ECLI:NL:RBDHA:2026:6310

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
NL25.28071
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing visumaanvraag kort verblijf

Eiser, een Sierra Leoonse nationaliteithebbende inwoner van Ghana, verzocht op 17 december 2024 om een visum kort verblijf voor Nederland. De aanvraag werd op 2 januari 2025 afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf en twijfel over het vertrek voor het verstrijken van het visum.

In bezwaar bleef verweerder bij de afwijzing, stellende dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst had aangetoond. Eiser stelde dat verweerder de hoorplicht had geschonden, omdat onduidelijk was welke aanvullende bewijsstukken nog nodig waren en verweerder geen hoorzitting had gehouden.

De rechtbank oordeelde dat eiser en zijn referente voldoende inspanningen hadden verricht om informatie te overleggen en dat verweerder vragen had over ontbrekende informatie. Gezien deze omstandigheden had verweerder een hoorzitting moeten houden om de vragen te bespreken en aanvullende stukken te vragen.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28071
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden in de bezwaarfase. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1999 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Eiser woont in Ghana. Op 17 december 2024 heeft eiser verzocht om de afgifte van een visum kort verblijf, voor verblijf in Nederland bij referente, mevrouw [persoon] . Eiser heeft een relatie met referente.
2.2.
Met het primaire besluit van 2 januari 2025 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder heeft eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond en kon het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet worden vastgesteld.
2.3.
Met het bestreden besluit van 2 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kon worden vastgesteld, omdat de sociale en economische binding van eiser met het land van herkomst of bestendig verblijf onvoldoende is aangetoond, dan wel gering is gebleken.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referente, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Schending hoorplicht
3.1.
Eiser voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Volgens eiser was onduidelijk welke nadere bewijzen hij nog moest overleggen. Op de zitting heeft referente er verder op gewezen dat aan het begin van het aanvraagformulier stond dat zij een aantal vragen niet hoefde in te vullen. Twee van die vragen gingen over het huidige werk van eiser. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiser geen bewijsstukken heeft overgelegd van zijn werk. Referente voert aan dat het niet te volgen is dat verweerder eerst stelt dat zij bepaalde vragen niet hoeft in te vullen, maar dat verweerder vervolgens tegenwerpt dat deze vragen niet zijn ingevuld en dat eiser zijn werk niet heeft onderbouwd.
3.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [1] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [2] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
3.3.
Het is de rechtbank gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om benodigde informatie te overleggen. In bezwaar heeft eiser een aantal stukken overgelegd, namelijk een garantstelling, een arbeidsovereenkomst van de moeder van referente, een aantal foto’s, een bon van vliegtickets, uitleg over het inkomen, een bewijs van een afspraak voor het inburgeringsexamen en een bewijs van rechtmatig verblijf in Ghana. Verweerder heeft in de bezwaarfase een vragenlijst aan eiser toegezonden om nadere informatie te verkrijgen. Eiser heeft die vragenlijst ingevuld geretourneerd. In een begeleidende brief bij het bezwaar heeft referente verder een toelichting gegeven op het bezwaar en daarbij aangegeven dat zij het graag zou horen als verweerder nog meer informatie nodig heeft. De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat eiser en referente hebben gecommuniceerd over het overleggen van benodigde informatie. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit overwogen dat er geen documenten zijn overlegd die aantonen dat eiser een adoptiekind heeft en dat eiser in bezwaar wel heeft gesteld dat hij in Ghana als manager in de zaak van de moeder van referente werkt, maar dat hiervan geen bewijsstukken zijn overgelegd.
3.4.
Nu gebleken is dat er bij verweerder vragen zijn gerezen over ontbrekende informatie en nu eiser wel inspanningen heeft geleverd om de juiste informatie aan te leveren, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Het had op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen door middel van het houden van een hoorzitting. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat een beslismedewerker van verweerder in de bezwaarfase met referente heeft gebeld. In dit telefoongesprek is niet gesproken over het overleggen van nadere benodigde informatie. De rechtbank neemt ook mee dat eiser in de bezwaarfase heeft geprocedeerd zonder advocaat. De rechtbank vindt dat dit, gelet op de inspanningen van eiser, voor verweerder een extra reden had moeten zijn om een hoorzitting te houden. Op een hoorzitting had verweerder de gerezen vragen over de gegeven informatie of over de nog ontbrekende informatie aan eiser (en referente) kunnen stellen en om aanvullende documenten kunnen vragen. [3]

Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 2 juni 2025;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
3.Zie hierover ook overweging 5.2 van de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022.