Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6095

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/09/672331 / FA RK 24-6539
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie

De rechtbank Den Haag heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen partijen gehuwd sinds 2008. De minderjarige kinderen verblijven momenteel bij de vrouw, die ook de hoofdverblijfplaats van de kinderen toegewezen krijgt. De rechtbank oordeelt dat het belang van de kinderen het best gediend is met deze regeling, mede gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de huidige feitelijke situatie.

De zorgregeling wordt vastgesteld conform de huidige situatie: [de minderjarige 2] verblijft wekelijks van vrijdagavond tot zaterdagavond en op maandag bij de man, terwijl voor [de minderjarige 1] geen vaste zorgregeling wordt vastgesteld vanwege het ontbreken van draagvlak. De rechtbank benadrukt het belang van herstelgesprekken en verdere hulpverlening om het contact te verbeteren.

De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €129 per maand per kind, gebaseerd op een draagkrachtvergelijking van de ouders. De vrouw krijgt de echtelijke woning toegewezen tegen een waarde van €719.000, waarbij zij binnen vier maanden moet aantonen dat zij de woning kan overnemen. Bij niet-nakoming volgt verkoop. Verder worden afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgoederen, gebruiksvergoeding, en vergoeding van gemeentelijke belastingen en uitvaartpremies.

De rechtbank wijst verzoeken tot verrekening van huishoudkosten en vervangende toestemming voor woningoverdracht af, en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats kinderen bij vrouw vastgesteld, zorgregeling en kinderalimentatie geregeld, woning toegewezen aan vrouw onder voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6539 (echtscheiding) / FA RK 25-544 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/672331 (echtscheiding) / C/09/679185 (verdeling)
Datum beschikking: 19 februari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 12 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Boers te ’s-Gravenzande.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.M. van Wijk te Delft.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 2 december 2024;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 mei 2025;
- een F9-formulier van 11 januari 2026, met bijlagen, van de man;
- een F9-formulier van 12 januari 2026, met bijlagen, van de vrouw;
- een F9-formulier van 13 januari 2025, met bijlagen, van de man.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben tijdens afzonderlijke gesprekken in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.
Op 22 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- een F9-formulier van 6 februari 2026, met bijlagen, van de vrouw.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2008 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] .
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van een gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 16 augustus 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang inhoudende:
- bepaling dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de
echtelijke woning aan de [adres] ;
- toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw;
- bepaling van een voorlopige zorgregeling waarbij de kinderen de ene week bij de
man zijn en de andere week bij de vrouw van zondag 19.00 uur tot zondag 19.00
uur, waarbij de kinderen uit school de vrijheid hebben om even naar de andere
ouder te gaan, waarbij wel geldt dat de kinderen in de week van de man bij de man
avondeten en slapen en in de week van de vrouw bij de vrouw avondeten en slapen;
- Deze rechtbank heeft op 11 november 2024 de beslissing voorlopige voorzieningen van 16 augustus 2024 gewijzigd, voor zover van belang, inhoudende:
- vaststelling van een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen, inhoudende dat de kinderen nadat een herstelgesprek heeft plaatsgevonden tussen de
man en de kinderen onder begeleiding van de gezinsvertegenwoordiger of een andere hulpverlener, om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de man zullen zijn;
- verwijzing van partijen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan
de pilot Gezinsvertegenwoordiger;
- een verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten
naar de vraag welke zorgregeling in het belang van de kinderen is;
- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2024 is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om [de minderjarige 2] aan te melden bij Psychologenpraktijk AGO.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
primair:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de vrouw en vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] bij de man;
subsidiair:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de man;
en verder:
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven met zondag 19.00 uur als wisselmoment, alsmede vaststelling van de verdeling van de vakanties en feestdagen conform het voorstel van de man;
