Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6103

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/09/672554 / FA RK 24-6651
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 3:300 BWArt. 3 Protocol 23 november 2007Art. 4 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978Art. 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, verdeling huwelijksvermogen en afwijzing partneralimentatie

Partijen zijn gehuwd in 2010 in het buitenland en hebben een minderjarige zoon geboren in 2023. De rechtbank Den Haag heeft de echtscheiding uitgesproken en het ouderschapsplan, waarin gezamenlijke zorg en verblijf zijn geregeld, opgenomen in de beschikking.

De man verzocht om toestemming om met de minderjarige naar het buitenland te verhuizen, maar dit verzoek is afgewezen omdat de verhuizing niet in het belang van het kind is. De rechtbank weegt het belang van het kind, de zorgverdeling en de slechte communicatie tussen ouders mee.

De rechtbank stelt de zorgregeling vast met een gelijkwaardige verdeling van zorg en vakanties. De vrouw moet kinderalimentatie betalen aan de man. Het verzoek tot partneralimentatie door de man wordt afgewezen wegens gebrek aan behoeftigheid.

De verdeling van het huwelijksvermogen wordt deels beheerst door Duits recht (Zugewinngemeinschaft) voor de periode tot 2011 en deels door Nederlands recht voor de periode daarna. De woning wordt aan de man toegewezen onder voorwaarden, met een regeling voor overname of verkoop. De inboedel wordt aan de man toegewezen met een vergoeding aan de vrouw. Bankrekeningen op naam van het kind blijven buiten verdeling.

Een verzoek tot pensioenverevening wordt niet in behandeling genomen wegens schending van goede procesorde. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld, partneralimentatie afgewezen, huwelijksvermogen verdeeld onder Duits en Nederlands recht.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6651 (echtscheiding) FA RK 25-3079 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/672554 (echtscheiding) C/09/684166 (verdeling)
Datum beschikking: 19 februari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 12 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Braat te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Lagerwerf te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 31 januari 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift ingekomen op 25 februari 2025;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek ingekomen op 23 april 2025;
- een F9-formulier van 15 juli 2025, met bijlagen van de vrouw;
- een F9-formulier van 17 juli 2025, met bijlagen van de vrouw;
- een aanvullend verzoekschrift van de man ingekomen op 20 augustus 2025;
- een F9-formulier van 22 oktober 2025, met bijlagen, van de man;
- een verweerschrift van de vrouw tegen de aanvullende en gewijzigde verzoeken,
ingekomen op 5 november 2025;
- een F9-formulier van 5 december 2025, met bijlagen, waaronder een aanvullend
verzoek, van de man;
- een F9-formulier van 8 december 2025, met bijlagen, van de vrouw.
Op 18 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank – in combinatie met het verzoek tot erkenning van buiten Nederland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen en adoptie (C/09/689424) – behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaat alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Tevens waren aanwezig J. van Nielen, tolk Engels, voor de man en K. Fourmon-Kortijk, tolk Frans, voor de vrouw. Van zowel de zijde van de vrouw als de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd. Op het verzoek met zaaknummer C/09/689424 is op 22 januari 2026 bij afzonderlijke beschikking beslist.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1] , [land 1] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
- [minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw en de man conform de afspraken in het ouderschapsplan d.d. 6 november 2024.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- De man is Burger van de Bondsrepubliek Duitsland en de vrouw heeft de Franse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- aanhouding van de echtscheidingsbeslissing totdat een beslissing is gegeven in de
procedure betreffende de erkenning van de familierechtelijke betrekkingen van
partijen tot [minderjarige] ;
- bepaling dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking met dien
verstande dat de in artikel 3.1 van het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling
wordt gewijzigd overeenkomstig het gewijzigd verzoek van de vrouw ingekomen
op 5 november 2025, inclusief de regeling voor de vakanties en feestdagen;
- bepaling dat ouders over en weer behoudens zwaarwegende gronden binnen een
week na het verstrekken van het benodigde toestemmingsformulier om te reizen
