Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6187

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/09/694992 / JE RK 25-2003
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in gezinsgerichte voorziening

De kinderrechter heeft op 20 februari 2026 besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen tot 18 april 2026. De minderjarige vertoont ernstige gedragsproblemen en is niet geschikt voor plaatsing in een groepssetting. De moeder wenst dat de minderjarige thuis blijft wonen met intensieve begeleiding, maar de draagkracht van de moeder is onvoldoende en de situatie leidt tot escalaties.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek gewijzigd naar plaatsing in een gezinsgerichte voorziening, omdat groepsplaatsing niet passend is en een gesloten plaatsing niet is toegestaan door de gedragswetenschapper. Er is nog geen geschikte plek gevonden, maar het is noodzakelijk dat er op korte termijn diagnostiek plaatsvindt om een passende behandelplek te vinden.

De kinderrechter acht uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging wordt voor korte duur verleend zodat de situatie opnieuw kan worden beoordeeld. De behandeling van het resterende verzoek wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting. De beslissing is direct uitvoerbaar en belanghebbenden worden opgeroepen voor een kindgesprek.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gezinsgerichte voorziening wordt verlengd tot 18 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694992 / JE RK 25-2003
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter tot machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.R. Rens uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij de beschikking van 5 december 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 8 december 2025 tot 24 februari 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 5 december 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 9 februari 2026;
  • de verklaring van de gedragswetenschapper van 13 februari 2026, zoals is aangeleverd in het (ingetrokken) verzoek tot machtiging gesloten plaatsing onder zaaknummer
1.3.
Op 20 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 5 december 2025.