- in het geval beide kinderen de hoofdverblijfplaats bij de man hebben, vaststelling van een door de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 140,50 per maand te vermeerderen met de wettelijke indexering;
- in het geval [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de man heeft, vaststelling van een door
de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 190,-- per maand, te vermeerderen met
de wettelijke indexering;
- afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschap, conform het voorstel van de man;
- vaststelling van een gebruiksvergoeding per 1 juni 2024, gelijk aan de hoogte van
de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw – na wijziging – zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- de vrouw vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de man vervangt, om de aanvraag PGB voor [de minderjarige 1] te vernieuwen c.q. een nieuwe aanvraag te doen;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven, waarbij zij vrij zijn om gedurende deze periode ook elders te verblijven, op voorwaarde dat de kinderen de man laten weten waar ze zijn en hoe laat ze weer naar de man zullen komen en daarbij te bepalen dat de zorgregeling pas in zal gaan nadat een herstelgesprek als bedoeld in de beschikking voorlopige voorzieningen van 11 november 2024 heeft plaatsgevonden;
- vaststelling van de verdeling van de vakanties conform het voorstel van de vrouw waarbij geldt dat die regeling ingaat zodra de kinderen en de professionele hulpverleners van mening zijn dat dit kan en het herstelgesprek als bedoeld in de beschikking voorlopige voorzieningen van 11 november 2024 met goed resultaat heeft plaatsgevonden en er een duidelijke afspraak tussen de ouders vastligt over het contact van de kinderen met de andere ouder gedurende een vakantieperiode;
- vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie van € 292,-- per maand voor beide kinderen per 1 september 2024, bij vooruitbetaling te voldoen;
- afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschap, conform het voorstel van de vrouw;
- te bepalen dat de te wijzen beschikking in de plaats komt van de van de man
benodigde medewerking c.q. de van de man vereiste handtekeningen voor het
overdragen van de volledige eigendom van de echtelijke woning aan de vrouw,
indien de man niet binnen zeven dagen nadat hem daartoe een schriftelijk verzoek
is gedaan, hetzij van de advocaten hetzij door de notaris, een onherroepelijk
volmacht heeft getekend om namens hem over te gaan tot het passeren van de akte
van verdeling;
- te bepalen dat de man gehouden is gezamenlijk met de vrouw aangifte
Inkomstenbelasting te doen over 2024, welke aangifte zal worden verzorgd door
[naam 2] van [bedrijfsnaam] en te bepalen dat beide partijen in
verband hiermee uiterlijk 1 maart 2025 de benodigde informatie dienen aan te
leveren aan [naam 2] ;
- te bepalen dat de man gehouden is de ten laste van de vrouw voor zijn woning
afgeschreven gemeentelijke belastingen en voor zijn uitvaartverzekeringspolis betaalde premies aan de vrouw te vergoeden,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft op de zitting het verzoek met betrekking tot vervangende toestemming voor een vakantie ingetrokken.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist en heeft een zelfstandig verzoek tot echtscheiding gedaan, zodat de wederzijdse verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond zullen worden toegewezen.
De hoofdverblijfplaats van de kinderen.
De man heeft primair verzocht om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] bij hem te bepalen en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de vrouw. De man gaat er hierbij vanuit dat de kinderen evenveel tijd bij beide ouders zullen doorbrengen en acht dit verzoek daarom vanuit fiscaal oogpunt passend. Indien de vrouw hiermee niet instemt, dan verzoekt de man de hoofdverblijfplaats van de kinderen, vanuit fiscaal oogpunt, bij hem vast te stellen.
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen. De kinderen zijn aan haar toevertrouwd en verblijven met de vrouw in de voormalige echtelijke woning. De vrouw is voornemens de woning over te nemen. De vrouw acht het in het belang van de kinderen dat zij in de voor hen vertrouwde omgeving kunnen blijven. Daar komt bij dat de vrouw tijdens het huwelijk hoofdzakelijk alle praktische en administratieve zaken voor de kinderen heeft geregeld en dat zij ook nu alle kosten van de kinderen betaalt.
De rechtbank zal, gelet op de huidige feitelijke situatie waarbij de kinderen grotendeels bij de vrouw verblijven en het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van de kinderen bij de vrouw ligt en voorlopig ook nog zal liggen, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vaststellen. De rechtbank merkt op dat het door de man aangevoerde financiële argument om de hoofdverblijfplaats van (een van) de kinderen bij hem te bepalen in bepaalde omstandigheden redengevend kan zijn om op die manier te beslissen, maar dat de rechtbank dit argument in de huidige situatie niet doorslaggevend acht.