aan de andere ouder dit te ondertekenen;
- bepaling dat de rekeningen op naam van [minderjarige] buiten iedere
verdeling/verrekening blijven en dat de saldi enkel ten gunste van [minderjarige] komen;
ten aanzien van de echtelijke woning:
- de echtelijke woning onverdeeld te laten voor een periode van drie jaar dan wel
iedere andere termijn af te wijzen en
primair:
- bepaling dat de echtelijke woning zal dienen te worden getaxeerd door een door de
rechtbank aan te wijzen taxateur, waarna aan de man twee maanden na de te wijzen
beschikking twee maanden de tijd wordt geboden om te onderzoeken of hij in staat
zal zijn de echtelijke woning over te nemen. Indien de man daartoe in staat is, zal
de echtelijke woning aan de man worden toegedeeld tegen de getaxeerde waarde
onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke
aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO alsmede onder
voldoening door de man aan de vrouw van haar aandeel in de overwaarde ten
bedrage van € 345.522,-- PM onder de verplichting van de vrouw de schuld aan
EPO als eigen schuld te voldoen, waarbij de man zal worden ontslagen uit de
hoofdelijke aansprakelijkheid van deze schuld;
subsidiair:
  • bepaling dat indien de man binnen twee maanden na de te wijzen beschikking niet in staat zal blijken de woning over te nemen, de woning zal worden verkocht, waarbij de verkoopopbrengst na aftrek va de aan de verkoop verbonden kosten en na aflossing van de hypothecaire geldleningen bij helfte zal worden verdeeld;
  • bepaling dat bij verkoop van de woning binnen twee weken na het bekend worden dat de man niet in staat zal zijn de woning over te nemen (aldus twee maanden + twee weken na de te wijzen beschikking) te koop zal worden aangeboden via een door de vrouw aan te wijzen makelaar en indien de man zijn medewerking weigert aan het verstrekken van de verkoopopdracht, deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats zal treden van zijn medewerking aan het verstekken van de opdracht aan de door de vrouw aan te wijzen makelaar;
  • bepaling dat in het geval de man na verkoop van de woning niet meewerkt aan de levering van de woning aan de kopende partij dat in dat geval de te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de voor het passeren van de akte van levering vereiste wilsverklaring van de man;
en verder
  • bepaling dat aan eenieder de inboedel wordt toegedeeld die hij/zij in het bezit heeft onder de verplichting dat de man aan de vrouw een overbedelingsvergoeding zal voldoen van € 4.000,--;
  • de door de man verzochte partneralimentatie af te wijzen dan wel subsidiair op maximaal € 655,-- bruto per maand vast te stellen voor de maximale duur van vijf jaar;
  • bepaling dat de vrouw in het kader van de afwikkeling van de Zugewinngemeinschaft een bedrag van € 26.856,-- aan de man zal voldoen;
  • bepaling dat de vrouw de overbedelingsvordering die zij in het kader van de afwikkeling van de Zugeinngemeinschaft aan de man zal voldoen niet eerder zal behoeven te voldoen dan de datum van levering van de woning aan de man of aan een derde;
voorwaardelijk verzoek bij toepassing van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht:
- bepaling dat de woning aan het adres [adres 1] , [plaats 2] , [land 2] toebehoort tot het privévermogen van de vrouw en derhalve niet voor verdeling in aanmerking komt,
dan wel subsidiair
  • bepaling dat deze woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder de verplichting van de vrouw om aan de man het bedrag van € 50.500,-- te vergoeden uit hoofde van overbedeling aan de zijde van de vrouw;
  • bepaling dat uit hoofde van de verdeling van het vermogen van de Franse bankrekeningen, zoals genoemd onder punt 27 van het aanvullend verzoekschrift van 27 januari 2025 (ingekomen op 31 januari 2025) aan de man toekomt een bedrag van € 22.245,12;
  • bepaling dat de vrouw de overbedelingsvordering die zij in het kader van de verdeling van de gemeenschap aan de man zal voldoen niet eerder zal behoeven te voldoen dan de datum van levering van de woning aan de man of aan een derde,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:
- het door partijen ondertekende ouderschapsplan nietig te verklaren;
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man;
- de man vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [plaats 3] , [land 1] , te verhuizen;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , in die
zin dat een regeling geldt waarbij [minderjarige] bij de vrouw is:
- een weekend per maand in [land 1] . De vrouw reist naar en verblijft in
[land 1] . De man betaalt 50% van de verblijfskosten en de reiskosten van
de vrouw in [land 1] tijdens dit weekend;
- een weekend per maand in Nederland. De man brengt [minderjarige] naar de
vrouw en hij haalt [minderjarige] op;
