ECLI:NL:RBDHA:2026:6300

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
22/5470
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 3.1.1 bestemmingsplanArt. 3.6.1 bestemmingsplanArt. 3.6.3 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning aanleg laurierhaag en houtwal wegens onvoldoende motivering

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard voor de aanleg van een laurierhaag en houtwal op het perceel van een derde-partij. Eiser, wonende aan een aangrenzend perceel, betwist deze vergunning en voert aan dat het besluit strijdig is met het bestemmingsplan en de goede ruimtelijke ordening.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het uitsluitend het positieve landschapsadvies heeft gevolgd en het negatieve advies heeft genegeerd. Dit betreft met name de vraag of de laurierhaag gebiedseigen beplanting is en of de aanleg onevenredige schade toebrengt aan de landschappelijke waarde. Het college heeft ook nagelaten een zorgvuldige belangenafweging te maken.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt het college om opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het college moet opnieuw beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5470

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Laurijssen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college

(gemachtigden: mr. A.D. Bouwman en [gemachtigde] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]

(gemachtigden: mr. S.F. Knoop en mr. B. Pietersz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor de aanleg van een laurierhaag en een houtwal op het perceel van de derde-partij. Eiser is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de omgevingsvergunning mocht worden verleend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 6 april 2021 heeft het college de derde-partij een omgevingsvergunning verleend ter legalisatie van een reeds aangelegde laurierhaag en houtwal op het perceel [adres 1] te [plaats] . Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2022 heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de omgevingsvergunning onder aanvulling van de rechtsgrondslag hiervan in stand gelaten.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook op het beroep gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser
,bijgestaan door mr. Scholten, de gemachtigden van het college, de derde-partij en zijn gemachtigden. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser in de zaken 22/5464, 22/5468, 22/5472 en 24/9932. Ook in die zaken doet de rechtbank vandaag uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om de omgevingsvergunning voor de aanleg van de laurierhaag en de houtwal is ingediend op 5 mei 2020. Dat betekent dat in dat geval de Wabo van toepassing blijft.
Situatieschets
4. Eiser woont op [adres 2] in [plaats] . Zijn woning is gelegen aan een watergang die de erfafscheiding vormt tussen zijn perceel en het perceel van de derde-partij. De derde-partij is sinds 2015 eigenaar van het perceel [adres 1] (het perceel) en woont daar met zijn familie. Op het perceel was eerder een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. Dat bedrijf is in 1995 beëindigd. De derde-partij heeft sinds de aankoop van het perceel verschillende werkzaamheden uitgevoerd op het perceel om onder meer de grond te saneren van de voormalige melkrundvee- en varkenshouderij. Tussen eiser en de derde-partij bestaat sindsdien onenigheid over het toegestane gebruik van de grond en opstallen op het perceel. Eiser heeft meerdere verzoeken om handhaving ingediend en meerdere omgevingsvergunningen voor activiteiten op het perceel aangevochten.
Juridisch kader
5. Op het perceel is het [bestemmingsplan 1] van toepassing. Op grond van dat bestemmingsplan heeft de grond waar de laurierhaag en houtwal zijn gerealiseerd de bestemming “Agrarisch met waarden”. Op grond van artikel 3.1.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor
het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde bestaande uit de openheid, het verkavelingspatroon c.q. slotenpatroon en graslandvegetaties.
5.1.
Op grond van artikel 3.6.1, aanhef en onder i, van de planregels, voor zover hier van belang, is een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden vereist voor het beplanten van gronden met bomen of andere houtopstanden met meer dan één gebiedseigen boom per kavel.
5.2.
Op grond van artikel 3.6.3, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan zijn de werkzaamheden bedoeld in artikel 3.6.1, aanhef en onder i, slechts toelaatbaar indien door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke of cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige belangen van de gronden.
5.3.
Op grond van artikel 3.6.4 van het bestemmingsplan dient het college met betrekking tot de beoordeling van de toelaatbaarheid van werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.6.3 onder i, advies bij een landschapsdeskundige in te winnen.
Het bestreden besluit