Vervangende toestemming aanvraag PGB
De vrouw heeft verzocht haar vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de man vervangt, om de aanvraag PGB voor [de minderjarige 1] te vernieuwen c.q. een nieuwe aanvraag te doen.
De man stelt dat de vrouw hem nooit heeft gevraagd medewerking te verlenen aan een
dergelijke aanvraag. De man stelt zich op het standpunt dat er al lange tijd geen sprake meer is van uitvalproblemen, zodat een aanvraag PGB niet nodig is.
De rechtbank beschouwt het verzoek tot vervangende toestemming aanvraag PGB als ingetrokken, omdat duidelijk is geworden dat er op dit moment geen PGB wordt gebruikt en dus van vernieuwing van de aanvraag geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat de situatie opnieuw zal moeten worden beoordeeld in het geval een nieuwe aanvraag nodig zal zijn.
De regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De man stelt dat hij gedurende het huwelijk het grootste deel van de zorg voor de kinderen op zich heeft genomen omdat de vrouw fulltime werkt en de man tijdens het huwelijk parttime werkte. De man verzoekt daarom een co-ouderschapsregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw zijn met als wisselmoment zondag 19.00 uur. Met betrekking tot de vakanties en feestdagen verzoekt de man de verdeling vast te stellen overeenkomstig zijn verzoek.
De vrouw betwist dat de man tijdens het huwelijk een groot deel van de zorg voor de kinderen op zich nam. Het is de vrouw die alles regelde en na werktijd het grootste deel van de zorg- en opvoeding op zich nam. Bovendien acht de vrouw de huidige woning van de man ongeschikt om de kinderen voor langere duur te laten verblijven. De man woont in een seniorencomplex en de woning beschikt over één slaapkamer met een stapelbed. De kinderen hebben daardoor weinig ruimte voor zichzelf. De vrouw acht het daarom niet in het belang van de kinderen dat zij in deze woning voor langere tijd aaneen bij de man verblijven.
De door de man verzochte week op week af regeling acht de vrouw niet in het belang van de kinderen. Zij verzoekt om vaststelling van een regeling waarbij de kinderen om de week een weekend bij de man zijn. De vrouw verzoekt om daarbij vast te leggen dat de kinderen de vrijheid hebben om in het betreffende weekend ook elders te zijn (bij de vrouw of bij vrienden). De vakanties kunnen bij helfte worden verdeeld, zodra de kinderen en professionele hulpverlener hierachter staan en de kinderen een herstelgesprek hebben gehad met de man, zoals bepaald in de beschikking voorlopige voorzieningen. De verdeling van de vakanties en feestdagen zoals voorgesteld door de man is volgens de vrouw niet haalbaar. De vrouw zal dan bijvoorbeeld in de kerst- of meivakantie nooit een week met de jongens weg kunnen gaan.
De Raad heeft op grond van de beschikking van deze rechtbank van 11 november 2024 een onderzoek verricht en daarover gerapporteerd. Uit het rapport van mei 2025 blijkt dat de ouders elkaar diskwalificeren als ouder en negatief over elkaar spreken. De ouders belasten de kinderen met de scheidingsproblematiek. Dit zorgt voor een loyaliteitsconflict bij de kinderen. De kinderen geven zichzelf de schuld van de situatie, hebben sombere gedachten en zien geen mogelijkheid om fijn contact met beide ouders te hebben.
[de minderjarige 1] heeft goede schoolprestaties maar is meermaals langdurig uitgevallen. Er bestaan zorgen dat dit weer zal gebeuren. Ook [de minderjarige 2] kan goed meekomen op school en volgt een apart programma dat meer uitdaging biedt. [de minderjarige 2] is meer dan gemiddeld ziek geweest en geeft op school vaak aan dat hij zich niet lekker voelt. [de minderjarige 2] heeft bij de Raad aangegeven dat hij vaak piekert over de scheiding en slecht slaapt. [de minderjarige 2] is bij Psychologenpraktijk AGO gestart voor psychologische hulp. Hier is gezien dat hij veel machteloosheid, boosheid, onrust en weinig houvast ervaart in de scheidingssituatie. AGO geeft aan dat er zorgen zijn over [de minderjarige 2] omdat hij onder grote druk staat.
