Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6170

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/09/679510 / FA RK 25-726
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening 4/2009Art. 3 Protocol 23 november 2007Art. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nihilstelling partneralimentatie en afwijzing bijdrage kinderalimentatie na wijziging verblijf kinderen

De vader en moeder zijn van 2009 tot 2019 gehuwd geweest en hebben vier minderjarige kinderen. Sinds 23 juni 2022 verblijven de kinderen volledig bij de vader, die sinds die datum geen partneralimentatie meer betaalt wegens financiële onmogelijkheid. De rechtbank heeft het eenhoofdig gezag aan de vader toegekend.

De vader verzoekt de partneralimentatie vanaf 1 juli 2022 op nihil te stellen en een bijdrage van de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen. De moeder verzet zich tegen het verzoek tot nihilstelling en tegen de bijdrage, en vordert proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek vanwege gewijzigde omstandigheden en wijst het verzoek tot nihilstelling van partneralimentatie toe vanaf 1 juli 2022. De moeder heeft onvoldoende bewijs geleverd voor haar stelling over zwarte inkomsten. De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van een bijdrage van de moeder af vanwege haar beperkte draagkracht en schuldsanering.

De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Partneralimentatie wordt vanaf 1 juli 2022 op nihil gesteld en het verzoek tot bijdrage kinderalimentatie wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-726
Zaaknummer: C/09/679510
Datum beschikking: 20 februari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 27 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Alkilic in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
met een briefadres op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.R.D. Kommer in ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het bericht van 27 december 2024, waarin de vader een verzoek doet tot nihilstelling van partneralimentatie en vaststelling van kinderalimentatie;
  • het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen op 17 februari 2025;
  • het bericht van 22 januari 2026 van de vader, met bijlagen;
  • het bericht van 22 januari 2026 van de moeder, met bijlage.
Op 23 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] , de begeleider van de moeder.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest van 27 april 2009 tot 21 oktober 2019.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2] , [land] ;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2014 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2016 in [geboorteplaats 1] .
  • De kinderen wonen sinds 23 juni 2022 bij de vader.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 26 januari 2024 is de vader belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
  • De ouders en de kinderen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij vonnis van 16 januari 2020 heeft de rechtbank Antwerpen bepaald dat de vader maandelijks € 300,- partneralimentatie moet voldoen aan de moeder.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • te bepalen dat partneralimentatie met ingang van 1 juli 2022 op nihil wordt gesteld;
  • te bepalen dat de moeder per 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 80,94 per maand voldoet aan de vader, telkens bij vooruitbetaling voor het eerste van de maand te voldoen.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder verzoekt het door de vader ingediende verzoek tot nihilstelling af te wijzen, of wel bij een toekenning slechts toe te kennen; primair vanaf datum uitspraak van deze beschikking, subsidiair vanaf datum indienen verzoekschrift, en om het verzoek tot het leveren van een financiële bijdrage door de moeder in de kosten voor de verzorging en opvoeding van de kinderen ten bedrage van € 80,94 of wel een ander bedrag af te wijzen en om de vader te veroordelen in de proceskosten van de moeder en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor zover mogelijk is.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de ouders in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van Pro de Verordening betreffende onderhoudsverplichtingen (nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot nihilstelling van
partneralimentatie.
De rechtbank past op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toe.
Standpunten van de ouders
De vader verzoekt de partneralimentatie op nihil te stellen vanaf 1 juli 2022. Hij stelt daartoe dat de partneralimentatie niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven vanaf het moment dat de kinderen bij hem verblijven. De vader heeft geen draagkracht meer voor partneralimentatie.
De moeder wil dat het verzoek van de vader wordt afgewezen. Als het zou worden toegewezen dan per datum beschikking. Het is aan de vader te wijten dat hij zo laat een verzoek heeft ingediend. Hij had dit in juli 2022 moeten doen. De vader mag niet zomaar worden ontslagen van de achterstand van de partneralimentatie.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Uit de stukken en op de zitting is de rechtbank gebleken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de kinderen volledig bij de vader wonen. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat de vader vanaf 1 juli 2022 geen draagkracht had voor partneralimentatie en wijst zijn verzoek toe. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De moeder heeft erkend dat de vader op dit moment geen draagkracht heeft voor partneralimentatie. Niet betwist is dat de situatie van de vader, voor zover relevant voor de partneralimentatie, sinds juli 2022 niet is gewijzigd. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat sprake zou zijn van zwarte inkomsten, omdat de vader dit heeft betwist en door de moeder hiervan geen enkel bewijs is overgelegd. Verder staat vast dat de kinderen vanaf 23 juni 2022 volledig bij de vader wonen. Vanaf dat moment heeft de vader geen partneralimentatie meer betaald, omdat hij daartoe financieel niet in staat was. De rechtbank constateert dan ook dat er vanaf 1 juli 2022 geen draagkracht is voor partneralimentatie.
Op grond hiervan zal de rechtbank het verzoek van de vader tot nihilstelling van de partneralimentatie vanaf 1 juli 2022 toewijzen. Nu de vader al jaren geen partneralimentatie meer betaald, ziet de rechtbank geen aanleiding om de moeder te veroordelen tot terugbetaling van de eventueel teveel ontvangen bedragen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de ouders en de kinderen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie.
De rechtbank past op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting heeft de vader zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij verzoekt om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 50,- per maand. Indien de rechtbank het volledige verzoek van de vader over de partneralimentatie zou toewijzen, verzoekt de vader dat deze bijdrage van € 50,- ingaat per datum van deze beschikking.
De moeder heeft onweersproken gesteld dat zij een uitkering ontvangt van € 913,- per maand. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat de draagkracht van de moeder de beperkende factor is. Daarom zal de rechtbank (de hoogte van) de behoefte, de draagkracht van de vader en de zorgkorting niet verder bespreken en beoordelen.
Op de zitting heeft de moeder aangevoerd dat zij schulden heeft en bezig is met het indienen van een aanvraag tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De vader heeft dit niet betwist. Gelet op de huidige financiële situatie van de moeder acht de rechtbank het redelijk om geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen. De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt de door de vader te betalen partneralimentatie op nihil met ingang van 1 juli 2022;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 februari 2026.