeerrol in afwachting van de uitspraak van de pachtkamer, met een nieuwe roldatum voor de pachtkamer op 28 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst naar de pachtkamer en houdt verdere beslissingen over de verdeling van de nalatenschappen aan.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/687228 / HA ZA 25-551
Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 18 maart 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] , te [woonplaats 1] ,

hierna: [eiseres 1] ,
2.
[eiseres 2], te [woonplaats 2] ,
hierna: [eiseres 2] ,
eiseressen in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. V.S.A.W. Wegter te Groningen,
tegen
1.
[gedaagde 1], te [woonplaats 3] ,
hierna: [gedaagde 1] ,
gedaagde,
advocaat mr. mr. K. van der Bijl, te Bodegraven,
2.
[gedaagde 2], te [woonplaats 4] ,
gedaagde,
niet verschenen,
3.
[gedaagde 3], te [woonplaats 5] ,
gedaagde,
niet verschenen,
4.
[gedaagde 4], te [woonplaats 5] ,
gedaagde,
niet verschenen,
5.
[gedaagde 5], te [woonplaats 6] ,
gedaagde,
niet verschenen,
6.
[gedaagde 6], te [woonplaats 5] ,
gedaagde,
niet verschenen,
7.
[gedaagde 7], te [woonplaats 5] ,
gedaagde,
niet verschenen,
8.
[gedaagde 8], te [woonplaats 7] ,
gedaagde,
niet verschenen,
9.
[gedaagde 9], te [woonplaats 5] ,
hierna: [gedaagde 9] ,
gedaagde,
verweerder in het incident,
advocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle.
Eiseressen in de hoofdzaak en het incident worden hierna gezamenlijk [eiseressen] c.s. genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier blijkt uit de volgende stukken:
  • het vonnis in het incident van 30 juli 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de conclusie van antwoord van [gedaagde 9] van 10 september 2025, met de producties 1 tot en met 6;
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie van [gedaagde 1] van 22 oktober 2025;
  • de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseressen] c.s. van 17 december 2025;
  • de akte van [gedaagde 9] , met productie 7.
1.2.
Op 6 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is voorgevallen.