Ten tijde van het onderzoek van de Raad heeft het herstelgesprek met de man nog niet plaatsgevonden. De Raad adviseert om dit met behulp van hulpverleners alsnog te laten plaatsvinden. Het is van belang dat de kinderen van beide ouders emotionele toestemming voelen om contact te hebben met de andere ouder. De ouders moeten niet negatief over elkaar praten en de kinderen de ruimte geven zelf een beeld te vormen over de ouders. De communicatie tussen de ouders verloopt stroef en de kinderen worden hiermee belast.
De Raad adviseert een beslissing op het verzoek met betrekking tot de zorgregeling aan te houden voor de duur van drie maanden zodat het traject bij Kenniscentrum Kind en Scheiding kan worden voortgezet. Ook kan de behandeling van [de minderjarige 2] doorgang vinden, waarbij de man betrokken gaat worden en kan op deze manier een herstelgesprek plaatsvinden. Ook is er dan voor [de minderjarige 1] ruimte om zijn behandeling op te starten waarbij vanuit de behandelsetting of door een kindbehartiger kan worden ingezet op de eerste stap tot mogelijk contactherstel met de man. De Raad vindt het belangrijk dat de wensen van [de minderjarige 1] worden gehoord. Hierna kan bekeken worden hoe de zorgregeling vormgegeven kan worden.
De rechtbank overweegt als volgt. Deze rechtbank heeft op 16 augustus 2024 een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw zijn van zondag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de kinderen uit school de vrijheid hebben om even naar de andere ouder te gaan, waarbij wel geldt dat de kinderen in de week van de man bij de man avondeten en slapen en in de week van de vrouw bij de vrouw avondeten en slapen. Deze regeling is bij beschikking van 11 november 2024 gewijzigd in die zin dat de kinderen, nadat een herstelgesprek heeft plaatsgevonden tussen de man en de kinderen onder begeleiding van de gezinsvertegenwoordiger of een andere hulpverlener, om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de man zullen zijn.
Gebleken is dat [de minderjarige 1] op dit moment geen contact heeft met zijn vader. [de minderjarige 2] is elke week
van vrijdagavond tot zaterdagavond bij zijn vader en daarnaast soms op maandag. [de minderjarige 1] gaat weer naar school, maar [de minderjarige 2] gaat op dit moment helemaal niet naar school. Ook is gebleken dat de ouders hulpverlening krijgen van AGO, die met name gericht is op de situatie rondom [de minderjarige 2] , maar dat de benadering van AGO systemisch is en dat het contact tussen [de minderjarige 1] en de man daarin ook meegenomen wordt. Beide kinderen hebben tijdens de gesprekken in raadkamer aangegeven een sterke behoefte te hebben aan regie in het contact met hun vader. [de minderjarige 1] heeft daarbij aangegeven het contact met zijn vader langzaam weer te willen opbouwen en [de minderjarige 2] heeft aangegeven de huidige regeling voor nu goed te vinden.
De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden in het belang van de kinderen dat de situatie met betrekking tot het contact tussen de man en de kinderen zoals die nu is wordt vastgesteld als zorgregeling. De rechtbank spreekt de hoop en verwachting uit dat dit de beide ouders en de kinderen duidelijkheid en rust zal geven en dat vanuit die situatie met hulp van de betrokken hulpverleners van AGO kan worden gewerkt aan het herstel van contact tussen [de minderjarige 1] en de man en het versterken van het contact tussen [de minderjarige 2] en de man. De rechtbank merkt daarbij op dat het doel is dat wordt toegewerkt naar uitbreiding van de huidige regeling, zeker als de man over huisvesting beschikt die beter geschikt is voor overnachting van [de minderjarige 2] (en [de minderjarige 1] ) bij hem.
De rechtbank zal met betrekking tot [de minderjarige 2] vaststellen dat hij elke week van vrijdagavond tot zaterdagavond bij de man is en daarnaast op maandagmiddag, voor zover dit met school te combineren is. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders in onderling overleg en overleg met [de minderjarige 2] een andere middag zullen afspreken indien dit voor [de minderjarige 2] beter met school te combineren zal zijn.