3.Het resterend deel van het verzoek en de gronden

3.1.
De gecertificeerde instelling heeft aanvankelijk verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit verzoek is op 5 december 2025 toegewezen tot 24 februari 2026 en voor het overige aangehouden. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling het resterend deel van het verzoek gewijzigd in die zin, dat wordt verzocht om de machtiging te verlenen voor een andere categorie, namelijk een gezinsgerichte voorziening.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De jeugdbeschermer vindt dat er nog steeds grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Er hebben zich tijdens het verblijf van [de minderjarige] bij D3 meerdere incidenten voorgedaan waarbij hij betrokken is geweest. [de minderjarige] liet op D3 sterk zelfbepalend gedrag zien en het lukte de mentoren onvoldoende om hem aan te sturen. [de minderjarige] zocht regelmatig negatieve contacten met groepsgenoten en als gevolg hiervan hebben zich enkele verbale en fysieke escalaties voorgedaan. [de minderjarige] is hier zelf ook slachtoffer van geworden en daarvan is een melding gemaakt bij de politie. Er is daarnaast ook melding gemaakt van seksueel grensoverschrijdend gedrag van [de minderjarige] met een groepsgenoot. Uit veiligheidsoverwegingen is één-op-één begeleiding voor [de minderjarige] ingezet, die om financiële redenen is stopgezet, waarna [de minderjarige] per 10 januari 2026 weer bij de moeder is gaan wonen. Bij de moeder thuis is direct ambulante spoedhulp (ASH) ingezet om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. [de minderjarige] houdt zich evenwel niet aan de veiligheidsafspraken en is in korte tijd veelvuldig in aanraking geweest met de politie en het crisis interventieteam (CIT). [de minderjarige] verblijft nu afwisselend bij de moeder en de oma moederszijde. De gecertificeerde instelling vindt deze situatie niet wenselijk gelet op zijn problematiek en de draagkracht en draaglast van de moeder. Een permanente gedeeltelijke plaatsing bij de oma aan moederszijde is ook niet mogelijk. Zij is onvoldoende beschikbaar vanwege de zorg die ze draagt voor haar partner en zij zal ook binnenkort een periode in het buitenland verblijven, waardoor [de minderjarige] niet bij haar terecht kan. Een gesloten plaatsing leek aanvankelijk een passende oplossing. De onafhankelijke gedragswetenschapper heeft echter niet ingestemd met een gesloten plaatsing. Het daartoe strekkende verzoek is daarom ingetrokken en de gecertificeerde instelling zag zich genoodzaakt verder te zoeken naar een plek voor [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft vervolgens een intakegesprek gehad bij Youz voor een behandelopname bij [afdeling 1] , maar vanwege het ontbreken van intrinsieke motivatie en het middelengebruik van [de minderjarige] heeft deze behandeling geen doorgang kunnen vinden. Er wordt nu een intakegesprek gepland voor de behandelgroep [afdeling 2] . De gecertificeerde instelling heeft [de minderjarige] voor verschillende accommodaties en groepen aangemeld, maar hij wordt vanwege zijn problematiek telkens afgewezen. Gelet op de problematiek van [de minderjarige] en de bevindingen van de onafhankelijke gedragswetenschapper lijkt plaatsing in een groepssetting niet passend. De gecertificeerde instelling meent dat een gezinsgerichte voorziening zoals een gezinshuis beter aansluit bij [de minderjarige] . Er is echter nog geen plek voor hem gevonden. Het is van belang dat er op korte termijn uitgebreide diagnostiek plaatsvindt, zodat er een passende plek en behandeltraject kan worden gevonden voor [de minderjarige] . De Waag kan dan ook opnieuw betrokken worden. De gecertificeerde instelling vindt het in belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij wordt geplaatst op een locatie waar gerichte behandeling mogelijk is.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder vindt het, mede gelet op de verklaring van de gedragswetenschapper, belangrijk dat [de minderjarige] thuis blijft wonen en daar behandeling krijgt, terwijl voor [de minderjarige] en voor haar intensieve begeleiding en hulp wordt ingezet. Zij vindt het zwaar om de verzorging van [de minderjarige] volledig op zich te nemen, maar ziet ook in dat het momenteel moeilijk is om een passende plek voor hem te vinden. Ook is het belangrijk dat er ingezet wordt op coaching en dagbesteding. De beste plaats voor [de minderjarige] is ondanks de hoge mate van hulp en begeleiding die nodig zal zijn, thuis bij de moeder. Daarom is namens de moeder verzocht het resterend deel van het verzoek af te wijzen.
4.2.
Door de vader is ingestemd met het verzochte. De vader maakt zich ernstige zorgen over [de minderjarige] . Hij is van mening dat [de minderjarige] dringend behoefte heeft aan intensieve behandeling, dagbesteding en een omgeving waarin strenge regels gelden, waarbij het belangrijkste is dat die regels ook worden gehandhaafd. De vader vindt dat hijzelf en de moeder ook aan de slag moeten met hulpverlening. Plaatsing binnen het netwerk is volgens de vader niet langer een optie. De recente incidenten die hebben plaatsgevonden sinds [de minderjarige] weer bij de moeder thuis is, onderstrepen dat. Gelet op de problematiek van [de minderjarige] vindt de vader plaatsing in een gesloten groep het meest passend. Hij denkt dat het een kwestie van tijd is voordat de situatie in ernstige mate escaleert.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn nog altijd ernstige zorgen over [de minderjarige] . Uit de stukken en de toelichtingen ter zitting leidt de kinderrechter af dat een groep niet de juiste setting is voor [de minderjarige] en dat de ideale situatie zou zijn dat [de minderjarige] bij de moeder thuis kan blijven en daar intensieve hulp ontvangt, terwijl de moeder daarbij ook zelf begeleiding krijgt. Uit de stukken en in het bijzonder de toelichtingen ter zitting volgt evenwel ook dat die situatie momenteel (nog) niet haalbaar is, zowel vanwege het grote risico op escalaties als ook omdat de moeder niet over onvoldoende draagkracht beschikt om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] thuis volledig op zich te nemen. Een gedeeltelijke netwerkplaatsing bij de oma of andere leden van het netwerk blijkt om uiteenlopende redenen niet mogelijk zijn zodat ook in die constructie geen oplossing kan worden gevonden. Intussen blijft het dringend noodzakelijk dat [de minderjarige] duidelijke kaders en structuur en intensieve begeleiding geboden krijgt. Bij die omstandigheden is het in het belang van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij wel op een andere plaats dan bij de moeder thuis verblijft. Ook is het noodzakelijk dat er op zeer korte termijn diagnostiek plaatsvindt. Als de aard van de gedragsproblematiek van [de minderjarige] in kaart is gebracht, wordt duidelijk(er) wat de meest passende plek voor hem is.
5.3.
De kinderrechter is daarom van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing, in elk geval voor korte tijd, nog steeds nodig is. Die machtiging zal dan ook voor korte duur worden verleend zodat binnen afzienbare tijd opnieuw kan worden beoordeeld wat de stand van zaken is en of verdere machtiging nodig blijft. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] wordt daarom verleend tot 18 april 2026. De gecertificeerde instelling heeft onbestreden aangedragen dat de categorie ‘gezinsgerichte voorziening’ daarvoor nu het meest aangewezen is, zodat dit zal worden toegewezen. Het resterend deel van het verzoek zal op een zitting kort vóór die datum opnieuw besproken worden.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk
één weekvoor de nader te bepalen zittingsdatum aan de rechtbank en de overige belanghebbenden een schriftelijke update te sturen. In deze update dient in ieder geval zo concreet mogelijk te worden beschreven: (i) wat de stand van zaken is van de diagnostiek van [de minderjarige] en (ii) welke stappen de gecertificeerde instelling heeft ondernomen om een passende plek voor [de minderjarige] te vinden en of deze gevonden is.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 24 februari 2026 tot 18 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen vóór 18 april 2026;
6.4.
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de vader;
- de moeder;
- de advocaat van de moeder, mr. A.R. Rens;
- [de minderjarige] , voor het kindgesprek.
6.5.
draagt de gecertificeerde instelling op om
uiterlijk één weekvoor de zitting een schriftelijke update bij de rechtbank in te dienen zoals hiervoor overwogen onder 5.4., onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan belanghebbenden.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 3 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.