Uitspraak
Scheiding
Beschikking op het op 12 september 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
[de man] ,
Procedure
- het verzoekschrift;
- het aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 31 januari 2025;
Feiten
Verzoek en verweer
- bepaling dat indien de man binnen twee maanden na de te wijzen beschikking niet in staat zal blijken de woning over te nemen, de woning zal worden verkocht, waarbij de verkoopopbrengst na aftrek va de aan de verkoop verbonden kosten en na aflossing van de hypothecaire geldleningen bij helfte zal worden verdeeld;
- bepaling dat bij verkoop van de woning binnen twee weken na het bekend worden dat de man niet in staat zal zijn de woning over te nemen (aldus twee maanden + twee weken na de te wijzen beschikking) te koop zal worden aangeboden via een door de vrouw aan te wijzen makelaar en indien de man zijn medewerking weigert aan het verstrekken van de verkoopopdracht, deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats zal treden van zijn medewerking aan het verstekken van de opdracht aan de door de vrouw aan te wijzen makelaar;
- bepaling dat in het geval de man na verkoop van de woning niet meewerkt aan de levering van de woning aan de kopende partij dat in dat geval de te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de voor het passeren van de akte van levering vereiste wilsverklaring van de man;
- bepaling dat aan eenieder de inboedel wordt toegedeeld die hij/zij in het bezit heeft onder de verplichting dat de man aan de vrouw een overbedelingsvergoeding zal voldoen van € 4.000,--;
- de door de man verzochte partneralimentatie af te wijzen dan wel subsidiair op maximaal € 655,-- bruto per maand vast te stellen voor de maximale duur van vijf jaar;
- bepaling dat de vrouw in het kader van de afwikkeling van de Zugewinngemeinschaft een bedrag van € 26.856,-- aan de man zal voldoen;
- bepaling dat de vrouw de overbedelingsvordering die zij in het kader van de afwikkeling van de Zugeinngemeinschaft aan de man zal voldoen niet eerder zal behoeven te voldoen dan de datum van levering van de woning aan de man of aan een derde;
- bepaling dat deze woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder de verplichting van de vrouw om aan de man het bedrag van € 50.500,-- te vergoeden uit hoofde van overbedeling aan de zijde van de vrouw;
- bepaling dat uit hoofde van de verdeling van het vermogen van de Franse bankrekeningen, zoals genoemd onder punt 27 van het aanvullend verzoekschrift van 27 januari 2025 (ingekomen op 31 januari 2025) aan de man toekomt een bedrag van € 22.245,12;
- bepaling dat de vrouw de overbedelingsvordering die zij in het kader van de verdeling van de gemeenschap aan de man zal voldoen niet eerder zal behoeven te voldoen dan de datum van levering van de woning aan de man of aan een derde,
- de woningen in [land 2] aan de vrouw worden toegedeeld, waarbij de man de helft van de (taxatie)waarde ontvangt conform het spoorboekje;
- het aandeel van de man in de woning in [land 3] aan de man wordt toegedeeld, waarbij de vrouw € 3.574,- ontvangt;
- de resterende inboedel aan de man wordt toegedeeld, waarbij hij aan de vrouw
- de man de helft van de vermogensaanwas op de Franse bankrekeningen ontvangt alsmede de helft van de waardevermeerdering van de woningen van de vrouw ontvangt;
- te bepalen dat de vrouw de helft van het verschil tussen haar pensioen en het pensioen van de man, aan de man dient te betalen binnen twaalf maanden na de datum van de echtscheiding conform het systeem van de Versorgungsausgleich;
- om de week van vrijdag na de opvang tot dinsdagochtend naar de opvang zolang de vrouw niet werkt op maandag, en in het geval de vrouw wel werkt op maandag tot maandagochtend naar de opvang;
- de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te verdelen;
- vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie van
Beoordeling
But between 04/01/2010 and 08/04/2011, our main living place was [land 1]’. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat tot 8 april 2011 de gewone verblijfplaats van beide partijen, en daarmee het eerste huwelijksdomicilie, in [land 1] was gelegen. Dit betekent dat vanaf de huwelijksdatum het Duitse recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime.
€ 2.000,-- aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank merkt daarbij op dat de vrouw om een hogere vergoeding heeft gevraagd, maar de algemene ervaringsregels leren dat inboedelgoederen snel in waarde dalen. Gesteld noch gebleken is dat er sprake was van bijzondere stukken in de inboedel. De rechtbank acht daarmee een totale waarde van € 4.000,-- een reële waarde, zodat de man een bedrag van € 2.000,-- aan de vrouw moet voldoen.
Beslissing
€ 2.000,--;