De rechtbank zal daarnaast, gelet op de huidige situatie, geen zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] vaststellen. Gebleken is dat er bij [de minderjarige 1] op dit moment geen draagvlak is voor het vaststellen van een vaste regeling. De rechtbank acht dit gelet op de leeftijd van [de minderjarige 1] en de gegeven situatie ook niet passend. De rechtbank gaat er wel vanuit dat de ouders [de minderjarige 1] , onder begeleiding van AGO, zullen stimuleren en ondersteunen in het opbouwen van het contact met de man.
Met betrekking tot de vakanties en feestdagen zal de rechtbank geen aparte regeling vaststellen. De zorgregeling zoals deze zal worden vastgesteld, zal in de vakanties en tijdens feestdagen doorlopen. In onderling overleg en in overleg met de kinderen kunnen de ouders afspreken dat de kinderen voor een langere periode bij de man verblijven. Dit is ook afhankelijk van de woonruimte en vakantieplannen van de man.
Brief aan [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
De rechtbank heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een brief geschreven. Volledigheidshalve staat de inhoud van die brief hieronder, zodat beide ouders daarvan op de hoogte zijn.
Beste [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ,
Een paar weken geleden spraken wij met elkaar omdat ik vlak daarna met jullie ouders zou praten over de beslissingen in de zaak rond hun echtscheiding. Sommige van die beslissingen gaan ook over jullie en ik vond het daarom fijn om jullie te zien en te spreken. Wij hebben gesproken over hoe het met jullie gaat en hoe de situatie voor jullie is. Ik vond het goed om van jullie zelf te horen wat voor jullie belangrijk is. Ik vond het ook goed om te merken dat jullie veel steun hebben aan elkaar, maar dat jullie wel allebei je eigen pad kiezen.
Ik heb inmiddels met jullie ouders gesproken en besproken wat jullie vinden van de situatie. Ik heb nu een beslissing genomen over de echtscheiding, maar ook over een aantal andere dingen. Voor jullie is het belangrijk om te weten dat ik heb beslist dat jullie je hoofdverblijfplaats zullen hebben bij jullie moeder. Dat betekent dat jullie ingeschreven staan bij haar. In ieder geval voorlopig zal dat zijn op het adres waar jullie nu wonen. Ik kan niet in de toekomst kijken, maar ik hoop voor jullie dat jullie daar kunnen blijven wonen. Ik heb daarnaast beslist dat er geen regeling voor het contact met jullie vader wordt vastgelegd voor [de minderjarige 1] en dat er voor [de minderjarige 2] de regeling zal gelden die er nu is. Dat betekent niet dat het contact in de toekomst niet anders kan worden. Ik hoop dat het gesprek tussen [de minderjarige 1] en jullie vader ervoor zal zorgen dat het contact weer langzaam zal worden opgebouwd. En ik hoop voor [de minderjarige 2] dat het in de toekomst zo zal zijn dat het contact met jullie vader zo is dat jullie ook extra contact kunnen afspreken.
Ik zou voor jullie het liefste willen dat de situatie weer wat normaler wordt en dat het allemaal niet zo ingewikkeld meer is. Ik hoop dat het contact met jullie vader ook gewoon weer fijn kan zijn.
Als laatste laat ik jullie weten dat ik de inhoud van deze brief ook in de beslissing voor jullie ouders heb opgenomen, zodat ze weten wat ik jullie heb geschreven. Ik wens jullie heel veel succes in de toekomst. Bedankt voor de gesprekken die we hebben gehad. En [de minderjarige 1] , jij ook bedankt voor de informatie die je me hebt gegeven. Ik vond het heel goed om zo meer over je te weten te komen.
Met vriendelijke groet,de rechter
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening daarvan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De door de rechtbank gemaakte berekeningen zullen aan deze beschikking worden gehecht.
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van deze beschikking omdat in de voorlopige voorzieningen al een beslissing is genomen over kinderalimentatie, waarbij werd vastgesteld dat de man niet over voldoende draagkracht beschikte en het verzoek werd afgewezen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de basisbehoefte van de kinderen in 2024 € 1.470,-- per maand voor beide kinderen bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.638,-- per maand.
