ECLI:NL:RBDHA:2026:6275

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
NL26.8865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar en veroordeling proceskosten

Verzoekster diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf, welke door de minister van Buitenlandse Zaken op 22 april 2025 werd afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit. De minister besloot niet tijdig op het bezwaar, waarna verzoekster beroep instelde bij de rechtbank.

Tijdens de procedure heeft de minister alsnog op 12 maart 2026 op het bezwaar beslist. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht de rechtbank de minister te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de minister door het alsnog beslissen op het bezwaar aan het beroep tegemoet is gekomen. Op grond van artikel 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht werd de minister veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten, gebaseerd op een lichte wegingsfactor vanwege de aard van het beroep.

De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 19 maart 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster na intrekking van het beroep wegens alsnog tijdig beslissen op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8865

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.X. Scholten),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 22 april 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een visum kort verblijf afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat verzoekster heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
Op 12 maart 2026 heeft verweerder alsnog op het bezwaar van verzoekster beslist.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken met een gelijktijdig verzoek om verweerder te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op het bezwaar van verzoekster heeft besloten en dit hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog heeft gedaan, is verweerder aan het beroep van verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.