2.De feiten in de hoofdzaak en in het incident

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Het onderhavige geschil gaat over de afwikkeling van de nalatenschappen van de vader van partijen, de heer [vader] (hierna: vader), overleden op [datum 1] 2017 en de moeder van partijen, mevrouw [moeder] (hierna te noemen: moeder), overleden op [datum 2] 2013.
2.2.
Vader en moeder waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, welk huwelijk is ontbonden door het overlijden van moeder. Uit voormeld huwelijk zijn elf kinderen, de procespartijen, geboren.
2.3.
Moeder heeft bij testament van 13 december 1976 voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. Ingevolge haar testament zijn haar elf kinderen ieder voor 1/11e
onverdeeld aandeel gerechtigd in haar nalatenschap. Moeder had daarnaast aan haar echtgenoot twee legaten gelegateerd, te weten: een keuzelegaat tegen inbreng van de waarde en een legaat van vruchtgebruik op haar gehele nalatenschap.
2.4.
Bij akte van 8 mei 2013 hebben partijen de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaard. Eiseressen en gedaagden sub 1 tot en met 8 hebben ieder een bedrag van
€ 20.960,00 uit de nalatenschap ontvangen. [gedaagde 9] ontving destijds een bedrag van
€ 25.960,00.
2.5.
Vader heeft bij testament van 3 december 2013 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. Op basis van dit testament zijn eiseressen en gedaagden ieder voor 1/11e gedeelte gerechtigd tot de nalatenschap van vader. Daarnaast heeft vader [gedaagde 1] benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder/executeur, welke benoeming zij bij verklaring van executele van 29 maart 2018 heeft aanvaard.
2.6.
Bij akte van 15 juni 2017 hebben partijen de nalatenschap van vader beneficiair aanvaard.
2.7.
Tot de nalatenschappen van vader en moeder behoren onder meer een aantal percelen grasland, kadastraal bekend [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] , [kadastraal nummer 4] en [kadastraal nummer 5] , [kadastraal nummer 6] en [kadastraal nummer 7] (hierna: de percelen grasland).
2.8.
Bij overeenkomst van 20 december 2011 heeft vader de percelen grasland aan [gedaagde 9] verpacht voor de periode van 1 januari 2012 tot 31 december 2017.
2.9.
Vader en moeder hadden een pluimveehoudersbedrijf op het boerenbedrijf aangrenzend aan de percelen grasland, in welk bedrijf [gedaagde 9] werkzaam was. Vanaf 20 juni 2012 hebben vader en [gedaagde 9] het bedrijf in maatschapsverband gedreven. In deze maatschap heeft vader onder meer een vordering van € 56.009,00 die hij op [gedaagde 9] had ingebracht. In 2016 is de maatschap beëindigd. Na het overlijden van vader heeft [gedaagde 9] de boerderij (het woonhuis met schuren en erf) betrokken. Hij is thans eigenaar van de boerderij.
2.10.
De artikelen 15 en 20 van de maatschapsovereenkomst die vader en [gedaagde 9] hebben gesloten luiden als volgt:
“OVERGANG EN OVERNEMING
ARTIKEL 15
A. Door uitoefening van het voortzettingsrecht gaat krachtens verdeling per het einde van het boekjaar waarin de uitoefening van het voortzettingsrecht heeft plaatsgevonden het
aandeel van de niet-voortzettende vennoot in het vermogen van de maatschap over op de
voortzettende vennoot, onder gehoudenheid de waarde van dat aandeel In geld uit te keren
aan de niet-voortzettende vennoot.
Bij beëindiging van de maatschap door overlijden en uitoefening van het voortzettingsrecht
gaat dit aandeel met ingang van de datum van overlijden over op de voortzettende
vennoot.
De overgang krachtens verdeling vindt onmiddellijk plaats, indien de beëindiging van de
maatschap wordt veroorzaakt door faillissement, aanvrage van surséance van betaling,
verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken of indien de
nagelaten boedel, waarin het meerbedoelde aandeel rust, wordt aanvaard onder het
voorrecht van boedelbeschrijving.
(…)
BETALINGSREGELING
ARTIKEL 20
Het door de voortzettende vennoot verschuldigde bedrag wegens de verdeling van het vermogen van de maatschap en de overname van andere rechten krachtens artikel 15 dient Pro te worden betaald aan de niet-voortzettende vennoot op de navolgende wijze.
De voortzettende vennoot is verplicht van het verschuldigde bedrag bij de verdeling van het
vermogen van de maatschap een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag, dat door de voortzettende vennoot, naast eventueel reeds bestaande hypotheken onder hypothecair verband van het bedrijfsvermogen maximaal te leen verkregen kan worden, ineens en in zijn geheel te voldoen, terwijl een eventueel restant kan worden uitgekeerd in ten hoogste tien gelijke jaarlijkse opeenvolgende termijnen, voor het eerst een jaar na de Verdeling van het vermogen van de maatschap.
Indien en zodra het ineens te betalen bedrag is voldaan, draagt het restant van het verschuldigde bedrag een rente, welke gelijk is aan het percentage dat de vaste bankrelatie jaarlijks bij de aanvang van het boekjaar in rekening brengt over vorderingen onder eerste hypothecair verband te voldoen op het moment van betaling van een termijn en berekend over de alsdan verstreken termijn.
Het restant van het verschuldigde bedrag is te allen tijde terstond en zonder enige waarschuwing opeisbaar, met rente tot de dag der betaling, wanneer de voortzettende vennoot in gebreke blijft de rente of het volgens de bovenvermelde wijze verschuldigde bedrag te voldoen en voorts ingeval van overlijden, faillissement of onder curatelenstelling van de voortzettende vennoot, ingeval aan de voortzettende vennoot surseance van betaling wordt verleend, ten behoeve van de voortzettende vennoot de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken of door hem boedelafstand wordt gedaan, bij staking of verwaarlozing van het door hem voortgezette bedrijf of overdracht van dit bedrijf aan een derde (het aangaan van een overeenkomst van maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap of de inbreng van het bedrijf in een naamloze of besloten vennootschap daaronder niet begrepen) of bij verplaatsing van zijn woonplaats buiten Nederland.”
2.11.
Op 30 december 2020 is [gedaagde 1] op haar verzoek door de kantonrechter ontslagen als afwikkelings-bewindvoerder/executeur in de nalatenschap van vader.