De vrouw stelt dat het tabelbedrag moet worden verhoogd met de extra kosten die ten behoeve van [de minderjarige 1] worden gemaakt. [de minderjarige 1] volgt middelbaar onderwijs op Codarts te Rotterdam. [de minderjarige 1] gaat met het openbaar vervoer naar school, waarvoor een abonnement is aangeschaft. Verder zijn de kosten van de school hoger dan gemiddeld. Ook speelt [de minderjarige 1] in het kader van zijn opleiding saxofoon, waardoor er kosten voor instrumenten en benodigdheden bijkomen. In totaal bedragen de extra kosten € 290,-- per maand, aldus de vrouw.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. De ‘normale’ kosten van school worden dus geacht te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Bepaalde kosten kunnen echter zo uitzonderlijk zijn dat deze niet zijn begrepen in het tabelbedrag, en daarnaast niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. In dat geval kan het tabelbedrag worden gecorrigeerd. Voorbeelden van kosten die volgens het rapport in aanmerking komen voor correctie zijn de kosten van een gehandicapt kind, kosten van topsport, privélessen en extra hoge schoolgelden.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom de door haar gemaakte netto extra kosten voor de middelbare school van [de minderjarige 1] niet geacht kunnen worden (volledig) te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het tabelbedrag te verhogen.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.005,-- bruto per maand exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificatie van december 2025.
De man stelt dat de vrouw een eenmanszaak heeft, [eenmanszaak] , en dat daarom rekening gehouden moet worden met extra inkomen, dan wel een verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw. De vrouw heeft het standpunt ingenomen dat zij in het verleden naast haar inkomen uit loondienst incidenteel inkomen uit de eenmanszaak verkreeg door management werkzaamheden te verrichten. De vrouw stelt dat zij op dit moment nauwelijks nog werkzaamheden verricht in de eenmanszaak. De inkomsten zijn volgens de vrouw momenteel verwaarloosbaar.
De rechtbank stelt vast dat de man gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet heeft onderbouwd dat de vrouw momenteel nog inkomen verkrijgt door werkzaamheden te verrichten in de eenmanszaak. Gelet op het vorenstaande houdt de rechtbank geen rekening met inkomen uit de eenmanszaak of verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt aan de zijde van de vrouw verder rekening met:
- de pensioenpremie van € 327,--.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 4.464,-- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,--, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,--)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [4.464 - (1.339 + 1.365)] = € 1.232,-- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.439,-- bruto per maand exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties over 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met:
- de pensioenpremie van € 213,--.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 3.069,--per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,--, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3069 – (921 + 1365)] = € 548,-- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.780,-- per maand (€ 1.232,-- +
€ 548,--). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 548 / 1.780 x 1.638 = € 504
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.232 / 1.780 x 1.638 =
€ 1.134
samen € 1.638
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 504,-- per maand, wat neerkomt op € 252,-- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van
€ 1.134,-- per maand, wat neerkomt op € 567,-- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.
Omdat de man gemiddeld anderhalve dag per week omgang heeft met [de minderjarige 2] , geldt voor de zorgkorting een percentage van 15. De rechtbank houdt bij beide kinderen rekening met dit percentage omdat toegewerkt wordt naar contactherstel tussen de man en [de minderjarige 1] . De zorgkorting bedraagt dan € 246,-- per maand ((15% van 1.638
)).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 258,-- per maand (€ 504 -/- € 246), zijnde € 129,-- per maand per kind.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
De man en de vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Kort gezegd houden de huwelijkse voorwaarden in dat elke gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten is uitgesloten. Verder zijn partijen een periodiek verrekenbeding overeengekomen, waaraan geen uitvoering is gegeven.
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden eenvoudige gemeenschap geldt als peildatum 12 september 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
De man en de vrouw hebben ter afwikkeling van hun huwelijksvermogensregime de volgende onderdelen naar voren gebracht:
  • Kleding en sieraden
  • Inboedel
  • Echtelijke woning en hypothecaire geldleningen
  • Spaarpolis Rabobank
  • Banksaldi t.n.v. man
  • Banksaldi t.n.v. vrouw
  • Banksaldi gemeenschappelijke bankrekening
  • Personenauto vrouw
  • Activa en passiva Heus management (eenmanszaak vrouw)
De rechtbank constateert dat bovengenoemde onderdelen deels tot de eenvoudige gemeenschap(pen) en deels tot het te verrekenen vermogen behoren.