- dagelijks contact via videobellen plaatsvindt tussen de vrouw en [minderjarige] ;
- verdeling van de vakanties bij helfte in onderling overleg;
- bepaling dat de echtelijke woning aan de [adres 2] te [plaats 4] onverdeeld
wordt gelaten voor de maximale wettelijke termijn van drie jaar, althans totdat de
beschikking waarin is vastgesteld wat de omvang is van het aan de man toekomend
uit hoofde van de afwikkeling van de verdeling van de gemeenschap van goederen
in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaling dat gedurende een door de rechtbank te bepalen periode van tenminste zes
maanden vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de
registers van de burgerlijke stand, de man jegens de vrouw bevoegd is om de
bewoning en het gebruik van de woning aan de [adres 2] te [plaats 4] en tot
de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten;
- vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap waarbij:
primair:
- het saldo op de Franse bankrekening bij helfte wordt verdeeld, waarbij de man
€ 150.858,50 van de vrouw ontvangt, binnen 4 weken na de datum van de echtscheiding;
  • de woningen in [land 2] aan de vrouw worden toegedeeld, waarbij de man de helft van de (taxatie)waarde ontvangt conform het spoorboekje;
  • het aandeel van de man in de woning in [land 3] aan de man wordt toegedeeld, waarbij de vrouw € 3.574,- ontvangt;
  • de resterende inboedel aan de man wordt toegedeeld, waarbij hij aan de vrouw
€ 2.000,- betaalt;
- het door de vrouw bij de EPO opgebouwde pensioen bij helfte wordt verdeeld, waarbij de vrouw binnen 12 maanden na de datum van de echtscheiding de helft van de waarde aan de man uitkeert;
subsidiair (indien de rechtbank oordeelt dat de [land 1] Zugewinngemeinschaft van toepassing is):
  • de man de helft van de vermogensaanwas op de Franse bankrekeningen ontvangt alsmede de helft van de waardevermeerdering van de woningen van de vrouw ontvangt;
  • te bepalen dat de vrouw de helft van het verschil tussen haar pensioen en het pensioen van de man, aan de man dient te betalen binnen twaalf maanden na de datum van de echtscheiding conform het systeem van de Versorgungsausgleich;
- te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 195 Rv Pro jo. artikel 22 Rv Pro een afschrift
van de eigendoms- en leveringsakten van de woning in [plaats 5] , [land 2]
in het geding dient te brengen, teneinde inzage te verschaffen in de (eigendoms)
details van de woning;
subsidiair (indien de rechtbank geen toestemming verleent voor de verhuizing naar
[land 1] ):
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , in die
zin dat een regeling geldt waarbij [minderjarige] bij de vrouw is:
  • om de week van vrijdag na de opvang tot dinsdagochtend naar de opvang zolang de vrouw niet werkt op maandag, en in het geval de vrouw wel werkt op maandag tot maandagochtend naar de opvang;
  • de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te verdelen;
  • vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie van
€ 353,-- netto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie van
€ 2.145,-- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56 lid 1 BW Pro Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist en heeft op zijn beurt zelfstandig de echtscheiding verzocht, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
De vrouw heeft verzocht een beslissing over de echtscheiding aan te houden totdat is beslist in de procedure betreffende de erkenning van de familierechtelijke betrekkingen van
partijen tot [minderjarige] . Nu in die procedure op 22 januari 2026 is beslist zal de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitspreken.
Opname ouderschapsplan
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek de getroffen regelingen op te nemen in de beschikking. De rechtbank zal hierop Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
De man heeft zijn verzoek om het ouderschapsplan nietig te verklaren ingetrokken met dien verstande dat de rechtbank een beslissing neemt over de zorgregeling en het verzoek van de man met betrekking tot de vervangende toestemming voor verhuizing naar [land 1] .
De rechtbank zal in het navolgende beslissingen nemen over deze verzoeken, zodat het verzoek om het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking als niet weersproken en op de wet gegrond wordt toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.
De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem vast te stellen. De rechtbank wijst dit verzoek af wegens gebrek aan belang omdat partijen in het ouderschapsplan overeen zijn gekomen dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben en dit ouderschapsplan in de beschikking wordt opgenomen.
Toestemming verhuizing man met minderjarige naar [land 1]
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek.
