Eiseres verzocht op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) inzage in haar politiedossier vanaf 2019. Verweerder, de korpschef van politie, weigerde gedeeltelijk inzage te verlenen vanwege de bescherming van rechten en vrijheden van derden, met name om namen van politiemedewerkers en andere persoonsgegevens te beschermen. Eiseres maakte gebruik van een persoonlijke afspraak om inzage te krijgen in niet-geheimgehouden gegevens, maar bleef ontevreden over de weigering van volledige inzage.
Eiseres wilde volledige inzage om onjuiste gegevens te kunnen corrigeren, met name over een vermeend drankprobleem en aangiftes van haar ex-partner. Zij gaf echter geen toestemming aan de rechtbank om kennis te nemen van de geheime stukken die verweerder had overgelegd ter onderbouwing van de weigering. Hierdoor kon de rechtbank de rechtmatigheid van de weigering niet toetsen.
De rechtbank oordeelde dat zonder inzage in de geheime stukken niet kan worden vastgesteld dat verweerder onterecht gegevens heeft geweigerd. De belangenafweging van verweerder achtte de rechtbank niet evident onrechtmatig. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waarmee het besluit van verweerder in stand bleef. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Dokkum op 16 januari 2026. Eiseres kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.