3.Het geschil

in het incident

3.1.
[eiseressen] c.s. vorderen in het incident, samengevat, dat de rechtbank de tussen vader en [gedaagde 9] gesloten reguliere pachtovereenkomst die betrekking heeft op de percelen grasland
ontbindt, althans de zaak in zoverre in de stand waarin deze zich bevindt doorverwijst naar de bevoegde pachtkamer.
in de hoofdzaak
in conventie
3.2.
[eiseressen] c.s. vorderen, samengevat dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
als de pachtovereenkomst wordt ontbonden:
de verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder als volgt vaststelt:
I [gedaagde 9] veroordeelt tot betaling op de ervenrekening van € 43.377,24 te vermeerderen met de wettelijke samengestelde rente over de periode van 1 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
II de resterende saldi op de ervenrekeningen verdeelt zoals aangegeven in de dagvaarding;
III gelast dat de percelen grasland vrij van pacht in gezamenlijke opdracht van partijen worden verkocht door Overwater Rentmeesterskantoor B.V. te Strijen tegen een zo hoog mogelijke verkoopprijs;
IV gedaagden veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan de gezamenlijke verkoopopdracht aan Overwater Rentmeesterskantoor B.V. te Strijen, met machtiging van [eiseressen] c.s. om bij gebreke van medewerking deze verkoopopdracht mede namens gedaagden te verstrekken op gezamenlijke kosten;
V gedaagden veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis alle vereiste medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de percelen grasland aan de meest biedende derde, bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van alle handelingen die benodigd zijn om verkoop te realiseren, althans in de plaats treedt van de vereiste medewerking aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en de notariële leveringsakte;
VI bepaalt dat de netto verkoopopbrengst van de percelen grasland door partijen in gelijke delen wordt verdeeld, zodat ieder 1/11e deel van de netto verkoopopbrengst ontvangt;
als de pachtovereenkomst niet wordt ontbonden:
de verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder als volgt vaststelt:
VII [gedaagde 9] veroordeelt tot betaling op de ervenrekening van € 43.377,24 te vermeerderen met de wettelijke samengestelde (handels)rente over de periode van 1 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
VIII de resterende saldi op de ervenrekeningen verdeelt zoals aangegeven in de dagvaarding;
IX gelast dat de percelen grasland worden toebedeeld aan [gedaagde 9] tegen een nog te taxeren vrije verkoopwaarde en in onverpachte staat per datum taxatie, onder de ontbindende voorwaarde dat [gedaagde 9] binnen drie maanden na de datum van het vonnis aantoont dat hij de overname van de percelen grasland kan financieren;
X partijen beveelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis gezamenlijk opdracht te geven aan Overwater Rentmeesterskantoor B.V. te Strijen voor een bindende taxatie, waarvan de kosten gelijkelijk worden verdeeld;
XI bepaalt dat bij vervulling van de voorwaarde in punt IX de juridische levering van de percelen aan [gedaagde 9] plaatsvindt binnen vijf maanden na datum van het vonnis, en bij niet-vervulling de percelen worden verkocht en geleverd aan een derde, waarbij partijen gezamenlijk een verkoopopdracht verstrekken aan Overwater Rentmeesterskantoor B.V. te Strijen, dat bindend adviseert over de vraag- en laatprijs bij geschil;
XII bepaalt dat partijen zowel bij overdracht aan [gedaagde 9] als bij verkoop aan een derde in gelijke delen gerechtigd zijn tot de netto-verkoopopbrengst van de percelen grasland;
en gedaagden in de (na)kosten van de procedure veroordeelt, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de
(na)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
in reconventie
3.3.
[gedaagde 1] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I de verdeling vaststelt in die zin dat de percelen grasland aan [gedaagde 9] worden toebedeeld, voor een door uw rechtbank vast te stellen waarde, dan wel volgens een door de rechtbank te bepalen waarderingsmethode, en te bepalen dat de opbrengst van deze percelen grasland en de saldi op de bankrekeningen in gelijke delen tussen de erfgenamen verdeeld worden, waarbij het erfdeel van gedaagde [gedaagde 9] verrekend zal worden met de overbedelingssom die hij dient te voldoen voor het overnemen van de percelen grasland;
II
primair:[eiseressen] c.s. beveelt hun medewerking aan deze verdeling, dan wel de door de rechtbank vast te stellen verdeling, te verlenen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, onder last van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 15.000,00 per eiser;
subsidiair:
bepaalt dat, indien [eiseressen] c.s. hun medewerking niet verlenen aan het vonnis en de maximale dwangsom is verbeurd, dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming, medewerking en handtekening van een weigerende erfgena(a)m(en) voor de toedeling van de percelen grasland, zoals bedoeld in artikel 3:300 BW Pro;
III zodanige voorzieningen treft of een beslissing neemt als de rechtbank in goede justitie passend acht.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in de hoofdzaak en in het incident