Over en weer hebben partijen, behoudens de bankrekeningen ten name van de man en ten name van de vrouw, geen verzoeken met betrekking tot verrekening gedaan. Voor zover er in de genoemde onderdelen sprake is van onderdelen die tot het te verrekenen vermogen behoren, zal de rechtbank daarop in het hiernavolgende ingaan. De rechtbank zal eerst de eenvoudige gemeenschap(pen) bespreken.
Kleding, sieraden en de inboedel
Partijen zijn het erover eens dat de kleding, sieraden en inboedel al zijn verdeeld, zonder nadere verrekening.
Personenauto
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de helft van de waarde van de auto, zijnde een bedrag van € 4.550,-- (de helft van € 9.100,--) aan de man zal voldoen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Banksaldi
Partijen zijn het erover eens dat de saldi van de gemeenschappelijke bankrekeningen bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.
De bankrekeningen ten name van de vrouw en ten name van de man behoren niet tot de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap. Kennelijk zijn partijen het er wel over eens dat de saldi van deze rekeningen per de peildatum tussen partijen moeten worden verdeeld. Partijen hebben afgesproken dat zij onderling informatie over deze rekeningen zullen uitwisselen, voor zover dat nodig blijkt.
Eenmanszaak [eenmanszaak]
De man is niet bekend met de activa en passiva van de eenmanszaak en verzoekt de vrouw te gelasten hiervan opgave te doen. De man verzoekt verder om de som van de activa en passiva met hem te verrekenen in die zin dat de vrouw de helft van dit bedrag aan de man dient te voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de eenmanszaak tot het vermogen van de vrouw behoort. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de eenmanszaak een batig saldo heeft dat moet worden verrekend. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
Echtelijke woning, hypothecaire geldleningen en de spaarpolis
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de vrouw moet worden toegedeeld en dat de woning zal worden verkocht indien de vrouw niet in staat is de woning over te nemen. De rechtbank zal de echtelijke woning in zoverre aan de vrouw toedelen op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.
Partijen verschillen van mening over de waarde waartegen de vrouw de woning zou moeten overnemen. De man wil de actuele waarde hanteren, terwijl de vrouw stelt dat partijen al overeenstemming hebben over de waarde die gehanteerd moet worden en dat die waarde in het spoorboekje moet worden opgenomen.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat partijen over de waarde van de woning al overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank ziet wel aanleiding om een beslissing te nemen over de waarde waartegen de vrouw in staat moet worden gesteld om de woning over te nemen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. Het is duidelijk dat er vertraging is geweest in de overdracht van de woning. Niet is vast te stellen aan wie deze vertraging is te wijten, beide partijen hebben hier een rol in gehad. De oplossing voor de ontstane impasse had naar het oordeel van de rechtbank gelegen in een eerdere overdracht van de woning. Onweersproken is dat de vrouw daartoe een voorstel heeft gedaan, namelijk overdracht van de woning aan haar waarbij het bedrag dat in geschil was in depot zou worden gehouden. Nu dat niet is gebeurd, ziet de rechtbank aanleiding de financiële gevolgen van de vertraging voor rekening van beide partijen te laten komen door het verschil in waarde dat nu is ontstaan te middelen.
In juni 2023 is de woning getaxeerd tegen een waarde van € 675.000,--. In oktober 2023 is de woning getaxeerd tegen een waarde van € 678.000,--. In december 2025 is de woning nogmaals getaxeerd, nu tegen een waarde van € 760.000,--
De rechtbank zit aanleiding om voor de waarde van de woning te middelen tussen de waarde in oktober 2023 en de waarde in december 2025. Het verschil in waarde bedraagt
€ 82.000,--. De rechtbank zal de helft van dit verschil in mindering brengen op de meest recent getaxeerde waarde van de woning van € 760.000,--, zodat de rechtbank uitkomt op een waarde van € 719.000,-- waartegen de vrouw de woning kan overnemen.