6. Het college heeft de aanleg van de laurierhaag en houtwal toelaatbaar geacht. Hiertoe heeft het college verwezen naar een positief advies van de landschapsdeskundige van 10 februari 2020. In aanvulling op het primaire besluit heeft het college in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat de laurierhaag en de houtwal in strijd zijn met artikel 3.1.1 van het bestemmingsplan. Het college is afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Besluit ruimtelijke ordening. Het college heeft in dit verband toegelicht dat de laurierhaag op meer dan 20 meter van het perceel van eiser ligt en uitsluitend het zicht op bestaande bebouwing op het perceel van de derde-partij wegneemt. Volgens het college is er geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser. Met deze afwijking van het bestemmingsplan heeft het college willen anticiperen op de inwerkingtreding van het bestemmingsplan [bestemmingsplan 2] dat destijds als ontwerp ter inzage lag. In dat nieuwe bestemmingsplan zouden de laurierhaag en de houtwal volgens het college worden toegestaan, omdat de bestemming van het perceel hiermee wordt gewijzigd van “Agrarisch met waarden” naar een woonbestemming.
Het betoog van eiser
7. Eiser acht de laurierhaag en de houtwal in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij betoogt dat niet van het bestemmingsplan kon worden afgeweken onder verwijzing naar het ontwerpbestemmingsplan [bestemmingsplan 2] , omdat nog maar zeer de vraag is of dit bestemmingsplan ooit in werking zal treden. Verder heeft eiser aangevoerd dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet of nauwelijks een belangenafweging heeft gemaakt. Eiser stelt dat zijn vrije uitzicht door de laurierhaag en de houtwal aanzienlijk wordt beperkt.
Eiser betoogt voorts dat de laurierhaag geen gebiedseigen beplanting is en daarom een ontoelaatbare aantasting vormt van de landschappelijke waarde van het gebied. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst hij naar een negatief landschapsadvies van de gemeentelijke landschapsdeskundige van 10 juni 2020 en naar een advies van [landschapsarchitect] van 15 december 2020.
Het oordeel van de rechtbank
8. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende toegelicht dat de laurierhaag en de houtwal niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. De aanwezigheid van de laurierhaag en de houtwal leidt niet tot een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefomgeving van eiser. In het bestreden besluit heeft het college voldoende gemotiveerd dat de laurierhaag en de houtwal de openheid van het landschap niet onaanvaardbaar aantasten. Ter zitting heeft het college aan de hand van (lucht)foto’s nader inzichtelijk gemaakt dat de laurierhaag en de houtwal, bezien vanaf het perceel van eiser, met name het zicht op de bebouwing op het perceel van de derde-partij beperken. Van een noemenswaardige aantasting van het naastgelegen open polderlandschap is geen sprake.
De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom van het bestemmingsplan kon worden afgeweken. De door eiser geuite twijfel over de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, leidt niet tot een ander oordeel. Voor de beantwoording van de vraag of het college voldoende heeft onderbouwd dat van het huidige bestemmingsplan kon worden afgeweken, is op zichzelf niet relevant wat er met het ontwerpbestemmingsplan is beoogd.
8.2.
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gemotiveerd dat voldaan wordt aan artikel 3.6.3, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan. Het college heeft ter onderbouwing van zijn standpunt ter zake in het bestreden besluit verwezen naar het positieve landschapsadvies van 10 juni 2020. Er is echter een tweede landschapsadvies van dezelfde datum en van dezelfde adviseur, waarin negatief geadviseerd wordt ten aanzien van de aanvraag. Daarin is geconcludeerd:
“Het plaatsen van niet gebiedseigen bomen (laurier) is niet akkoord, dit tast de landschappelijke waarde aan doordat er bomen in het agrarisch gebied met waarden worden geplant die hier van nature niet voorkomen. Het plaatsen van de gebiedseigen houtwal is alleen ter afscherming van de laurierhaag. Nu de laurierhaag niet is toegestaan is de houtwal niet nodig.”
Deze conclusie wordt onderschreven in het door eiser overgelegde advies van [landschapsarchitect] .
Het negatieve landschapsadvies heeft het college zonder nadere motivering niet bij het bestreden besluit betrokken. In plaats daarvan heeft het college aansluiting gezocht bij het positieve landschapsadvies. Uit dat positieve landschapsadvies komt echter met name naar voren dat de adviseur handhavend optreden tegen de beplanting onevenredig acht, als deze beplanting met de voorziene inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan zal worden gelegaliseerd. In het advies wordt in dit verband benadrukt dat als voorwaarde voor het verlenen van een vergunning geldt dat zekerheid bestaat over de wijziging van de bestemming “Agrarisch met waarden” naar “Wonen/tuin” in het nieuwe bestemmingsplan. Het advies bevat geen zelfstandige beoordeling waaruit volgt dat ten aanzien van de laurierhaag en de houtwal voldaan wordt aan de voorwaarden die artikel 3.6.3, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan stelt voor vergunningverlening. Het college heeft niet kunnen toelichten waarom het uitsluitend gewicht heeft toegekend aan het positieve landschapsadvies en niet aan het negatieve landschapsadvies. Het bestreden besluit is gelet hierop niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet geen aanleiding dit gebrek te passeren. Het betoog van eiser slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser.
8.1.
De rechtbank ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. De rechtbank stelt deze kosten aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Omdat het beroep gegrond is, moet het college ook het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 juli 2022;
- bepaalt dat het college de proceskosten van eiser in beroep van € 1868,- moet vergoeden;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.