Als ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kind, kunnen zij geschillen over de uitoefening van dat gezag samen maar ook zelfstandig aan de rechtbank voorleggen. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Volgens vaste rechtspraak betekent dat overigens niet dat het belang van het kind bij dergelijke geschillen altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechtbank betrekt in de beslissing daarover alle omstandigheden van het geval en weegt alle betrokken belangen af. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5901). Het gaat onder meer om het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten, de (on)mogelijkheid om op een andere wijze aan dat belang tegemoet te komen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren, de leeftijd van de minderjarige, de te overbruggen afstanden en de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg.
De man wenst met [minderjarige] naar [land 1] te verhuizen. Samengevat voert de man daartoe het volgende aan. De man is opgegroeid in [land 1] en heeft daar tot 2011 gewoond. Hij heeft in Nederland geen sociaal netwerk, terwijl hij dat wel heeft in [land 1] . Ook heeft de man uitzicht op een betere baan in [land 1] en kan hij daar makkelijker passende en betaalbare woonruimte vinden. De man stelt dat in [land 1] scholen en opvang beschikbaar zijn voor [minderjarige] . [minderjarige] spreekt [taal] en is volgens de man niet geworteld in Nederland, zodat de overgang voor hem geen probleem zal zijn. Daarbij komt dat [minderjarige] goed contact heeft met zijn familie in [land 1] . De man heeft een voorstel gedaan om de vrouw te compenseren ten aanzien van het contact tussen haar en [minderjarige] , dat zal verminderen in het geval [minderjarige] met de man naar [land 1] verhuist.
De vrouw stelt dat het niet in het belang is van [minderjarige] om naar [land 1] te verhuizen. Hetgeen de man heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn verzoek maakt dit niet anders. Het is de keuze van de man geweest om zich te isoleren van zijn sociale omgeving. Tijdens het huwelijk had de man een uitgebreid sociaal netwerk in Nederland, waar hij zelf afstand van heeft genomen. De vrouw stelt dat de man geen noemenswaardig sociaal netwerk heeft in [land 1] en stelt dat er sprake is van conflicten tussen de man en zijn familie aldaar. De vrouw wijst erop dat de man zich eerder in de procedure op het standpunt heeft gesteld dat partijen de intentie hadden om in Nederland een leven op te bouwen. De man had in Nederland een goede baan met een boven modaal inkomen. Niet gebleken is dat de man in [land 1] een hoger inkomen kan verwerven. Het huidige inkomen van de man stelt hem in staat in Nederland een passende en betaalbare woning te vinden. Daarnaast beschikt de man over vermogen. De man heeft niet aangetoond in [land 1] zicht op een woning of een baan te hebben. Ook is er geen concreet zicht op een school en opvang voor [minderjarige] . Verhuizing naar [land 1] betekent dat [minderjarige] uit zijn vertrouwde omgeving zal worden gehaald. Verder brengt de vrouw naar voren dat zij, bij verhuizing van [minderjarige] naar [land 1] , niet langer recht zal hebben op voorzieningen voor [minderjarige] vanuit haar werkgever, zoals een ziektekostenverzekering, vergoeding van schoolkosten en kinderactiviteiten. De zorgregeling die de man voor ogen heeft als compensatie voor verlies aan contact is niet concreet en niet doordacht en doet geen recht aan de huidige 50-50 verdeling van de zorg. De reisafstand is groot en de door de man voorgestelde regeling zal niet haalbaar zijn zodra [minderjarige] naar school gaat. Videocontacten kunnen niet het fysieke contact vervangen. Ook zal extra contact in de vakanties de dagelijkse betrokkenheid van de vrouw in het leven van [minderjarige] niet vervangen. De vrouw kan niet naar [land 1] verhuizen, zoals de man heeft geopperd. Zij werkt in Nederland en kan niet worden overgeplaatst naar [land 1] . [minderjarige] is weliswaar jong maar is wel geworteld in Nederland. Hij heeft een sterke band met zijn dagelijkse omgeving. Hij is goed geïntegreerd op de crèche en is al ingeschreven op een Nederlandse school. De intentie van partijen was om [minderjarige] in Nederland te laten opgroeien. [minderjarige] heeft wel af en toe contact met zijn familie in [land 1] en [land 2] , maar dit contact vindt voornamelijk plaats door middel van videobellen. Verder voert de vrouw aan dat de communicatie tussen de ouders niet goed is. Zij zijn niet in staat tot wederzijds overleg. De man wijzigt de afspraken eenzijdig en neemt beslissingen over [minderjarige] zonder de vrouw daarin te kennen. De man reageert niet op verzoeken van de vrouw en gedraagt zich dwingend en controlerend. Door de fysieke afstand zal het gebrek aan overleg alleen maar toenemen, aldus de vrouw. Partijen hebben afgesproken dat zij een gelijkwaardige rol zullen hebben in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hieraan zal geen uitvoering kunnen worden gegeven als [minderjarige] met de man naar [land 1] verhuist.
