Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 2 mei 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Deze termijn werd overschreden met 21 maanden.
Eiser stelde de minister op 8 december 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De minister had aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden verlengd, maar deze verlenging werd ingetrokken, waardoor de zes maanden termijn weer geldt.
De rechtbank legt de minister een termijn van acht weken op om alsnog een besluit te nemen en verbindt daaraan een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €467 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 16 maart 2026. Partijen werden niet uitgenodigd voor een zitting omdat de zaak uitsluitend over de overschrijding van de beslistermijn ging.