4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschappen van vader en moeder gezamenlijk moeten worden afgewikkeld en dat de percelen grasland en de saldi van de ervenrekeningen nog onverdeeld zijn.
4.2.
De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de verdeling moet plaatsvinden tegen de waarde van de bestanddelen ten tijde van de verdeling. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.
de percelen grasland
4.3.
Vast staat dat de percelen grasland nog steeds door [gedaagde 9] worden gepacht van de erfgenamen in de nalatenschappen. [eiseressen] c.s. vorderen ontbinding van deze pachtovereenkomst. Zij voeren hiertoe aan dat [gedaagde 9] de percelen grasland al lang niet meer voor agrarische doeleinden gebruikt, wat [gedaagde 9] betwist.
4.4.
In het tussenvonnis in het incident heeft de rechtbank reeds overwogen dat een vordering tot ontbinding van een pachtovereenkomst tot het exclusieve domein van de pachtkamer van de rechtbank moet worden gerekend. Dit volgt uit artikel 1019j Rv. De beslissing op de incidentele vordering is destijds door de rechtbank aangehouden omdat uit de stukken bleek dat [gedaagde 9] in 2024 nog had aangeboden om de percelen grasland in onverpachte staat over te nemen. Gelet op dat aanbod, was het ten tijde van het tussenvonnis onduidelijk of [eiseressen] c.s. belang bij hun vordering hadden. [gedaagde 9] heeft op 6 februari 2025 ter zitting laten weten dat hij de percelen grasland enkel in verpachte staat wil overnemen. [eiseressen] c.s. hebben daarom voldoende belang bij hun incidentele vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst. Bij de vraag welke waarderingsmaatstaf bij de verdeling moet worden gehanteerd kan immers van belang zijn of de percelen grasland zijn verpacht of niet. Nu de pachtkamer exclusief bevoegd is om op de incidentele vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst te beslissen, zal de rechtbank de zaak in zoverre verwijzen naar de bevoegde pachtkamer, te weten de pachtkamer van de rechtbank Den Haag. De hiertoe strekkende vordering in het incident zal dus worden toegewezen.
restschuld van [gedaagde 9] van € 43.477,24?
4.5.
Niet in geschil is dat vader een vordering op [gedaagde 9] van € 56.009,00 in de maatschap heeft ingebracht. Die inbreng is ook vermeld in de maatschapsovereenkomst die [gedaagde 9] en vader hebben gesloten. Ook staat vast dat de maatschap in 2016 is ontbonden, waarmee deze vordering op [gedaagde 9] (weer) opeisbaar werd.
4.6.
[eiseressen] c.s. stellen zich op het standpunt dat de vordering op [gedaagde 9] , gelet op de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente, nog niet volledig is voldaan. Zij voeren hiertoe het volgende aan. De vordering is rentedragend op grond van artikel 20 van Pro de maatschaps-overeenkomst. [notaris] heeft in zijn brief van 25 februari 2019 de vordering, inclusief wettelijke rente, berekend op € 68.882,87. Uit de rekening en verantwoording van de vereffenaar blijkt echter dat de vordering op de datum van het overlijden van erflater
€ 59.606,00 bedroeg. Op 28 mei 2024 heeft [gedaagde 9] naar aanleiding van de brief van [notaris] een bedrag van € 68.882,78 overgemaakt naar de ervenrekening. Op 28 mei 2024 bedroeg de vordering echter, inclusief wettelijke handelsrente, € 109.302,86. [gedaagde 9] had na betaling op 28 mei 2024 dus nog een restschuld van € 40.420,08. Vermeerderd met de wettelijke rente bedraagt de restschuld van [gedaagde 9] per 1 januari 2025 € 43.377,24. Dit bedrag moet volgens [eiseressen] c.s. in de verdeling worden betrokken.
4.7.
[gedaagde 9] stelt zich op het standpunt dat hij met de betaling van € 68.882,79 de vordering al volledig heeft voldaan. Hij betwist daarover wettelijke (handels)rente verschuldigd te zijn geweest.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. In de door [gedaagde 9] overgelegde e-mail van [gedaagde 1] (als executeur) aan [gedaagde 9] van 28 april 2018 (productie 7 van [gedaagde 9] ) heeft [gedaagde 1] het volgende geschreven:
“Beste [gedaagde 9]
