In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een procedure over de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en was al eerder door de rechtbank getoetst. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen zitting nodig was en het onderzoek op 6 januari 2026 gesloten.
De rechtbank heeft in haar overwegingen benadrukt dat de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring al eerder was beoordeeld en dat de periode van belang voor deze beoordeling loopt van 17 november 2025 tot 6 januari 2026. Eiser heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting naar Nigeria is en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank heeft echter geconcludeerd dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder andere door vertrekgesprekken met eiser te voeren op 11 en 24 december 2025.
De rechtbank heeft ook ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring getoetst en geen gronden gevonden voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig was. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.