De rechtbank wijst het verzoek van de man tot vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [land 1] te verhuizen af en legt dit als volgt uit.
De man heeft de noodzaak tot verhuizing niet (voldoende) onderbouwd. Hoe begrijpelijk de wens van de man ook is, de rechtbank ziet geen objectieve noodzaak tot verhuizing naar [land 1] . Zoals ook de Raad op de zitting naar voren heeft gebracht, heeft [minderjarige] twee ouders die voor hem zorgen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat beide ouders een rol spelen in zijn verzorging en opvoeding, zoals hij gewend is. Als de man met [minderjarige] verhuist, dan is dat een grote verandering. De vrouw zal daardoor niet in staat zijn dezelfde rol te spelen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] als zij nu heeft. Het vele reizen is belastend voor een kind van zijn leeftijd. De rechtbank begrijpt dat de man een betere toekomst voor zichzelf ziet in [land 1] , maar hij heeft dit onvoldoende objectief onderbouwd. De man heeft niet aangetoond betere carrièrekansen te hebben in [land 1] . Evenmin heeft de man laten zien dat hij meer kans heeft op de woningmarkt in [land 1] . Daar komt bij dat de man de verhuizing in het geheel niet heeft voorbereid. De communicatie tussen de ouders is op dit moment heel slecht. De alternatieven die de man heeft voorgesteld voor het contact tussen [minderjarige] en de vrouw bieden onvoldoende compensatie voor de dagelijkse zorg zoals die nu is. Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat verhuizing naar [land 1] niet in het belang van [minderjarige] is.
Regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling met de minderjarige.
Beide partijen hebben gevraagd om wijziging van de zorgregeling zoals die is opgenomen in het ouderschapsplan. De rechtbank zal een zorgregeling en een verdeling van de vakanties en feestdagen vaststellen overeenkomstig het verzoek van de vrouw. Dit omdat [minderjarige] gewend is aan gedeeld ouderschap en nagenoeg bij beide ouders evenveel tijd doorbrengt. In hetgeen door de man naar voren is gebracht omtrent het wijzigen van de zorgregeling, ziet de rechtbank geen reden om een andere regeling vast te stellen. Er zijn geen aanwijzingen dat [minderjarige] niet zal kunnen wennen aan de vast te stellen regeling. Bovendien zal het meer rust brengen en spanningen wegnemen als de overdracht niet meer tussen de ouders plaatsvindt maar op de crèche en later op school.
Verder verzoekt vrouw te bepalen dat binnen een week nadat het formulier om te reizen met [minderjarige] is verstrekt aan een ouder, dit formulier moet worden getekend door die ouder. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal dit verzoek als onweersproken toewijzen.
Kinderalimentatie
Nu de minderjarige in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
De ouders zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat de vrouw een kinderalimentatie aan de man zal voldoen van € 331,-- per maand. Geïndexeerd naar het jaar 2026 is dit bedrag afgerond € 346,--. De rechtbank zal dit bedrag vaststellen.
Partneralimentatie
Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.
Op het verzoek tot alimentatie voor de man zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Lotsverbondenheid:
De vrouw heeft aangevoerd dat de gedragingen van de man waarbij het moederschap van de vrouw wordt ondermijnd dusdanig grievend waren dat van de vrouw niet gevergd kan worden partneralimentatie aan de man te voldoen. Zij stelt dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. De man heeft dit gemotiveerd betwist.
De rechtbank overweegt dat de stellingen die de man heeft ingenomen met het doel de juridische moederband tussen de vrouw en [minderjarige] te verbreken heel grievend voor de vrouw zijn geweest en haar een ondraaglijke angst hebben ingeboezemd. De vrouw heeft door deze stellingname van de man lange tijd in angst geleefd. Daartegenover staat dat de man tot inzicht is gekomen en de verzoeken met betrekking tot het moederschap van de vrouw heeft ingetrokken. De man heeft zich inmiddels achter de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de afstammingsrelatie geschaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat de eerdere houding van de man niet maakt dat sprake is van verbreking van de lotsverbondenheid.
