ECLI:NL:RBDHA:2026:615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL26.28
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en zicht op uitzetting van vreemdeling in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op 19 november 2025. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel, die voortduurt in afwachting van zijn uitzetting naar Marokko. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 3 december 2025. De rechtbank heeft de periode van 3 december 2025 tot 7 januari 2026 beoordeeld.

Eiser heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko is binnen een redelijke termijn. De rechtbank heeft echter geconcludeerd dat de situatie met betrekking tot de uitzetting niet is gewijzigd sinds de eerdere uitspraak van 9 december 2025. Eiser heeft geweigerd om zijn vingerafdrukken te laten afnemen en heeft niet actief meegewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend handelt in het opstarten van het laissez-passer-traject bij de Marokkaanse autoriteiten.

De rechtbank heeft ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring getoetst en geen gronden gevonden voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig was. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 7 januari 2026.

Overwegingen

Inleiding
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 december 2025 (in de zaak NL25.57102) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 3 december 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 3 december 2025 tot 7 januari 2026.
Zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt.
3. De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Marokko eerder is aangevoerd en beoordeeld in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 9 december 2025. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 11 van deze uitspraak. De algemene situatie met betrekking tot het zicht op uitzetting naar Marokko is niet gewijzigd sinds 3 december 2025 en ook het tijdsverloop is niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om nu anders over de beroepsgrond te oordelen. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat verweerder voornemens is een laissez-passer (lp)-traject te starten bij de Marokkaanse autoriteiten, maar dat dit wordt bemoeilijkt doordat eiser heeft geweigerd om zijn vingerafdrukken te laten afnemen. Verweerder is hierover in overleg met de Marokkaanse autoriteiten. Eiser is verplicht om actief en volledig mee te werken aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Tot op heden voldoet hij niet aan die verplichting. Daarbij wordt, naast de weigering om vingerafdrukken te laten afnemen, gewezen op zijn herhaalde weigering om deel te nemen aan vertrekgesprekken, laatstelijk op 23 december 2025. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat indien eiser wel volledige medewerking verleent, er niet binnen een redelijke termijn een lp voor hem kan worden verstrekt. Daarbij wijst de rechtbank er op dat de nationaliteit van eiser in het verleden reeds is bevestigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering.
5. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 24 december 2025 en 6 januari 2026 contact heeft gezocht met de Marokkaanse autoriteiten in het kader van het op te starten lp-traject. Daarnaast heeft verweerder op 23 december 2025 getracht een vertrekgesprek te voeren met eiser, die dit zelf heeft geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 3 december 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.