Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/09/699167 / JE RK 26-200
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in jeugdhulpaccommodatie

De gecertificeerde instelling verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 22 januari 2027. Na eerdere plaatsingen bij een netwerkpleeggezin en bij opa en oma, die niet passend bleken, verblijft de minderjarige sinds 9 februari 2026 bij een zorginstelling met 24-uurs begeleiding.

De vader, momenteel gedetineerd, is sinds zes weken clean en werkt aan zijn herstel. Hij wenst het beste voor zijn kind en hoopt op terugkeer van de minderjarige zodra hij vrijkomt, mits hij stopt met middelengebruik en zijn relatie met zijn partner beëindigt. De minderjarige wil enerzijds zelfstandigheid ontwikkelen en anderzijds terugkeren naar de vader onder genoemde voorwaarden.

De kinderrechter acht de machtiging noodzakelijk in het belang van verzorging en opvoeding en verleent deze tot 1 juni 2026, met aanhouding van het verdere verzoek. De gecertificeerde instelling wordt verzocht een update te geven over het verzoek en de situatie van de minderjarige en vader. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de zaak wordt voortgezet op 29 mei 2026.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 1 juni 2026 met aanhouding van het verdere verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/699167 / JE RK 26-200
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing (categoriewijziging)
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
met een woonadres in [woonplaats 2],
feitelijk gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats 1],
advocaat mr. D.Z. Peters uit Den Haag.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 februari 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 februari 2026 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 23 februari 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.3.
Op 19 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 9 februari 2026.
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds de beschikking van 9 februari 2026 bij [zorginstelling] in [plaats 2] (zijnde een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder).

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling (zijnde tot 22 januari 2027) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, kort en zakelijk weergegeven, als volgt onderbouwd. Na de zitting van 22 januari 2026 waarin een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg en aansluitend in een gezinsgerichte voorziening is verleend, is gebleken dat deze categorieën niet meer aansluiten bij de beste woonplek voor [minderjarige]. [minderjarige] verbleef aanvankelijk in een netwerkpleeggezin bij een vriend in [plaats 3], maar door de beperkte draagkracht van het pleeggezin konden zij onvoldoende tegemoetkomen aan de behoeften van [minderjarige]. [minderjarige] is vervolgens op 30 januari 2026 overgeplaatst naar zijn opa en oma in [plaats 4], maar zij waren niet in staat om de zorg voor [minderjarige] voor een langere periode op zich te kunnen nemen. [minderjarige] is daarom op 9 februari 2026 met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder bij [zorginstelling] in [plaats 2] geplaatst. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat [minderjarige] het goed doet bij [zorginstelling]. Er is 24 uur per dag begeleiding aanwezig en er wordt ook gecontroleerd met wie [minderjarige] contact heeft en waar hij naartoe gaat als hij weggaat. [minderjarige] heeft bij de jeugdbeschermer aangegeven dat hij aan de ene kant aan zijn zelfstandigheid wil werken en wil doorstromen naar Kamertraining, maar dat hij anderzijds ook terug naar de vader wil als die weer uit detentie komt, mits de vader stopt met drugs en alcohol en niet meer met zijn partner woont. De gecertificeerde instelling kan zich erin vinden dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor kortere duur wordt toegewezen en voor het overige wordt aangehouden opdat gekeken kan worden welke plek op de lange termijn het meest passend is voor [minderjarige] en of hij eventueel op een veilige manier terug kan naar de vader als die uit detentie is. In de tussentijd is het van belang dat [minderjarige] nog bij [zorginstelling] kan blijven. Hoewel dit buiten de regio ligt is het een passende plek en door de problematiek en het middelengebruik van [minderjarige] zijn er op dit moment ook geen andere accommodaties waar [minderjarige] naartoe kan.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij waarschijnlijk begin april 2026 vrijkomt. De vader is bezig met een gratieverzoek. De vader is sinds hij in detentie zit, nu zes weken, clean van drugs. Hij is gestart met ADHD medicatie en voelt zich een stuk rustiger in zijn hoofd. De vader heeft goed contact met de reclassering en loopt in een ambulant kader bij [instantie]. De vader wil het beste voor [minderjarige]. Hij zou het fijn vinden als [minderjarige] weer bij hem komt wonen, maar hij zal [minderjarige] ook niet tegenhouden als [minderjarige] liever ergens anders wil wonen om aan zijn zelfstandigheid te werken. De advocaat van de vader verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing voor kortere duur toe te wijzen en aan te houden voor het overige. De komende periode kan dan gekeken worden hoe het met [minderjarige] gaat bij [zorginstelling] en hoe het tussen de vader en [minderjarige] gaat als de vader weer thuis is. De vader wil in beginsel de relatie met zijn partner voortzetten. Tegen de tijd van een nieuwe zitting kan [minderjarige] weer in de gelegenheid worden gesteld om zijn mening te geven.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt daartoe dat de vader op dit moment in detentie zit en [minderjarige] niet langer bij het netwerkpleeggezin en ook niet bij zijn opa en oma kan blijven. [minderjarige] verblijft daarom sinds 9 februari 2026 bij [zorginstelling] waar hij de begeleiding krijgt die hij gelet op zijn problematiek en middelengebruik nodig heeft. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen tot 1 juni 2026 opdat [minderjarige] bij [zorginstelling] kan blijven. De kinderrechter zal het verzoek voor het overige aanhouden. De komende periode zal met de vader en [minderjarige] gekeken worden welke plek het meest passend is voor [minderjarige] en wat de wens van [minderjarige] daarin is. Ook zal er in die periode meer duidelijkheid dienen te komen over het alcohol- en drugsgebruik van de vader en hoe de contact- en bezoekmomenten tussen de vader en [minderjarige] verlopen als de vader weer uit detentie is. Dit geldt te meer nu de vader niet voornemens is de relatie met zijn partner te beëindigen en [minderjarige] heeft verklaard dat dit – naast het stoppen met alcohol en drugs door de vader – voor [minderjarige] een voorwaarde is voor terugkeer naar zijn vader. De gecertificeerde instelling heeft toegezegd om met de vader en [minderjarige] mee te denken over een zorgregeling vanaf het moment dat de vader weer vrijkomt, opdat voor de volgende zitting een beter beeld kan worden gegeven van de (on)mogelijkheden van thuisplaatsing bij de vader.
5.2.
De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de zitting een update te sturen waarin zij ook kenbaar maakt of zij het resterende deel van het verzoek handhaaft.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 23 februari 2026 tot 1 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van
29 mei 2026 te 13:45 uur, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de moeder, de vader, de advocaat van de vader en [minderjarige] voor het kindgesprek dienen te worden opgeroepen;
6.4.
gelast de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voor de zitting een
schriftelijke updatetoe te zenden aan de kinderrechter en de belanghebbenden en daarin ook te vermelden of het verzoek voor het overige wordt gehandhaafd.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 4 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.