Behoefte man
De man heeft zijn behoefte aanvankelijk gebaseerd op de Hofnorm en heeft vervolgens alsnog een behoeftelijst overgelegd. De vrouw heeft verweer gevoerd en gemotiveerd aangegeven dat partijen gedurende het huwelijk niet van het volledige inkomen leefden.
Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat er grote bedragen zijn uitgegeven aan het draagmoederschapstraject, dat partijen hebben gespaard voor aankoop van een woning, dat zij extra hebben afgelost op de hypotheek en dat zij andere investeringen in de woning hebben gedaan. Dit resulteerde erin dat er ongeveer € 5.000,-- per maand beschikbaar was voor de kosten van de huishouding. De rechtbank volgt de vrouw in haar stelling dat daarom, rekening houdend met de kosten van [minderjarige] , dat de behoefte van de man € 2.761,-- netto per maand bedraagt. De vrouw stelt dat de man in staat is in zijn eigen behoefte te voorzien.
Behoeftigheid man
De man stelt dat hij nu minder verdient dan tijdens het huwelijk het geval was. Niet valt in te zien waarom de man niet dezelfde verdiencapaciteit heeft als voorheen. De man heeft niet aangetoond dat het voor hem niet mogelijk is om een inkomen te verwerven dat vergelijkbaar is met het inkomen bij zijn vorige baan. Mede in het licht van de stelling van de man dat hij in [land 1] geen aanvullende behoefte zou hebben, heeft de man niet aangetoond dat dit in Nederland anders zal zijn. Ook heeft hij niet aangetoond hij zijn vermogen heeft geconsumeerd. De rechtbank gaat ervan uit dat man nog over vermogen beschikt. Mocht de man dit vermogen (deels) besteden aan de overname van de echtelijke woning of de aankoop van een andere woning, dan betekent dit dat de man verminderde woonlasten zal hebben. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet heeft aangetoond behoeftig te zijn.
De rechtbank wijst daarom het verzoek tot vaststelling van een door de vrouw te betalen partneralimentatie af. De duur van de te betalen partneralimentatie behoeft daarom geen bespreking.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Partijen hebben op de zitting afgesproken dat het voortgezet gebruik van de woning aan de man kan worden toegekend tot 1 september 2026. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening Pro huwelijksvermogensstelsels).
Partijen verschillen van mening over het recht dat van toepassing is op de afwikkeling van het huwelijkse vermogen. Volgens de vrouw is [land 1] recht van toepassing. Volgens de man is Nederlands recht van toepassing.
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogens-regime toepasselijke recht hebben aangewezen. Krachtens artikel 4 lid 1 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het van het land waar de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd en zich geen van de in artikel 4 lid 2 van Pro dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.
De rechtbank moet daarom beoordelen of partijen hun eerste gezamenlijke verblijfplaats in [land 1] dan wel in Nederland hadden. De rechtbank zal hierbij kijken naar de feitelijke situatie waarin partijen leefden na hun huwelijkssluiting. Gedurende de eerste jaren van het huwelijk woonde en werkte de man in [land 1] en werkte de vrouw in Nederland en zij bracht naar eigen zeggen met de man veel vrije tijd door in [land 1] . De man heeft op 10 april 2021 in een e-mail (mede namens de vrouw) aan een Nederlandse notaris geschreven dat het hen niet duidelijk waar hun eerste huwelijksdomicilie was en welk recht van toepassing was, doch merkt daarbij op: ‘
But between 04/01/2010 and 08/04/2011, our main living place was [land 1]’. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat tot 8 april 2011 de gewone verblijfplaats van beide partijen, en daarmee het eerste huwelijksdomicilie, in [land 1] was gelegen. Dit betekent dat vanaf de huwelijksdatum het Duitse recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime.
Nadien heeft zich echter een situatie voorgedaan zoals omschreven in artikel 7 lid 2 sub Pro 2 van het Verdrag. Niet in geschil is immers dat man op 8 april 2011 in Nederland is komen wonen en werken en dat daarmee de gewone verblijfplaats van beide partijen in Nederland is komen te liggen. Dit betekent dat vanaf 8 april 2021 Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime. Dit wordt het ‘wagonstelsel’ genoemd. Het Nederlands recht beheerst alleen de goederen die de echtgenoten ná de wijziging van het toepasselijke recht tot de datum van ontbinding van de gemeenschap hebben verkregen. De eerder verkregen goederen blijven vallen onder het recht waaronder zij zijn verkregen, te weten het Duitse recht.
