Eiser, een Tunesische vreemdeling, werd op 30 december 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 14 januari 2026.
Eiser voerde aan dat zijn verblijf in de politiecel te lang was, dat de ophouding op een onjuiste grondslag plaatsvond, dat de maatregel niet correct aan hem was bekendgemaakt, dat de Dublin-lidstaat niet was vermeld en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Ook stelde hij dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn overdracht.
De rechtbank oordeelde dat het verblijf in de politiecel minder dan 24 uur duurde en dus niet te lang was. De ophouding was terecht gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet omdat eiser geen identiteitsdocument had. De maatregel was correct aan eiser bekendgemaakt met een tolk en in een taal die hij begreep. De verwijzing naar Eurodac-hits met landcodes AT en FI vormde een concreet aanknopingspunt voor overdracht onder de Dublinverordening. De zware gronden voor bewaring waren feitelijk juist en voldoende om het risico op onderduiken te onderbouwen. Verweerder had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was en handelde voortvarend bij de overdracht.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.