Naar aanleiding van ons gesprek 23 april j.l. hier een begeleidende berekening over de lening die jij had bij je vader en nu is overgedragen aan al je broers en zusters.
Dit bedrag komt uit het laatste, bij ons bekend, 31-12-2014 jaarverslag ecopluimveebedrijf
€ 59.606,00
Mij lijkt 1% rente vanaf dat moment redelijk 2015-2016-2017
€ 1.788,18
Totaal restant lening € 61.394,18
De rekening van Könst zonnepanelen bedroeg
€ 6.189,00
21% BTW
€ 1.299,69
Totaal zonnepanelen € 7.488,69
Totaal verschuldigd € 68.882,78
Zoals wij in overleg hebben afgesproken, zie ik dit graag voor 1 mei a.s. tegemoet op de rekening van
Erven [vader]
[adres]
[postcode] [plaats] ”
4.9.
Uit deze e-mail maakt de rechtbank op dat van het door [gedaagde 9] op 28 mei 2024 betaalde bedrag van € 68.882,78 een bedrag van (€ 59.606,00 + € 1.788,18 =) € 61.394,18 betrekking had op de aflossing van de schuld van [gedaagde 9] inclusief een bedrag aan rente (1% op jaarbasis).
4.10.
[eiseressen] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 9] over zijn schuld wettelijke handelsrente, zoals door hen gevorderd, verschuldigd was. Zij hebben op dit punt gewezen op artikel 20 van Pro de maatschapsovereenkomst. Dit artikel ziet echter op de situatie dat een van de maten de onderneming voortzet. [gedaagde 9] heeft weersproken dat die situatie zich heeft voorgedaan en [eiseressen] c.s. zijn hierop vervolgens niet nader ingegaan. Bovendien is in artikel 20 niets Pro bepaald over de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente. Ook afgezien van het maatschapscontract is niet gebleken dat [gedaagde 9] met betrekking tot de aflossing van de schuld in verzuim is geraakt, nu niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde 9] - voordat hij tot betaling is overgegaan - in gebreke is gesteld, zoals hij terecht heeft aangevoerd.
4.11.
De slotsom is dat er geen sprake is van een in de verdeling te betrekken restschuld van [gedaagde 9] .
de saldi van de ervenrekeningen
4.12.
[eiseressen] c.s. vorderen de verdeling van de resterende saldi op de ervenrekeningen. Hierover wordt het volgende overwogen.
4.13.
Het zwaartepunt van de verdeling betreft de percelen grasland en de waardering daarvan. In dit verband heeft [gedaagde 9] verzocht de percelen aan hem toe te delen, onder de voorwaarde dat hij de financiering van de nog vast te stellen prijs rond kan krijgen. [gedaagde 9] heeft in dit verband ook een beroep op verrekening gedaan met het aan hem toekomende gedeelte van de saldi van de ervenrekeningen en ook [gedaagde 1] acht verrekening aangewezen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing over de verdeling van de saldi aanhouden tot de eindbeslissing over de verdeling van de percelen grasland.
proceskosten in het incident
4.14.
Gelet op het onderwerp van de zaak en de familieverhoudingen tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
verwijzing naar de parkeerrol
4.15.
De hoofdzaak zal nu naar de parkeerrol worden verwezen, in afwachting van de uitspraak van de pachtkamer. Ieder van partijen kan de zaak weer opbrengen om verder te procederen.
4.16.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
5.1.
wijst de incidentele vordering tot verwijzing toe en verwijst de zaak naar de pachtkamer van de rechtbank Den Haag;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak
verwijzing pachtkamer
5.4.
verwijst de hoofdzaak met betrekking tot de vordering van [eiseressen] c.s. tot ontbinding van de onder 4.3 bedoelde pachtovereenkomst naar de pachtkamer van de rechtbank Den Haag;
5.5.
bepaalt als nieuwe roldatum de rolzitting van de pachtkamer van deze rechtbank van dinsdag 28 april 2026 om 11:00 uur;
5.6.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de pachtkamer eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
5.7.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure bij de pachtkamer niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
verwijzing naar parkeerrol
5.8.
verwijst de zaak voor het resterende geschil naar de parkeerrol van 7 oktober 2026;
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026. [1]

Voetnoten

1.type: 1554