De afwikkeling van de Zugewinngemeinschaft naar [land 1] recht
De Zugewinngemeinschaft, het Duitse wettelijke huwelijksgoederenstelsel, omvat een finaal verrekenstelsel. Vooropgesteld dient te worden dat het uitgangspunt is dat het vermogen van de man en het vermogen van de vrouw gescheiden blijven. Iedere echtgenoot blijft derhalve zelfstandig eigenaar van het vermogen waarover hij ten tijde van het sluiten van het huwelijk beschikte en het vermogen dat hij tijdens het huwelijk verwerft. Bij echtscheiding wordt de tijdens het huwelijk ontstane aanwas (Zugewinn) tussen de echtgenoten vereffend.
De Zugewinn wordt berekend door een vergelijking van het aanvangsvermogen (in beginsel de datum van het huwelijk) en het eindvermogen (in beginsel de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend) van elk van de echtgenoten. Daarbij zij opgemerkt dat het tijdens het huwelijk krachtens erfrecht of schenking verworven netto-vermogen tot het aanvangsvermogen wordt gerekend, zodat dit vermogen niet meetelt als vermogensaanwas. De waardevermeerdering van dit netto-vermogen behoort wel weer tot de vermogensaanwas. Vervolgens wordt een verschil in vermogensaanwas tussen de echtgenoten vereffend.
Aanvangsvermogen aan de zijde van de vrouw
De vrouw heeft in haar brief d.d. 25 juli 2025 onder 31 tot en met 38 aangegeven wat aan haar zijde tot het aanvangsvermogen behoorde: de woningen aan de [adres 1] te [plaats 2] en aan de [adres 3] te [plaats 5] , [land 2] en de Franse bankrekeningen van de vrouw. De man heeft dit niet betwist. Ook heeft de vrouw t.a.p. aangegeven hoe de Zugewinn van dat aanvangsvermogen in het onderhavige geval moet worden berekend. De rechtbank volgt deze berekening van de vrouw, nu zij dit naar het oordeel van de rechtbank op juiste wijze heeft uitgewerkt en de man deze berekening niet, althans onvoldoende specifiek, heeft betwist. Hieruit volgt dat de Zugewinn € 53.711,47 bedraagt. Dat vanaf 2021 het Nederlandse recht van toepassing is en daarmee sprake is van een beperkte gemeenschap van goederen maakt de voormelde berekening niet anders.
De man heeft recht op de helft van dit bedrag, zijnde € 26.855,74. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw dit bedrag aan de man moet voldoen. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de overbedelingsvordering die zij in het kader van de verdeling van de gemeenschap aan de man zal voldoen niet eerder zal behoeven te voldoen dan de datum van levering van de woning aan de man of aan een derde. De man heeft dit laatste verzoek niet betwist, zodat de rechtbank dit zal toewijzen.
Woning van de man in [land 3]
De vrouw heeft verklaard dat, in het geval het Duitse recht van toepassing wordt verklaard, zij geen aanspraak zal maken op een deel van de waarde van de woning in [land 3] . De rechtbank beschouwt dit verzoek van de vrouw dan ook als ingetrokken en zal hieromtrent geen beslissing nemen.
Echtelijke woning en inboedel
Gelet op de door partijen ingenomen standpunten zijn partijen het erover eens dat de echtelijke woning en de inboedel daarvan tussen partijen moeten worden verdeeld.
Echtelijke woning
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de man moet worden toegedeeld. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de echtelijke woning en de aan de echtelijke woning gekoppelde polissen en hypothecaire geldleningen vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van de vrouw om te bepalen dat, in het geval de man na verkoop van de woning niet meewerkt aan de levering van de woning aan de kopende partij, de te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de voor het passeren van de akte van levering vereiste wilsverklaring van de man en zal dat verzoek dus afwijzen.
Inboedel
De rechtbank zal de inboedel aan de man toedelen, waarbij de man een bedrag van
€ 2.000,-- aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank merkt daarbij op dat de vrouw om een hogere vergoeding heeft gevraagd, maar de algemene ervaringsregels leren dat inboedelgoederen snel in waarde dalen. Gesteld noch gebleken is dat er sprake was van bijzondere stukken in de inboedel. De rechtbank acht daarmee een totale waarde van € 4.000,-- een reële waarde, zodat de man een bedrag van € 2.000,-- aan de vrouw moet voldoen.
