ECLI:NL:RBDHA:2026:6206

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
NL26.11287
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 Richtlijn 2008/115Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 9 februari 2026. De rechtbank beoordeelde nu de periode van 9 februari tot 4 maart 2026.

Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin deze gronden reeds zijn beoordeeld en constateerde dat de situatie niet was gewijzigd. Bovendien weigerde eiser mee te werken aan zijn identiteit vaststellen, wat voor zijn eigen risico is.

Verweerder had in de beoordelingsperiode contact gezocht met de Marokkaanse autoriteiten en eiser was niet verschenen bij een vertrekgesprek. De rechtbank vond dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld. Ambtshalve toetsing aan EU-recht en het beginsel van non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11287

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is op 4 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 februari 2026 (in de zaak NL26.5745) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 9 februari 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 9 februari 2026 tot 4 maart 2026.

Zicht op uitzetting

3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt.
4. De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Marokko eerder is aangevoerd en beoordeeld in het beroepen die hebben geleid tot de uitspraken van 8 januari 2026 en 12 februari 2026. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverwegingen 11 van de uitspraak van de uitspraak van 8 januari 2026 en naar rechtsoverweging 4 van de uitspraak van 12 februari 2026. De algemene situatie met betrekking tot het zicht op uitzetting naar Marokko is niet gewijzigd sinds 9 februari 2026 en ook het tijdsverloop is niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om nu anders over de beroepsgrond te oordelen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en laissez-passer (lp)-traject. Uit het dossier volgt dat eiser dit (nog steeds) niet doet. Dit eiser weigert mee te werken aan het vaststellen van zijn identiteit, en daarmee ook aan zijn uitzetting, komt voor zijn eigen risico. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn standpunt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
5. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering.
6. Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder in de te beoordelen periode – die loopt van 9 februari 2026 tot 4 maart 2026 – op 29 februari 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de op 22 november 2025 ingediende lp-aanvraag. Eiser is daarnaast niet verschenen bij het geplande vertrekgesprek op 26 februari 2026 omdat hij geen zin had in een gesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de te beoordelen periode hiermee voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar Marokko. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had dienen te verrichten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.