Gebruiksvergoeding
De vrouw verblijft in de echtelijke woning. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan de man dient te voldoen gelijk aan de helft van de eigenaarslasten, wat er per saldo op neerkomt dat de vrouw deze lasten volledig draagt.
De rechtbank overweegt dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw alle lasten van de woning heeft betaald sinds de man de woning heeft verlaten en dat de vrouw heeft toegezegd dat zij deze lasten zal blijven betalen. De rechtbank stelt vast dat de man recht heeft op een gebruiksvergoeding. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van deze gebruiksvergoeding gelijk is aan het deel van de lasten van de woning die voor rekening van de man komen. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van de man toe met dien verstande dat de vrouw tot heden deze vergoeding al heeft betaald en dat zij dat zal blijven doen totdat woning aan haar of een derde is overgedragen.
Beschikking in plaats van toestemming man
De rechtbank wijst dit verzoek af. De man heeft duidelijk aangegeven belang te hebben bij de overdracht van de woning en te zullen meewerken. De rechtbank ziet daarom onvoldoende reden het verzoek van de vrouw toe te wijzen.
Verrekening huishoudkosten
Op grond van de huwelijkse voorwaarden moeten beide partijen naar rato van hun inkomen bijdragen aan de kosten van de huishouding. Aan het verzoek van de vrouw ligt ten grondslag dat deze verrekening nooit heeft plaatsgevonden. Nog los van de vraag of op grond van artikel 7 lid 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden de vordering van vrouw is verjaard, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen omdat, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, op basis van de door partijen verstrekte gegevens door de rechtbank niet vast is te stellen wat de inkomens van partijen in de betreffende jaren waren en wat de totale kosten van de huishouding waren, zodat voor de rechtbank niet is vast te stellen of de door de vrouw genoemde bedragen juist zijn.
Aangifte Inkomstenbelasting 2024
Niet in geschil is dat deze aangifte inmiddels is gedaan, zodat er geen belang meer bestaat bij toewijzing van dit verzoek.
Uitvaartpremie en gemeentebelasting
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de door haar betaalde premie voor de uitvaartverzekering ten behoeve van de man en de van haar rekening afgeschreven bedragen voor gemeentelijke belastingen met betrekking tot de woning van de man dient te vergoeden. De man heeft toegezegd deze bedragen te zullen terugbetalen aan de vrouw, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal vaststellen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2008 te [geboorteplaats] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] .
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 2] , bij de man zal zijn:
- elke week van vrijdagavond tot zaterdagavond,
- elke week op maandag voor zover dit met school is te combineren;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 129,-- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] ;
en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en polis(sen):
1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) de vrouw dient binnen vier maanden na de datum van deze beschikking aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de waarde van € 719.000,-- kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de hiervoor genoemde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht;
c) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen, een makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
*
stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschap als volgt vast:
1. aan de man worden toegedeeld:
1.1.
de helft van de sieraden, zoals reeds verdeeld, zonder nadere verrekening;
1.2.
de helft van de inboedel, zoals reeds verdeeld, zonder nadere verrekening;
1.3.
de helft van de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen per de peildatum;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
2.1.
de helft van de sieraden, zoals reeds verdeeld, zonder nadere verrekening;
2.2.
de helft van de inboedel, zoals reeds verdeeld, zonder nadere verrekening;
2.3.
de helft van de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen per de peildatum;
2.4.
de personenauto, onder vergoeding van de helft van de waarde, zijnde een
bedrag van € 4.550,-- (de helft van € 9.100,--), aan de man;
*
neemt op de afspraak tussen partijen dat zij de saldi van de bankrekeningen ten name van de man en ten name van de vrouw per de peildatum, bij helfte zullen delen;
*
neemt op de afspraak tussen partijen dat de man de door de vrouw betaalde premie voor de uitvaartverzekering ten behoeve van de man en de van haar rekening afgeschreven bedragen voor gemeentelijke belastingen met betrekking tot de woning van de man aan haar dient te vergoeden;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van 1 juni 2024 tot aan de levering van de echtelijke woning aan de man een vergoeding voor het gebruik van deze woning dient te betalen, gelijk aan de helft van de lasten van de echtelijke woning, met dien verstande dat deze lasten tot op heden al door de vrouw zijn betaald;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 februari 2026.