Rekeningen op naam van [minderjarige]
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen op naam van [minderjarige] buiten de verdeling blijven. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Pensioenverevening
De man heeft op 5 december 2025 een geheel nieuw verzoek ter zake van de (verdeling van de) pensioenen van partijen ingediend. Hoewel dit verzoek binnen tiendagentermijn is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het zo kort voor de zitting indienen van een dergelijk verzoek van complexe aard, zonder nadere toelichting, in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank zal dit verzoek daarom niet in behandeling nemen. Overigens heeft de vrouw de man op de zitting uitgenodigd over de pensioenen in gesprek te gaan. De rechtbank gaat ervan uit dat de man hierop in zal gaan, zodat partijen in onderling overleg afspraken kunnen maken over de eventuele verevening van de pensioenen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1] , [land 1] ;
*
neemt op de door partijen getroffen onderlinge regelingen, zoals neergelegd in het (in kopie) aan deze beschikking gehechte ouderschapsplan;
*
bepaalt, ter vaststelling van de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, dat
de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
in het kader van de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en in afwijking van artikel 3.1 van het ouderschapsplan bij de ouders zal verblijven als volgt:
Week 1
Maandag: bij de vrouw tot 10.00 uur; bij de man vanaf 10.00 uur;
Dinsdag: bij de man;
Woensdag: bij de man tot 9.00 uur; bij de vrouw vanaf 9.00 uur;
Donderdag: bij de vrouw;
Vrijdag: bij de vrouw tot 10.00 uur; bij de man vanaf 10.00 uur;
Zaterdag: bij de man;
Zondag: bij de man;
Week 2
Maandag: bij de man;
Dinsdag: bij de man;
Woensdag: bij de man tot 9.00 uur; bij de vrouw vanaf 9.00 uur;
Donderdag: bij de vrouw;
Vrijdag: bij de vrouw;
Zaterdag: bij de vrouw:
Zondag: bij de vrouw;
Vakantieregeling:
Zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie
weken bij de man, in de oneven jaren andersom;
Herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;
Kerstvakantie: in de even jaren de eerste week inclusief de Kerstdagen bij de
vrouw, de tweede week inclusief Oud&Nieuw bij de man, in de
oneven jaren andersom;
Voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;
Meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de man, in de tweede week bij
de vrouw, in de oneven jaren andersom;
Feestdagen:
Goede Vrijdag en Pasen: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de
vrouw;
Hemelvaartsdag: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de
man;
Koningsdag: [minderjarige] verblijft bij de ouder waar hij op dat moment
volgens de reguliere regeling is;
Sinterklaas: in de oneven jaren bij de man, in de even jaren bij de
vrouw;
Verjaardag [minderjarige] : in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de
man;
Verjaardag ouders: verjaardag van de man bij de man, verjaardag van de vrouw
bij de vrouw;
Vaderdag: bij de man;
Moederdag: bij de vrouw;
*
bepaalt dat de ouders over en weer – behoudens zwaarwegende gronden – binnen een week na het verstrekken van het benodigde toestemmingsformulier om [minderjarige] te laten reizen met de andere ouder, dit formulier zullen ondertekenen en aan de andere ouder zullen overhandigen;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van 19 februari 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 346,-- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [adres 2] , [postcode] [plaats 4] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten tot 1 september 2026, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres 2] , [postcode] [plaats 4] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en polis(sen):
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) de vrouw maakt een keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur die bereid en in staat is de woning te taxeren. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de lening bij EPO per 31 december 2025 en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde termijn en voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1b) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1a) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht, minus de lening bij EPO per 31 december 2025 en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
*
bepaalt dat aan eenieder de inboedel wordt toegedeeld die hij/zij in het bezit heeft onder de verplichting dat de man aan de vrouw een overbedelingsvergoeding zal voldoen van
€ 2.000,--;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man ter zake van de afwikkeling van de Zugewinngemeinschaft dient te voldoen een bedrag van € 26.855,74 en bepaalt dat de vrouw dit bedrag niet eerder zal behoeven te voldoen dan de datum van levering van de woning aan de man of aan een derde;
*
bepaalt dat de bankrekeningen op naam van de minderjarige [minderjarige] buiten de verdeling blijven;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, C.L. Strop en T.M. Coppes, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 februari 2026.