De minister van Asiel en Migratie legde op 7 maart 2026 aan eiser een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring op. Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn zakelijke belangen en dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen. Tevens voerde hij aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had doorgevraagd naar de persoonlijke en zakelijke omstandigheden van eiser en dat deze belangen niet zodanig waren onderbouwd dat het inreisverbod verkort of opgeheven moest worden. De minister mocht bovendien afzien van een lichter middel vanwege het risico op onttrekking aan toezicht.
Daarnaast stelde eiser dat de rechtmatigheid van de controle door de vreemdelingenpolitie niet kon worden vastgesteld, maar de rechtbank stelde vast dat dit niet ter beoordeling stond in deze procedure. De beroepen werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.